Vanaf de datum van hun ambtsaanvaarding tot de laatste dag van de maand waarin de uitoefening van hun mandaat eindigt, hebben de leden van het Parlement (“de leden”) recht op de in artikel 10 van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (“het Statuut”) bepaalde bezoldiging.
Besluit van het Bureau van 11 september 2023 houdende de bepalingen ter uitvoering van het statuut van de leden van het Europees Parlement en tot intrekking van het besluit van het Bureau van 19 mei en 9 juli 2008
Besluit van het Bureau van 11 september 2023 houdende de bepalingen ter uitvoering van het statuut van de leden van het Europees Parlement en tot intrekking van het besluit van het Bureau van 19 mei en 9 juli 2008
TITEL I UITOEFENING VAN HET MANDAAT VAN PARLEMENTSLID
HOOFDSTUK 1 Bezoldiging
Artikel 1 Recht op bezoldiging
Artikel 2 Anticumulatieregels
De bezoldiging die een lid ontvangt voor een mandaat dat hij of zij tegelijkertijd in een ander parlement uitoefent naast een mandaat in het Parlement, wordt in mindering gebracht op de in artikel 10 van het Statuut bedoelde bezoldiging.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “ander parlement” verstaan: elk parlement dat in een lidstaat gevestigd is en dat een wetgevende bevoegdheid heeft waarop artikel 7, lid 2, van de Akte tot verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen(1) niet van toepassing is.
De berekening geschiedt op basis van het totale bedrag van elk van de beide bezoldigingen vóór aftrek van belastingen.
De leden doen in de verklaringen omtrent hun financiële belangen opgave van elk mandaat in de zin van lid 1 en van elke bezoldiging die zij uit hoofde van dat mandaat ontvangen.