Home

Besluit (GBVB) 2024/385 van de Raad van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken

Besluit (GBVB) 2024/385 van de Raad van 19 januari 2024 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken

Artikel 1

1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de inreis in of de doorreis door hun grondgebied te beletten van natuurlijke personen die:

  1. Hamas, de Palestijnse Islamitische Jihad (“PIJ”), een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan materieel of financieel ondersteunen;

  2. deelnemen aan het financieren van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan het financieren van handelingen of activiteiten van, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van hen;

  3. deelnemen aan het plannen, voorbereiden of mogelijk maken van gewelddadige acties door, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  4. wapens en daarmee verband houdend materieel aan Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan leveren, verkopen of overdragen;

  5. acties die de stabiliteit of veiligheid van Israël ondermijnen, materieel of financieel ondersteunen of uitvoeren, samen met, uit naam van, of voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  6. betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht of van het recht inzake de mensenrechten, uit naam van of voor rekening van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep, een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  7. aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van ernstige gewelddaden door, samen met, uit naam van, voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  8. steun verlenen aan natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij de in punten a) tot en met g) genoemde activiteiten,

zoals deze zijn opgenomen in de lijst in de bijlage.

2.

Lid 1 verplicht een lidstaat niet om eigen onderdanen de toegang tot zijn grondgebied te weigeren.

3.

Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten krachtens het internationale recht gebonden zijn, namelijk:

  1. als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

  2. als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

  3. krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent; of

  4. krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.

Lid 3 is ook van toepassing op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

5.

De Raad wordt naar behoren geïnformeerd in elk van de gevallen waarin een lidstaat krachtens leden 3 of 4 een vrijstelling verleent.

6.

De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden of met het oog op het bijwonen van intergouvernementele vergaderingen, door de Unie geïnitieerde of georganiseerde vergaderingen, of door een lidstaat die fungerend voorzitter is van de OVSE georganiseerde vergaderingen, wanneer daar een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de beleidsdoelen van de beperkende maatregelen rechtstreeks worden bevorderd.

7.

De lidstaten kunnen ook vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien binnenkomst of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijke procedure.

8.

Een lidstaat die de in de leden 6 of 7 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn verleend, tenzij een of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling schriftelijk bezwaar maken. Indien één of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

9.

Wanneer een lidstaat krachtens de leden 3, 4, 6, 7 of 8 machtiging verleent tot inreis in of doorreis door zijn grondgebied van de in de bijlage vermelde natuurlijke personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de rechtstreeks daarbij betrokken natuurlijke personen.

Artikel 2

1.

Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen die:

  1. Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan materieel of financieel ondersteunen;

  2. deelnemen aan het financieren van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan het financieren van handelingen of activiteiten van, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van hen;

  3. deelnemen aan het plannen, voorbereiden of mogelijk maken van gewelddadige acties door, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  4. wapens en daarmee verband houdend materieel aan Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan leveren, verkopen of overdragen;

  5. acties die de stabiliteit of veiligheid van Israël ondermijnen, materieel of financieel ondersteunen of uitvoeren, samen met, uit naam van, of voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  6. betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht of van het recht inzake de mensenrechten, voor rekening van of uit naam van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  7. aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van ernstige gewelddaden door, samen met, uit naam van, voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

  8. steun verlenen aan natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij de in punten a) tot en met g) genoemde activiteiten;

zoals opgenomen in de lijst in de bijlage, worden bevroren.

2.

Tegoeden, andere financiële activa of economische middelen worden direct noch indirect aan of ten behoeve van de in bijlage vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen ter beschikking gesteld.

3.

In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder de voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage genoemde personen en de gezinsleden die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het routinematige aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

  4. noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de betrokken bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat een specifieke toestemming moet worden verleend; of

  5. gestort worden op of betaald worden van een rekening van een diplomatieke of consulaire missie, of een internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationaal recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke of consulaire missie of de internationale organisatie.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit lid verleende toestemming, binnen twee weken na de verlening van dergelijke toestemming.

4.

In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. de tegoeden of economische middelen zijn voorwerp van een arbitrale beslissing die is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de groep, de entiteit of het lichaam bedoeld in lid 1 is opgenomen in de lijst in de bijlage, of een in de Unie gegeven rechterlijke of administratieve beslissing, of een in de betrokken lidstaat uitvoerbare rechterlijke beslissing, en die van voor of na die datum of die datum zelf dateert;

  2. de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend gebruikt om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijke beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, binnen de grenzen gesteld door de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de rechten van titularissen van dergelijke vorderingen;

  3. de beslissing komt niet ten goede aan een in de lijst in de bijlage opgenomen natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam; en

  4. de erkenning van de beslissing is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit lid verleende toestemming, binnen twee weken na de verlening van dergelijke toestemming.

5.

Lid 1 belet niet dat een op de lijst in de bijlage vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam een betaling verricht die verschuldigd is uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór deze natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam op de lijst werd geplaatst, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam.

6.

Lid 2 is niet van toepassing op het overmaken op bevroren rekeningen van:

  1. rente of andere inkomsten op die rekeningen, mits dergelijke rente of andere inkomsten onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen;

  2. betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op deze rekeningen van toepassing werden, mits dergelijke betalingen onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen; of

  3. betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van rechterlijke, administratieve of arbitrale beslissingen die in de Unie zijn gegeven of in de betrokken lidstaat uitvoerbaar zijn, mits dergelijke betalingen onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen.

7.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verstrekking, verwerking of betaling van tegoeden, andere financiële activa of economische middelen of op de verstrekking van goederen of diensten die noodzakelijk zijn voor de tijdige verstrekking van humanitaire bijstand of ter ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften wanneer dergelijke bijstand en andere activiteiten worden uitgevoerd door:

  1. de Verenigde Naties, met inbegrip van hun programma’s, fondsen en andere entiteiten en organen, alsmede hun gespecialiseerde agentschappen en aanverwante organisaties;

  2. internationale organisaties;

  3. humanitaire organisaties met de status van waarnemer bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en leden van die humanitaire organisaties;

  4. bilateraal of multilateraal gefinancierde niet-gouvernementele organisaties die deelnemen aan de humanitaire responsplannen van de Verenigde Naties, de responsplannen voor vluchtelingen, andere oproepen van de Verenigde Naties of humanitaire clusters die worden gecoördineerd door het Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden van de Verenigde Naties;

  5. organisaties en agentschappen waaraan de Unie het certificaat van humanitair partnerschap heeft afgegeven of die door een lidstaat zijn gecertificeerd of erkend overeenkomstig nationale procedures;

  6. gespecialiseerde agentschappen van de lidstaten; of

  7. de werknemers, begunstigden, ondergeschikte organen of uitvoerende partners van de in de punten a) tot en met f) genoemde entiteiten terwijl en voor zover zij in die hoedanigheid handelen.

8.

Onverminderd lid 7 en in afwijking van de leden 1 en 2, kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de verstrekking van deze tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor de tijdige verstrekking van humanitaire bijstand of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften.

9.

Indien de bevoegde autoriteit binnen vijf werkdagen na ontvangst van een verzoek om toestemming uit hoofde van lid 8, geen negatief besluit heeft genomen, geen verzoek om informatie heeft ingediend of niet heeft laten weten dat ze meer tijd nodig heeft, wordt die vergunning geacht te zijn verleend.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit artikel verleende toestemming, binnen vier weken na verlening van de toestemming.

Artikel 3

1.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”) de lijst in de bijlage vast en wijzigt deze.

2.

De Raad stelt de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam in kennis van het besluit op grond van lid 1, met inbegrip van de motivering, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door middel van de bekendmaking van een kennisgeving, zodat die natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam daarover opmerkingen kan indienen.

3.

Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad het besluit op grond van lid 1 en brengt hij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam daarvan op de hoogte.

Artikel 4

1.

In de bijlage worden de redenen voor opneming van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen in de lijst vermeld.

2.

De bijlage bevat de informatie, indien deze beschikbaar is, die nodig is om de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen te identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit: namen en aliassen; geboortedatum en geboorteplaats; nationaliteit; paspoort- en identiteitskaartnummers; geslacht; adres, indien bekend; en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen kan dergelijke informatie bestaan uit: namen; plaats en datum van registratie; registratienummer; en plaats van vestiging.

Artikel 5

1.

De Raad en de hoge vertegenwoordiger verwerken voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van dit besluit persoonsgegevens, met name:

  1. wat betreft de Raad, bij het opstellen en wijzigen van de bijlage;

  2. wat betreft de hoge vertegenwoordiger, bij het opstellen van wijzigingen van de bijlage.

2.

De Raad en de hoge vertegenwoordiger mogen in voorkomend geval relevante gegevens verwerken die betrekking hebben op strafbare feiten die zijn gepleegd door natuurlijke personen op de lijst, op strafrechtelijke veroordelingen van die personen of veiligheidsmaatregelen betreffende die personen, doch uitsluitend voor zover deze verwerking noodzakelijk is voor het opstellen van de bijlage.

3.

Voor de toepassing van dit besluit worden de Raad en de hoge vertegenwoordiger aangewezen als “verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(1), opdat de betrokken natuurlijke personen hun rechten uit hoofde van die verordening kunnen uitoefenen.

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

BIJLAGE