Home

Verordening (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147

Verordening (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147

Artikel 1 Onderwerp

1.

Bij deze verordening:

  1. wordt een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden (het “Uniekader”) vastgesteld voor de toelating van onderdanen van derde landen of staatlozen tot het grondgebied van de lidstaten, teneinde hun overeenkomstig deze verordening:

    1. internationale bescherming, of

    2. een humanitaire status naar nationaal recht te verlenen die voorziet in rechten en verplichtingen die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 20 tot en met 26 en 28 tot en met 35 van Verordening (EU) 2024/1347 voor personen die subsidiaire bescherming genieten, en

  2. worden voor de toepassing van deze verordening regels vastgesteld inzake de toelating, door middel van hervestiging of toelating op humanitaire gronden, van onderdanen van derde landen of staatlozen tot het grondgebied van de lidstaten.

2.

Deze verordening voorziet niet in een recht van onderdanen van derde landen of staatlozen om toelating te vragen, of te worden toegelaten, tot het grondgebied van een lidstaat.

3.

Deze verordening verplicht de lidstaten niet om een onderdaan van een derde land of een staatloze toe te laten.

4.

De lidstaten dragen op vrijwillige basis bij aan het Unieplan voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden (het “Unieplan”) zoals bedoeld in artikel 8. De aanwijzingen van de lidstaten in het op grond van artikel 11 ingestelde Comité op hoog niveau inzake hervestiging en toelating op humanitaire gronden met betrekking tot de nadere gegevens van hun deelname, met inbegrip van het soort toelating en de regio's of de derde landen van waaruit toelating moet plaatsvinden, alsook over hun bijdrage aan het totale aantal toe te laten personen uit hoofde van het Unieplan, zijn aanwijzingen op vrijwillige basis.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “hervestiging”: de toelating, na een voordracht van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR), van een onderdaan van een derde land of een staatloze tot het grondgebied van een lidstaat vanuit een derde land waarnaar die persoon is verplaatst, die:

    1. op grond van artikel 5, lid 1, in aanmerking komt voor toelating;

    2. niet onder de in artikel 6 genoemde weigeringsgronden valt, en

    3. internationale bescherming verleend krijgt overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht, en toegang heeft tot een duurzame oplossing;

  2. “internationale bescherming”: internationale bescherming als gedefinieerd in artikel 3, punt 3), van Verordening (EU) 2024/1347;

  3. “toelating op humanitaire gronden”: de toelating, na, op verzoek van een lidstaat, een voordracht van het Asielagentschap van de Europese Unie (het “Asielagentschap”), van de UNHCR, of van een ander relevant internationaal orgaan, van een onderdaan van een derde land of een staatloze vanuit een derde land waarnaar die persoon gedwongen is verplaatst, tot het grondgebied van een lidstaat, en die, ten minste op basis van een initiële evaluatie:

    1. op grond van artikel 5, lid 2, in aanmerking komt voor toelating;

    2. niet onder de in artikel 6 genoemde weigeringsgronden valt, en

    3. internationale bescherming verleend krijgt overeenkomstig artikel 9, lid 17, van deze verordening, of een humanitaire status naar nationaal recht die voorziet in rechten en verplichtingen die gelijkwaardig zijn aan die van de artikelen 20 tot en met 26 en 28 tot en met 35 van Verordening (EU) 2024/1347 voor personen die subsidiaire bescherming genieten;

  4. “spoedeisende toelating”: de toelating door middel van hervestiging of toelating op humanitaire gronden van personen met een dringende behoefte aan juridische of fysieke bescherming of die onmiddellijke medische zorg behoeven.

Artikel 3 Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden

Het Uniekader:

  1. voorziet in de legale en veilige aankomst op het grondgebied van de lidstaten van onderdanen van derde landen of staatlozen die voor toelating in aanmerking komen en niet onder de weigeringsgronden uit hoofde van deze verordening vallen, teneinde hun internationale bescherming overeenkomstig deze verordening, dan wel een in artikel 2, punt 3), c), bedoelde humanitaire status naar nationaal recht te verlenen en moedigt alle lidstaten aan hun inspanningen daarvoor op te voeren;

  2. helpt de Unie meer bij te dragen aan internationale initiatieven voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, teneinde het totale aantal beschikbare plaatsen voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden te verhogen;

  3. draagt bij tot het versterken van de partnerschappen van de Unie met derde landen in regio's waarnaar een groot aantal internationale bescherming behoevende personen is verplaatst.

Artikel 4 Bepaling van de regio's of derde landen van waaruit hervestiging of toelating op humanitaire gronden door de Unie moet plaatsvinden

Het bepalen van de regio's of derde landen van waaruit hervestiging of toelating op humanitaire gronden door de Unie plaatsvindt, is in de eerste plaats gebaseerd op:

  1. de prognoses van de UNHCR over de wereldwijde hervestigingsnoden;

  2. de mogelijkheid tot verbetering van het beschermingsklimaat en tot vergroting van de beschermingscapaciteit in derde landen;

  3. de omvang en de inhoud van toezeggingen door derde landen in verband met hervestiging of toelating op humanitaire gronden, teneinde gezamenlijk bij te dragen aan het vervullen van de door de UNHCR geprognosticeerde wereldwijde hervestigingsnoden.

Artikel 5 Toelatingsvoorwaarden

1.

Met het oog op hervestiging komen de volgende onderdanen van derde landen of staatlozen in aanmerking voor toelating, op voorwaarde dat zij tot ten minste een van de in lid 3, punt a), genoemde categorieën behoren:

  1. onderdanen van derde landen die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zoals gedefinieerd in artikel 10 van Verordening (EU) 2024/1347 bevinden buiten het land waarvan zij de nationaliteit bezitten en de bescherming van dat land niet kunnen of, wegens een dergelijke vrees, niet willen inroepen, dan wel staatlozen die zich om dezelfde redenen bevinden buiten het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven en naar dat land niet kunnen, of wegens een dergelijke vrees niet willen, terugkeren, of

  2. onderdanen van derde landen die zich bevinden buiten het land waarvan zij de nationaliteit bezitten of staatlozen die zich bevinden buiten het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij, wanneer zij naar hun land van herkomst of, in het geval van staatlozen, naar het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven, zouden terugkeren, een reëel risico zouden lopen op ernstige schade zoals gedefinieerd in artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347, en die zich niet onder de bescherming van dat land kunnen of, wegens dat risico, willen stellen.

Personen van wie de bescherming of bijstand van andere instanties of agentschappen van de VN dan de UNHCR om welke reden dan ook is opgehouden zonder dat hun situatie duidelijk is geregeld overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, worden verondersteld te voldoen aan de in dit lid bedoelde selectiecriteria.

2.

Met het oog op toelating op humanitaire gronden komen de volgende onderdanen van derde landen of staatlozen in aanmerking voor toelating, op voorwaarde dat zij, ten minste op basis van een initiële evaluatie, tot ten minste één van de in lid 3 genoemde categorieën behoren:

  1. onderdanen van derde landen die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zoals gedefinieerd in artikel 10 van Verordening (EU) 2024/1347 bevinden buiten het land waarvan zij de nationaliteit bezitten en de bescherming van dat land niet kunnen of, wegens een dergelijke vrees, niet willen inroepen, dan wel staatlozen die zich om dezelfde redenen bevinden buiten het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven en daarheen niet kunnen, of wegens een dergelijke vrees niet willen, terugkeren, of

  2. onderdanen van derde landen die zich bevinden buiten het land waarvan zij de nationaliteit bezitten of staatlozen die zich bevinden buiten het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat zij, wanneer zij naar hun land van herkomst of, in het geval van staatlozen, naar het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven, zouden terugkeren, een reëel risico zouden lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347, en die zich niet onder de bescherming van dat land kunnen of, wegens dat risico, willen stellen.

Personen van wie de bescherming of bijstand van andere instanties of agentschappen van de VN dan de UNHCR om welke reden dan ook is opgehouden zonder dat hun situatie definitief is geregeld overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, worden verondersteld te voldoen aan de in dit lid bedoelde selectiecriteria.

3.

Om op grond van dit artikel voor toelating in aanmerking te komen, moet een onderdaan van een derde land of een staatloze ook tot ten minste een van de volgende categorieën behoren:

  1. kwetsbare personen, te weten:

    1. vrouwen en meisjes die gevaar lopen;

    2. minderjarigen, met inbegrip van niet-begeleide minderjarigen;

    3. personen die geweld of foltering, ook op grond van hun geslacht of seksuele gerichtheid, hebben overleefd;

    4. personen die juridische en/of fysieke bescherming nodig hebben, met inbegrip van bescherming tegen refoulement;

    5. personen met medische behoeften, ook wanneer een levensreddende behandeling niet beschikbaar is in het land waarnaar zij gedwongen zijn verplaatst;

    6. personen met een handicap;

    7. personen zonder vooruitzicht op een alternatieve duurzame oplossing, met name personen in een langdurige vluchtelingensituatie;

  2. in geval van toelating op humanitaire gronden, de in lid 4 genoemde gezinsleden van onderdanen van derde landen of staatlozen die legaal in een lidstaat verblijven, of van burgers van de Unie.

4.

Om de eenheid van het gezin te waarborgen, komen de volgende gezinsleden van toe te laten onderdanen van derde landen of staatlozen ook in aanmerking voor toelating:

  1. de echtgenoot of de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden, indien in het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat niet-gehuwde paren op vergelijkbare wijze worden behandeld als gehuwde paren uit hoofde van het recht dat betrekking heeft op onderdanen van derde landen of staatlozen;

  2. de minderjarige kinderen, mits zij ongehuwd zijn, en ongeacht de vraag of zij naar nationaal recht wettige, buitenechtelijke of geadopteerde of erkende kinderen zijn;

  3. de vader, moeder of een andere volwassene die naar het recht of de praktijk van de betrokken lidstaat, verantwoordelijk is voor een ongehuwde minderjarige;

  4. de broer(s) of zus(sen);

  5. onderdanen van derde landen of staatlozen die wegens een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige geestelijke of lichamelijke ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd afhankelijk zijn van bijstand door hun kind, ouder of een ander gezinslid, mits er in het land van herkomst gezinsbanden bestonden, het kind, de ouder of het andere gezinslid in staat is om voor de afhankelijke persoon te zorgen en de betrokkenen hun wens schriftelijk kenbaar hebben gemaakt.

Bij de toepassing van dit lid moeten de lidstaten terdege rekening houden met de belangen van het kind. Wanneer de onderdaan van een derde land of staatloze een gehuwde minderjarige is die niet door zijn of haar echtgeno(o)t(e) wordt vergezeld, kan worden geoordeeld dat het belang van de minderjarige bij zijn of haar oorspronkelijke gezin ligt.

Artikel 6 Gronden voor het weigeren van toelating

Artikel 7 Instemming

Artikel 8 Unieplan voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden

Artikel 9 Toelatingsprocedure

Artikel 10 Operationele samenwerking

Artikel 11 Comité op hoog niveau inzake hervestiging en toelating op humanitaire gronden

Artikel 12 Deelname van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland

Artikel 13 Financiële steun

Artikel 14 Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/1147

Artikel 15 Evaluatie en toetsing

Artikel 16 Inwerkingtreding