Richtlijn 68/415/EEG van de Raad van 20 december 1968 inzake de vrijheid van landbouwers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en zijn gevestigd in een andere Lid- Staat, om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen
Richtlijn 68/415/EEG van de Raad van 20 december 1968 inzake de vrijheid van landbouwers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en zijn gevestigd in een andere Lid- Staat, om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen
++++
( 1 ) PB nr . 2 van 15 . 1 . 1962 , blz . 36/62 .
( 2 ) PB nr . C 55 van 5 . 6 . 1968 , blz . 16 .
( 3 ) PB nr . 158 van 18 . 7 . 1967 , blz . 7 .
( 4 ) PB nr . 62 van 20 . 4 . 1963 , blz . 1323/63 .
( 5 ) PB nr . 62 van 20 . 4 . 1963 , blz . 1326/63 .
( 6 ) PB nr . L 93 van 17 . 4 . 1968 , blz . 13 .
RICHTLIJN VAN DE RAAD
van 20 december 1968
inzake de vrijheid van landbouwers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en zijn gevestigd in een andere Lid-Staat , om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen
( 68/415/EEG )
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 54 , leden 2 en 3 ,
Gelet op het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging ( 1 ) , inzonderheid op titel IV , F sub 5 ,
Gezien het voorstel van de Commissie ,
Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ) ,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ) ,
Overwegende dat het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor de verwezenlijking van deze vrijheid in de landbouw een speciaal tijdschema inhoudt , waarbij rekening wordt gehouden met het bijzondere karakter van het landbouwbedrijf ; dat de vijfde reeks maatregelen , vervat in dit tijdschema , inhoudt dat aan het begin van het derde jaar van de derde etappe door elke Lid-Staat aan de landbouwers die onderdaan van een der overige Lid-Staten zijn zal worden toegestaan om onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen ;
Overwegende dat de bewoordingen van het Algemeen Programma betrekking hebben op alle vormen van steun , ongeacht de wijze waarop deze wordt verleend , voor zover de steun bestemd is voor de in het ontvangende land gevestigde landbouwer voor het bedrijf dat hij exploiteert , voor de bedrijfsmiddelen waarvan hij gebruik maakt of voor de goederen die hij produceert ; dat evenwel de uitkeringen van de sociale verzekeringen en de sociale voorzieningen , waarvoor overeenkomstig het tijdschema van het Algemeen Programma aan het einde van de overgangsperiode maatregelen zullen worden genomen , buiten de werkingssfeer van deze richtlijn dienen te vallen ;
Overwegende dat de begunstigden van de richtlijn van de Raad van 2 april 1963 tot vaststelling van de wijze waarop de vrijheid van vestiging in de landbouw op het grondgebied van een Lid-Staat wordt verwezenlijkt voor onderdanen van de andere landen van de Gemeenschap , die gedurende twee jaar zonder onderbreking als werknemers in de landbouw in deze Lid-Staat werkzaam zijn geweest ( 4 ) en van de richtlijn van de Raad van 2 april 1963 tot vaststelling van de wijze waarop de vrijheid van vestiging op landbouwbedrijven die sedert meer dan twee jaar verlaten of onbebouwd zijn , wordt verwezenlijkt ( 5 ) , reeds met de eigen onderdanen zijn gelijkgesteld voor wat betreft de mogelijkheid om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen ;
Overwegende dat bij de richtlijn van de Raad van 5 april 1968 inzake de vrijheid van landbouwers die onderdaan zijn van een Lid-Staat en zijn gevestigd in een andere Lid-Staat , om gebruik te maken van de verschillende vormen van krediet ( 6 ) reeds is voorzien in de mogelijkheid voor de begunstigden om af te lossen leningen , eventueel met een rentesubsidie , te verkrijgen ,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :
Artikel 1
Overeenkomstig de onderstaande bepalingen heffen de Lid-Staten ten gunste van de onderdanen en vennootschappen van de andere Lid-Staten die op hun grondgebied anders dan in loondienst in de landbouwsector werkzaam zijn of zich daartoe vestigen , hierna " begunstigden " genoemd , de beperkingen op betreffende de mogelijkheid om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen .
Artikel 2
1 . Onder mogelijkheid om gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen in de zin van deze richtlijn wordt verstaan de mogelijkheid voor de begunstigden om steun in geld of in natura , in welke vorm ook , te verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de Staat waar zij zijn gevestigd , met name subsidies , garanties voor leningen , rentesubsidies en vrijstellingen van belasting , met uitzondering evenwel van van de uitkeringen van de sociale verzekeringen en de sociale voorzieningen .
2 . Onder werkzaamheden in de landbouw in de zin van deze richtlijn worden verstaan :
_ de werkzaamheden die worden genoemd in bijlage V van het Algemeen Programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging ( ex klasse 01 , Landbouw , van de " classification internationale type , par industrie , de toutes les branches d'activité économique " ) ( 1 ) , in het bijzonder :
a ) de algemene landbouw , met inbegrip van wijnbouw , teelt van fruit en fruitbomen , zaadteelt , groenten - , bloemen - en sierplantenteelt , ook in kassen ;
b ) de veeteelt , de pluimveeteelt , de konijnenteelt , de pelsdierenteelt en de teelt van andere dieren ; de bijenteelt , de produktie van vlees , melk , wol , huiden en bont , eieren en honing ;
_ houtkap , bosexploitatie , bebossing en herbebossing , welke worden uitgeoefend als nevenwerkzaamheden , wanneer zulks verenigbaar is met de nationale voorschriften en met name met het plan voor grondgebruik .
Artikel 3
De Lid-Staten heffen de beperkingen op welke :
_ krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen de begunstigden verhinderen gebruik te maken van de verschillende vormen van steunmaatregelen of deze gebruikmaking aan speciale voorwaarden onderwerpen ;
( 1 ) Bureau voor de Statistiek van de Verenigde Naties , " Etudes Statistiques " , série M , nr . 4 , rév . 1 ( New-York 1958 ) .
_ voortvloeien uit een administratieve handelwijze die ten gevolge heeft dat op de begunstigden een discriminerende behandeling wordt toegepast met betrekking tot de gebruikmaking van de verschillende vormen van steunmaatregelen in vergelijking met die welke ten aanzien van de eigen onderdanen wordt toegepast .
Voorts zien de Lid-Staten erop toe dat discriminaties ten opzichte van de begunstigden worden voorkomen , ongeacht de hoedanigheid van het orgaan dat de bij deze richtlijn bedoelde steun verleent .
Artikel 4
De Lid-Staten verlenen aan hun eigen onderdanen met het oog op of naar aanleiding van hun vestiging in een andere Lid-Staat , geen enkele rechtstreekse of zijdelingse steun , met name in de vorm van leningen , waardoor de vestigingsvoorwaarden in het ontvangende land worden vervalst .
Artikel 5
Binnen een termijn van zes maanden volgende op de kennisgeving van deze richtlijn treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen voor het volgen van deze richtlijn ; zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze maatregelen .
Artikel 6
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .
Gedaan te Brussel , 20 december 1968 .
Voor de Raad
De Voorzitter
V . LATTANZIO