Home

Richtlijn van de Raad 72/461/EEG van 12 december 1972 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees

Richtlijn van de Raad 72/461/EEG van 12 december 1972 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees

++++

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 12 december 1972

inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees

( 72/461/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de artikelen 43 en 100 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ,

Overwegende dat de toepassing van de richtlijn van de Raad van 26 juni 1964 , inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van 27 oktober 1970 ( 2 ) , niet de verwachte uitwerking zal hebben zolang het intracommunautaire handelsverkeer wordt belemmerd door de bestaande verschillen tussen de veterinairrechtelijke voorschriften van de Lid-Staten inzake vlees ; dat voor de opheffing van deze verschillen de veterinairrechtelijke voorschriften van de Lid-Staten inzake vlees nader tot elkaar moeten worden gebracht ;

Overwegende dat , in het bijzonder voor een betere informatie over de gezondheidstoestand van de dieren waarvan het vers vlees voor verzending naar een andere Lid-Staat bestemd is , dient te worden voorgeschreven dat dieren van bepaalde categorieën gedurende een bepaalde tijd op het grondgebied van de Gemeenschap moeten hebben verbleven , behoudens afwijking toegestaan door het land van bestemming en medegedeeld aan de andere Lid-Staten alsmede aan de Commissie ;

Overwegende dat , om verspreiding van epidemische veeziekten door vers vlees te voorkomen , vers vlees van dieren uit een bedrijf of een gebied waarvoor , overeenkomstig de communautaire voorschriften , veterinairrechtelijke verbodsbepalingen gelden , niet tot het intracommunautaire handelsverkeer mag worden toegelaten ;

Overwegende dat erop moet worden toegezien dat vers vlees dat niet voldoet aan de communautaire voorschriften , niet wordt voorzien van het in genoemde voorschriften bedoelde keurmerk ;

Overwegende dat de Lid-Staten moeten kunnen verbieden dat op hun grondgebied vlees in het verkeer wordt gebracht dat niet voldoet aan de communautaire veterinairrechtelijke voorschriften ; dat de afzender of zijn lasthebber op verzoek evenwel de mogelijkheid dient te worden geboden om het vlees terug te zenden voor zover daartegen uit veterinairrechtelijk oogpunt geen bezwaren bestaan ;

Overwegende dat de afzender of zijn lasthebber en de bevoegde autoriteiten van het land van verzending in kennis dienen te worden gesteld van de motivering van een verbod of beperking , om de betrokkenen in staat te stellen zich een oordeel daarover te vormen ;

Overwegende dat de Lid-Staten de overbrenging naar hun grondgebied van vers vlees uit een Lid-Staat waar een epidemische veeziekte is opgetreden moeten kunnen verbieden ; dat , naar gelang van de aard en de kenmerken van deze epidemische veeziekte , het bedoelde verbod ofwel moet worden beperkt tot vlees dat afkomstig is uit een deel van het grondgebied van het land van verzending , ofwel kan worden uitgebreid tot het gehele grondgebied van dat land ; dat , ingeval zich op het grondgebied van een Lid-Staat een besmettelijke ziekte voordoet , spoedig passende maatregelen ter bestrijding van deze ziekte moeten worden genomen ; dat de aan deze ziekten verbonden gevaren en de in verband daarmee noodzakelijke bestrijdingsmaatregelen in de gehele Gemeenschap op dezelfde wijze dienen te worden beoordeeld ; dat daartoe in het kader van het bij besluit van de Raad van 15 oktober 1968 ( 3 ) opgerichte Permanent Veterinair Comité een communautaire spoedprocedure dient te worden ingesteld , volgens welke de nodige maatregelen moeten worden genomen ;

Overwegende dat het wenselijk is het algemene nondiscriminatiebeginsel in deze richtlijn vast te leggen en daartoe uitdrukkelijk te bepalen dat , in afwachting van de toepassing van een communautaire regeling voor de invoer uit derde landen , de ten opzichte van derde landen toe te passen bepalingen niet gunstiger mogen zijn dan die welke op grond van deze richtlijn in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten gelden ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

1 . Deze richtlijn heeft betrekking op het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees , afkomstig van huisdieren behorende tot de soorten : runderen , varkens , schapen en geiten , alsmede van eenhoevige dieren die als huisdieren worden gehouden .

2 . Als vlees worden beschouwd alle delen van deze dieren , die geschikt zijn voor menselijke consumptie .

3 . Als vers vlees worden beschouwd alle vleessoorten die geen behandeling hebben ondergaan ter bevordering van de houdbaarheid ; in deze richtlijn wordt echter ook als vers vlees beschouwd vlees dat een koelbehandeling heeft ondergaan .

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder :

a ) Officiële dierenarts : door de bevoegde centrale autoriteiten van de Lid-Staat aangewezen dierenarts ;

b ) Land van verzending : Lid-Staat vanuit welke vers vlees naar een andere Lid-Staat wordt verzonden ;

c ) Land van bestemming : Lid-Staat naar welke vers vlees uit een andere Lid-Staat wordt verzonden .

Artikel 3

Uit het grondgebied van een Lid-Staat mag naar het grondgebied van een andere Lid-Staat slechts vers vlees worden verzonden dat voldoet aan de volgende voorwaarden :

a ) Indien het vlees betreft dat afkomstig is van geiten en schapen en van eenhoevige dieren die als huisdier worden gehouden , moet het , behoudens het bepaalde in artikel 7 , afkomstig zijn van dieren die gedurende ten minste de laatste 21 dagen voor het slachten of , wanneer het dieren betreft die minder dan 21 dagen oud zijn , sedert hun geboorte , op het grondgebied van de Gemeenschap hebben verbleven .

b ) Het moet afkomstig zijn van dieren die niet voortkomen uit een bedrijf of een gebied waarvoor veterinairrechtelijke verbodsbepalingen gelden op grond van het bepaalde in artikel 3 , lid 2 , sub b ) , van de richtlijn van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens ( 4 ) , laatstelijk gewijzigd bij de richtlijn van de Raad van 7 februari 1972 ( 5 ) , als gevolg van het optreden van mond - en klauwzeer , varkenspest of Teschenerziekte , al naar gelang van de vatbaarheid van de diersoorten voor deze ziekten .

c ) Het moet afkomstig zijn uit slachthuizen waar geen mond - en klauwzeer , varkenspest of Teschenerziekte is geconstateerd .

Ingeval een van deze ziekten optreedt , zien de Lid-Staten erop toe dat geen van besmetting verdacht vlees in het intracommunautaire handelsverkeer komt .

Artikel 4

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 , sub b ) , mag vers vlees afkomstig van varkens , schapen of geiten slechts worden verzonen naar het grondgebied van een andere Lid-Staat , indien deze dieren niet komen uit een bedrijf van het land waarvoor veterinairrechtelijke verbodsbepalingen zijn vastgesteld vanwege het optreden van varkens - of geitenbrucellose .

Dit verbod dient minstens zes weken na de officiële vaststelling van het laatste ziektegeval te worden gehandhaafd .

Artikel 5

1 . De Lid-Staten zien erop toe dat vers vlees afkomstig van dieren die niet voldoen aan het bepaalde in de artikelen 3 en 4 niet worden voorzien van het in hoofdstuk IX van bijlage I van de richtlijn inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intercommunautaire handelsverkeer in vers vlees bedoelde keurmerk .

2 . Het land van bestemming kan op zijn grondgebied het in het verkeer brengen van vers vlees verbieden indien geconstateerd is dat het bepaalde in de artikelen 3 en 4 niet is nageleefd .

3 . In dat geval moet het land van bestemming toestaan dat de gehele partij vers vlees op verzoek van de verzender of zijn gemachtigde wordt teruggezonden voor zover daar uit veterinairrechtelijk oogpunt geen bezwaren tegen bestaan .

4 . De bevoegde instantie van het land van bestemming kan bevelen deze partij te vernietigen wanneer het in het verkeer brengen ervan verboden is , indien lid 2 toegepast is , en het land van verzending of in voorkomend geval het land van doorvoer geen toestemming tot terugzending verleent .

5 . Voor de toepassing van de in de leden 2 , 3 en 4 , van dit artikel beoogde maatregelen , is het bepaalde in artikel 6 , lid 7 , van de richtlijn inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens , van overeenkomstige toepassing .

Artikel 6

1 . Deze richtlijn laat onverlet de beroepsmogelijkheden van het in de Lid-Staten geldende recht tegen de in deze richtlijn bedoelde besluiten van de bevoegde autoriteiten .

2 . Elke Lid-Staat kent de afzenders van vers vlees dat , overeenkomstig artikel 5 , lid 2 , niet in de handel mag worden gebracht , het recht toe het advies van een veterinair deskundige in te winnen . Elke Lid-Staat draagt er zorg voor dat de deskundigen , voordat door de bevoegde autoriteit tot andere maatregelen , zoals tot de onbruikbaarmaking van het vlees , wordt overgegaan , kunnen uitmaken of aan de voorwaarden van artikel 5 , lid 2 , is voldaan .

De veterinaire deskundige dient de nationaliteit van een van de Lid-Staten te bezitten ; hij mag echter noch de nationaliteit van het land van verzending , noch die van het land van bestemming bezitten .

De Commissie stelt , op voorstel van de Lid-Staten , de lijst op van de veterinaire deskundigen die met het uitbrengen van dergelijke adviezen belast kunnen worden . Na raadpleging van de Lid-Staten , stelt zij algemene uitvoeringsvoorschriften vast , in het bijzonder wat betreft de bij het uitbrengen van deze adviezen te volgen procedure .

Artikel 7

1 . De landen van bestemming mogen aan een of meer landen van verzending een algemene of tot bepaalde gevallen beperkte vergunning verstrekken , op grond waarvan naar hun grondgebeid vers vlees kan worden overgebracht dat , in afwijking van artikel 3 , sub a ) , afkomstig is van dieren die niet ten minste de laatste 21 dager voor het slachten of die , wanneer het dieren betreft die minder dan 21 dagen oud zijn , niet sedert hun geboorte op het grondgebied van de Gemeenschap hebben verbleven .

2 . Indien een land van bestemming overeenkomstig het bepaalde in lid 1 , een algemene vergunning verleent , stelt het de andere Lid-Staten en de Commissie hiervan onverwijld in kennis .

3 . Indien een land van bestemming één van de in lid 1 bedoelde vergunningen verleent , dient bij doorvoer een dienovereenkomstige vergunning van het betrokken land van doorvoer te worden verkregen .

Artikel 8

1 . Onverminderd het bepaalde in de artikelen 3 , 4 en 7 , kan een Lid-Staat , indien er gevaar bestaat voor verbreiding van dierziekten door de overbrenging van vers vlees uit een andere Lid-Staat naar zijn grondgebied , onderstaande maatregelen treffen :

a ) Indien er zich in deze andere Lid-Staat een veeziekte voordoet , kan hij de overbrenging van dit vlees van uit de delen van het grondgebied van deze Staat waar deze ziekte zich heeft voorgedaan , tijdelijk verbieden of beperken ;

b ) Indien een epidemische veeziekte zich snel uitbreidt of in geval van een nieuwe ernstige en besmettelijke dierziekte , kan hij de overbrenging van dit vlees uit het gehele grondgebied van deze Staat tijdelijk verbieden of beperken .

2 . Iedere Lid-Staat moet onverwijld aan de overige Lid-Staten en aan de Commissie mededeling doen van het optreden op zijn grondgebied van elke in lid 1 bedoelde ziekte en van de door hem genomen bestrijdingsmaatregelen . Ook moet hij hun onverwijld op de hoogte stellen van de verdwijning van de ziekte .

3 . De door de Lid-Staten uit hoofde van het bepaalde in lid 1 genomen maatregelen en de intrekking daarvan moeten onverwijld ter kennis van de overige Lid-Staten en van de Commissie worden gebracht met vermelding van de gronden waarop de bedoelde maatregelen berusten .

Volgens de procedure van artikel 9 kan worden besloten dat deze maatregelen dienen te worden gewijzigd , inzonderheid met het oog op de coordinatie ervan met de door de andere Lid-Staten getroffen maatregelen , of te worden ingetrokken .

4 . Indien de in lid 1 bedoelde toestand zich voordoet en indien het noodzakelijk blijkt dat ook andere Lid-Staten de uit hoofde van genoemd lid getroffen en eventueel overeenkomstig lid 3 gewijzigde maatregelen toepassen , wordt tot de betreffende maatregelen besloten volgens de procedure van artikel 9 .

5 . Artikel 8 van de richtlijn inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees , komt te vervallen .

Artikel 9

1 . In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure , leidt de Voorzitter van het bij besluit van de Raad van 15 oktober 1968 ingestelde Permanent Veterinair Comité , hierna het " Comité " genoemd , deze procedure , hetzij op eigen initiatief , hetzij op verzoek van een Lid-Staat , onverwijld in bij het Comité .

2 . In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig het bepaalde in Artikel 148 , lid 2 , van het Verdrag . De Voorzitter neemt geen deel aan de stemming .

3 . De Vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen . Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn van twee dagen . Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van twaalf stemmen .

4 . De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze onmiddellijk ten uitvoer , wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité . Wanneer zij hiermee niet in overeenstemming zijn of wanneer het Comité geen advies heeft uitgebracht , legt de Commissie onverwijld een voorstel voor aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen . De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen .

Indien de Raad binnen vijftien dagen na indiening van het voorstel geen maatregelen heeft vastgesteld , stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer , behalve wanneer de Raad zich met volstrekte meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen .

Artikel 10

Artikel 9 is van toepassing gedurende een periode van achttien maanden met ingang van de datum waarop de procedure , betzij uit hoofde van artikel 9 , lid 1 , hetzij op basis van enige andere soortgelijke regeling , voor de eerste maal bij het Comité is ingeleid .

Artikel 11

Tot op het tijdstip waarop een communautaire regeling voor de invoer van vers vlees uit derde landen wordt toegepast , mogen de nationale bepalingen voor het uit die landen ingevoerd vers vlees niet gunstiger zijn dan die welke uit deze richtlijn voortvloeien .

Artikel 12

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen ten einde voor 1 januari 1974 gevolg te geven aan deze richtlijn en stellen de Commissie onverwijld hiervan in kennis .

Artikel 13

1 . Tot en met 31 december 1976 zijn Denemarken en het Verenigd Koninkrijk , met uitzondering van Noord-Ierland , en tot en met 31 december 1977 Ierland en het Verenigd Koninkrijk , voor wat Noord-Ierland betreft , gemachtigd bij de invoer van vers vlees hun nationale regeling betreffende de bescherming tegen mond - en klauwzeer te handhaven , met eerbiediging van de algemene bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap .

Tot en met 31 december 1976 zijn Denemarken , Ierland en het Verenigd Koninkrijk gemachtigd bij de invoer van vers vlees hun nationale regeling betreffende de bescherming tegen varkenspest te handhaven , met eerbiediging van de algemene bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap .

2 . Voor 31 december 1976 vindt een onderzoek van de toestand in de Gemeenschap in haar geheel en in de verschillende delen daarvan plaats in het licht van de ontwikkeling op veterinair gebied .

Uiterlijk op 1 juli 1976 legt de Commissie de Raad een verslag voor en , voor zover nodig , passende voorstellen waarbij rekening wordt gehouden met deze ontwikkeling .

Artikel 14

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 12 december 1972 .

Voor de Raad

De Voorzitter

P . LARDINOIS

( 1 ) PB nr . 121 van 29 . 7 . 1964 , blz . 2012/64 .

( 2 ) PB nr . L 239 van 30 . 10 . 1970 , blz . 42 .

( 3 ) PB nr . L 255 van 28 . 10 . 1968 , blz . 23 .

( 4 ) PB nr . 121 van 29 . 7 . 1964 , blz . 1977/64 .

( 5 ) PB nr . L 38 van 12 . 2 . 1972 , blz . 95 .