81/601/EEG: Beschikking van de Commissie van 8 juli 1981 betreffende de door de Franse Regering verleende steun om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op het peil van het jaar 1980 te houden (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
81/601/EEG: Beschikking van de Commissie van 8 juli 1981 betreffende de door de Franse Regering verleende steun om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op het peil van het jaar 1980 te houden (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 8 juli 1981 betreffende de door de Franse Regering verleende steun om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op het peil van het jaar 1980 te houden (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (81/601/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte betreffende de Toetreding van Griekenland, en met name op de artikelen 23 en 24, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de andere EEG-verordeningen tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwprodukten,
Na alle belanghebbenden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 93, lid 2, eerste alinea, te hebben aangemaand hun opmerkingen mede te delen en gezien deze opmerkingen (2),
I
Overwegende dat de Regering van de Franse Republiek, bij telexbericht van haar Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen dd. 14 februari 1981 dat op dezelfde dag bij de Commissie is toegekomen, deze laatste op haar verzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 93, lid 3, van het Verdrag, mededeling heeft gedaan van een aantal steunmaatregelen waartoe was besloten op de landbouwconferentie van 1980 ; dat één van deze maatregelen betrekking had op de verlening van een buitengewone vergoeding om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op hetzelfde peil te houden, welke maatregelen zijn ingesteld bij Decreet. nr. 81-59 van 26 januari 1981 en bij een Ministerieel Besluit van dezelfde dag;
Overwegende dat de buitengewone steun wordt verleend in de vorm van een vergoeding die is berekend op grond van het in 1980 gerealiseerde inkomen uit de verkoop van bepaalde landbouwprodukten, op de volgende basis: - 3 % met een maximum van 15 000 Ffr. per bedrijf, voor slachtdieren;
- 1 % met een maximum van 5 000 Ffr. per bedrijf, voor melk, eieren, pluimvee, konijnen en andere veehouderijprodukten ; voor plantaardige produkten en zaden hiervan, met uitzondering van hout, bieten, oliehoudende en eiwithoudende gewassen en zaden daarvan en andere granen dan maïs en sorgho ; voor vdqs en tafelwijn;
Overwegende dat de vorenomschreven steunmaatregelen krachtens de bijzondere bepalingen van de gemeenschappelijke marktordeningen, onder de toepassing van de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag vallen, met uitzondering van enkele produkten (paardevlees, alcohol, aardappelen, behalve aardappelen voor de bereiding van zetmeel, verse ananas) waarvoor alleen artikel 93, lid 1 en lid 3, eerste volzin, van toepassing is;
Overwegende dat de Commissie na een eerste onderzoek van mening was dat deze steunmaatregelen, gelet op artikel 92 van het Verdrag, niet verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt en daarom op 25 februari 1981 ten aanzien van de betrokken steunmaatregel de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag bedoelde procedure heeft ingeleid en de belanghebbenden heeft aangemaand hun opmerkingen mede te delen;
II
Overwegende dat de Franse Regering in haar antwoord aan de Commissie van 17 maart 1981 heeft verklaard dat de maatregelen uitsluitend een sociaal doel hebben, namelijk het verlies aan inkomen van de landbouwers te compenseren en hun een evenwaardig inkomen te garanderen met dat van de andere sectoren van de beroepsbevolking waarvoor bijzondere maatregelen zijn vastgesteld, met name een verhoging van het gewaarborgd minimumloon ; dat het volgens de Franse autoriteiten een zuiver interne maatregel tot verlening van een sociale en economische compensatie betreft ; dat de steun daarom, en mede gelet op de berekeningswijze ervan, geen invloed zal hebben op de concurrentiepositie van de Franse producenten en dat geen gevaar bestaat dat de mededinging er door (1) PB nr. L 148 van 28.6.1968, blz. 13. (2) PB nr. C 95 van 25.4.1981, blz. 2. zal worden vervalst ; dat voor deze maatregel derhalve de in artikel 92, lid 3, sub b), van het Verdrag bedoelde afwijking kan gelden ; dat de Franse Regering bovendien heeft verklaard dat de betrokken maatregelen dezelfde werking hebben als de bepalingen van fiscale aard die in andere Lid-Staten zijn vastgesteld om een soortgelijk onevenwicht weg te nemen, namelijk de forfaitaire terugbetaling van de BTW tegen aanzienlijk hogere percentages dan die welke in Frankrijk worden toegepast;
Overwegende dat verscheidene Lid-Staten en andere belanghebbenden hun opmerkingen aan de Commissie hebben meegedeeld ; dat zij allen van mening zijn dat de Franse maatregel de mededinging vervalst en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten schaadt in een mate die strijdig is met het algemeen belang en dat hij niet in aanmerking kan komen voor één van de in artikel 92, lid 3, bedoelde afwijkingen;
III
Overwegende dat de steun om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op peil te houden wordt uitgekeerd op grond van het inkomen dat is verworven met de verkoop van de betrokken produkten ; dat hij derhalve een inbreuk vormt op de bepalingen van de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen ; dat krachtens het bepaalde in artikel 24, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelprodukten "steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld in verhouding tot de prijs of de hoeveelheid van de produkten die onder de toepassing van deze verordening vallen verboden is" ; dat de Commissie van oordeel is dat vorengenoemd artikel 24, lid 1, slechts een bevestiging is van één van de beperkingen van de bevoegdheid van de Lid-Staten om rechtstreeks tussenbeide te komen in de werking van de gemeenschappelijke marktordeningen met een stelsel van gemeenschappelijke prijzen, die voortaan tot de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap behoren ; dat dat beginsel is bevestigd door de constante jurisprudentie van het Hof van Justitie en met name door het arrest dat op 23 januari 1975 is gegeven in de zaak 51/74 (1) ; dat dit arrest er in het algemeen op wijst dat wanneer de Gemeenschap een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking ervan af te wijken of er inbreuk op te maken, waarbij niet slechts op de uitdrukkelijke bepalingen maar ook op de doelstellingen van de regeling dient te worden gelet (2);
IV
Overwegende dat de Franse Regering door de invoering van een steun om het inkomen van bedrijfshoofden in de landbouw op peil te houden, het beginsel heeft miskend volgens hetwelk de Lid-Staten in het kader van een gemeenschappelijke marktordening geen unilaterale beslissingen meer mogen treffen ten aanzien van het inkomen van de landbouwers ; dat namelijk blijkt dat de Raad, bij de vaststelling van de gemeenschappelijke marktordeningen en de prijzen van de landbouwprodukten, rekening houdt met de verschillende doeleinden en elementen van het gemeenschappelijk beleid als genoemd in artikel 39 van het Verdrag;
Dat het duidelijk is dat, gezien de uiteenlopende aard van deze doeleinden, duidelijk prioriteiten bestaan die een Lid-Staat niet unilateraal mag wijzigen zonder de op communautair niveau genomen beleidsbeslissingen opnieuw in het gedrang te brengen en zonder gevaar te lopen een situatie te doen ontstaan die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten zal schaden;
Overwegende dat de door de Franse Regering aangevoerde economische en sociale redenen derhalve niet in aanmerking kunnen worden genomen ; dat de situatie van de Franse landbouwers duidelijk niet mag worden beoordeeld uitsluitend ten opzichte van de andere groepen van de beroepsbevolking op nationaal niveau, maar dat tevens rekening dient te worden gehouden met de situatie van de andere landbouwers in de Gemeenschap ; dat de verbetering van het inkomen ten gevolge van de verleende steun de vorm heeft van een prijstoeslag die, niettegenstaande de duidelijk geringe weerslag voor de begunstigde, toch de produktievoorwaarden en de afzetmogelijkheden van de Franse produkten kan verbeteren ten aanzien van die van de andere Lid-Staten ; dat bovendien het sociale aspect van de maatregelen niet volledig blijkt te zijn gewaarborgd omdat de steun wordt toegekend voor alle produkties en voor alle bedrijven, ongeacht de economische situatie ervan ; dat ten slotte, voor wat de verwijzingen betreft naar het compenserende karakter voor de verschillen in het percentage van de vergoeding van de BTW in de verschillende Lid-Staten, dit argument bij de beoordeling van de steun niet in aanmerking kan worden genomen ; dat namelijk, hoewel de Franse Regering in het kader van de zesde richtlijn ter zake voldoende lage percentages voor de forfaitaire vergoeding kan vaststellen om de landbouwers ertoe aan te zetten voor de normale BTW-regeling te kiezen, zij daarentegen in geen enkel geval haar keuze mag wijzigen door de toekenning van een steun;
V
Overwegende dat op grond van de voorafgaande overwegingen kan worden gesteld dat de verlening van de door de Franse Regering besloten steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten kan schaden en de mededinging kan vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag bepaalt dat steunmaatregelen die voldoen aan de in dat artikel bepaalde criteria in beginsel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt ; dat de in lid 3 van genoemd artikel bepaalde afwijkingen op deze onverenigbaarheid doeleinden omvatten die moeten worden nagestreefd in het belang van de (1) Zaak P. J. van der Hulst's Zonen/Produktschap voor Siergewassen - deel 1975, blz. 79. (2) Zaak Toffoli en anderen / Gewest Veneto - Arrest van 6 november 1979, deel 1979, Conclusies van de advocaat-generaal, blz. 3320. Gemeenschap en niet alleen in het belang van bepaalde sectoren van de nationale economie ; dat deze afwijking stricto sensu moet worden geïnterpreteerd bij de beoordeling van elk steunprogramma dat beperkt is tot een bepaald gebied of sector, of van elk afzonderlijk geval van de toepassing van algemene steunregelingen ; dat zij met name alleen mag worden toegestaan in gevallen waarvoor de Commissie kan constateren dat de steun noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een van de in deze bepalingen vervatte doeleinden;
Overwegende dat het toestaan van deze afwijkingen voor steunmaatregelen die geen dergelijke tegenprestatie inhouden zou betekenen dat belemmeringen van het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en uit communautair oogpunt niet te verantwoorden concurrentiedistorsies - en dus normaal ook ongewettigde voordelen voor bepaalde Lid-Staten - zouden worden toegestaan;
Overwegende dat in dit bijzondere geval niet kan worden geconstateerd dat er een dergelijke tegenprestatie voor de betrokken steunregeling bestaat;
Overwegende dat de Franse Regering namelijk geen enkel geldig bewijs heeft kunnen aanvoeren om aan te tonen dat de betrokken steun voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor één van de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag bepaalde afwijkingen en dat ook de Commissie geen wettiging voor deze maatregel heeft kunnen vinden;
Overwegende dat de maatregel duidelijk niet bestemd is om de economische ontwikkeling te bevorderen van gebieden waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar er een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst en dat het ook geen maatregel is die bestemd is om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van de betrokken Lid-Staat op te heffen en dat bijgevolg artikel 92, lid 3, sub a) en b), van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap niet van toepassing is;
Overwegende dat de buitengewone steun voor het inkomen van de betrokken landbouwers bovendien een werkingssteun voor de begunstigde landbouwbedrijven vormt van zuiver conservatoire aard ; dat de Commissie zich over het algemeen steeds tegen een dergelijke steun heeft verzet daar deze steun gewoonlijk niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag bedoelde afwijking, omdat hij de "ontwikkeling" als bedoeld in deze bepaling niet kan vergemakkelijken;
Overwegende bovendien dat, gezien de vergelijkbare economische situatie van de landbouwers in alle Lid-Staten op dit ogenblik, welke gekenmerkt wordt door een stagnatie of een daling van het inkomen en sterk stijgende produktiekosten, en mede gelet op de aanzienlijke - en voor bepaalde landbouwprodukten zelfs intense - intracommunautaire mededinging, deze steun de voorwaarden van het handelsverkeer zodanig kan wijzigen dat het communautair belang erdoor wordt geschaad;
Overwegende dat er bijgevolg geen enkele grond is voor de Commissie om voor de betrokken maatregel een uitzondering op de onverenigbaarheid van de steunmaatregelen toe te staan door te beschouwen dat hij in aanmerking komt voor de afwijkende bepaling bedoeld in artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat, gezien de voorafgaande overwegingen, de steunmaatregel van de Franse Republiek niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een van de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag bedoelde afwijkingen;
Overwegende dat bovendien, zelfs indien een afwijking in het kader van artikel 92, lid 3, in aanmerking had kunnen worden genomen, het feit dat de steun voor de meeste van de betrokken produkten een inbreuk vormt op de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen, de toepassing van een dergelijke afwijking uitsluit,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De door de Franse Regering op 14 februari 1981 aan de Commissie meegedeelde steunmaatregel om het inkomen van de bedrijfshoofden in de landbouw op het peil van het jaar 1980 te houden, zoals die is bekendgemaakt bij Decreet nr. 81-59, is voor wat de produkten betreft die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, onverenigbaar met de bepalingen van artikel 92 van het EEG-Verdrag en met de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen en moet derhalve worden ingetrokken.
Artikel 2
De Franse Regering zal de Commissie binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beschikking mededeling doen van de maatregelen die zullen zijn genomen om deze beschikking na te leven.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 8 juli 1981.
Voor de Commissie
De Voorzitter
Gaston THORN