Home

Verordening (EEG) nr. 51/81 van de Commissie van 1 januari 1981 inzake de tenuitvoerlegging van de regeling "actieve veredeling' ' en de regeling "passieve veredeling' ' in het handelsverkeer tussen Griekenland en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, gedurende de periode waarin in dit handelsverkeer douanerechten worden geheven

Verordening (EEG) nr. 51/81 van de Commissie van 1 januari 1981 inzake de tenuitvoerlegging van de regeling "actieve veredeling' ' en de regeling "passieve veredeling' ' in het handelsverkeer tussen Griekenland en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, gedurende de periode waarin in dit handelsverkeer douanerechten worden geheven

VERORDENING (EEG) Nr. 51/81 VAN DE COMMISSIE van 1 januari 1981 inzake de tenuitvoerlegging van de regeling "actieve veredeling" en de regeling "passieve veredeling" in het handelsverkeer tussen Griekenland en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, gedurende de periode waarin in dit handelsverkeer douanerechten worden geheven

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op de Akte van Toetreding van Griekenland (1), inzonderheid op artikel 41, lid 2,

Overwegende dat het handelsverkeer, dat met derde landen onder de regeling "actieve veredeling" plaatsvindt, geregeld wordt door Richtlijn 69/73/EEG van de Raad (2), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte;

Overwegende dat het handelsverkeer dat met derde landen onder de regeling "passieve veredeling" plaatsvindt, geregeld wordt door Richtlijn 76/119/EEG van de Raad (3);

Overwegende dat, voor zover in de Toetredingsakte niet anders wordt bepaald, de bepalingen die op het gebied van de douanewetgeving voor het handelsverkeer met derde landen van toepassing zijn, krachtens artikel 42, lid 1, van die Akte onder dezelfde voorwaarden moeten worden toegepast op het handelsverkeer binnen de Gemeenschap, te weten tussen Griekenland en de andere Lid-Staten, zolang in dit handelsverkeer douanerechten worden geheven;

Overwegende dat er dientengevolge aanleiding bestaat in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap de bepalingen van de twee voornoemde richtlijnen en van de tot uitvoering daarvan vastgestelde richtlijnen toe te passen;

Overwegende echter dat uitbreiding van de op het handelsverkeer met derde landen van toepassing zijnde bepalingen tot het handelsverkeer tussen de Lid-Staten slechts kan plaatsvinden onder voorbehoud van zekere aanpassingen ten einde rekening te houden met de mate waarin de douane-unie al binnen de Gemeenschap is verwezenlijkt;

Overwegende dat het dienstig is allereerst te bepalen dat de regeling "actieve veredeling" mag worden toegepast op goederen die tussen Griekenland en de andere Lid-Staten verhandeld worden, zelfs indien deze goederen zich in één van de situaties bevinden als genoemd in artikel 9, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap;

Overwegende dat de Lid-Staten, onder voorbehoud van de in de Toetredingsakte vastgestelde overgangsmaatregelen, de communautaire goederen, ongeacht de Lid-Staat van herkomst, op gelijke wijze moeten behandelen ; dat dientengevolge de bepalingen, waarbij gebruikmaking van de regeling "actieve veredeling" in het kader van het handelsverkeer met derde landen afhankelijk wordt gesteld van de eis dat deze regeling bijdraagt tot het scheppen van de meest gunstige voorwaarden voor de uitvoer van de door veredeling verkregen produkten, geen reden van bestaan hebben ten aanzien van het handelsverkeer tussen Lid-Staten ; dat in feite de regeling "actieve veredeling", die in het kader van het handelsverkeer tussen Lid-Staten wordt toegepast, in alle gevallen geacht moet worden bij te dragen tot het scheppen, in de Lid-Staat van veredeling, van de meest gunstige voorwaarden voor de uitvoer van de door veredeling verkregen produkten, zonder dat daardoor de wezenlijke belangen van de producenten in de Gemeenschap worden geschaad ; dat bovendien de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1961/75 van de Raad van 28 juli 1975 met betrekking tot de uitsluiting van de regeling van het actieve veredelingsverkeer voor magere-melkpoeder (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1363/80 (5), Verordening (EEG) nr. 3352/75 van de Commissie van 23 december 1975 houdende verbod om voor boter de regeling van het actieve veredelingsverkeer toe te passen (6), en artikel 9, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten (7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2245/78 (8), niet dienen te worden toegepast in het actieve veredelingsverkeer, dat plaatsvindt in het kader van het handelsverkeer tussen Lid-Staten;

(1) PB nr. L 291 van 19.11.1979, blz. 17. (2) PB nr. L 58 van 8.3.1969, blz. 1. (3) PB nr. L 24 van 30.1.1976, blz. 58. (4) PB nr. L 200 van 31.7.1975, blz. 6. (5) PB nr. L 140 van 5.6.1980, blz. 15. (6) PB nr. L 330 van 24.12.1975, blz. 28. (7) PB nr. L 281 van 1.11.1975, blz. 65. (8) PB nr. L 273 van 29.9.1978, blz. 1. Overwegende dat de voorschriften voor de beëindiging van de actieve veredeling dienen te worden uitgebreid tot het gebruik van het document T2 GR en de documenten welke dezelfde gevolgen hebben voor zover het de uitvoering betreft van de regeling bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 49/81 van de Commissie van 1 januari 1981 betreffende de methoden van administratieve samenwerking welke gedurende de overgangsperiode het vrije verkeer van goederen tussen Griekenland en de overige Lid-Staten moeten waarborgen (1);

Overwegende dat de voorschriften voor het in het vrije verkeer brengen van veredelingsprodukten uitgebreid en aangepast moeten worden, ten einde met name rekening te houden met de compenserende heffing ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 50/81 van de Commissie van 1 januari 1981 betreffende de overgangsmaatregelen voor het verkeer van goederen die in Griekenland of in een andere Lid-Staat zijn verkregen onder een regeling houdende opschorting of teruggave van douanerechten of andere belastingen bij invoer - Compenserende heffing (2);

Overwegende dat in artikel 10, lid 4, van Richtlijn 76/119/EEG reeds bepalingen zijn opgenomen om te waarborgen dat, wanneer goederen in het kader van het passieve veredelingsverkeer uit een Lid-Staat worden uitgevoerd en in de vorm van veredelingsprodukten in een andere Lid-Staat weder ingevoerd worden, het bedrag aan rechten bij invoer dat overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de richtlijn in mindering moet worden gebracht, eventueel wordt verminderd met het bedrag aan rechten bij invoer dat van toepassing zou zijn geweest indien de goederen rechtstreeks tussen de beide Lid-Staten zouden zijn verhandeld;

Overwegende dat de eis om communautaire goederen, ongeacht de Lid-Staat van herkomst, op gelijke wijze te behandelen, inhoudt dat de in het kader van het handelsverkeer tussen Lid-Staten toegepaste regeling "passieve veredeling" in alle gevallen moet worden geacht zodanig te zijn dat daardoor de wezenlijke belangen van de verwerkers in de Gemeenschap niet ernstig kunnen worden geschaad,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

Onverminderd andere communautaire bepalingen op dit gebied, stelt deze verordening de bijzondere bepalingen vast ter uitvoering van de regeling "actieve veredeling" en de regeling "passieve veredeling" in het handelsverkeer tussen Griekenland en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap.

II. Bepalingen betreffende de actieve veredeling van communautaire goederen

Artikel 2

De regeling "actieve veredeling" mag worden toegepast in het handelsverkeer tussen Griekenland en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, niettegenstaande het feit dat de goederen welke voor veredeling worden ingevoerd zich in een van de situaties bevinden als bedoeld in artikel 9, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap. Indien de Lid-Staat van veredeling niet Griekenland is, dienen de veredelingsprodukten bestemd te zijn om geheel of gedeeltelijk uit het douanegebied van die Lid-Staat naar Griekenland of naar een derde land te worden uitgevoerd.

Artikel 3

1. De in artikel 2 bedoelde regeling "actieve veredeling" wordt geacht bij te dragen tot het scheppen van de meest gunstige voorwaarden voor de uitvoer van de door deze veredeling verkregen produkten, zonder dat daardoor de wezenlijke belangen van de producenten in de Gemeenschap worden geschaad.

2. De verordeningen die het gebruik maken van de regeling "actieve veredeling" voor bepaalde goederen verbieden, zijn in het bij artikel 2 bedoelde actieve veredelingsverkeer niet van toepassing.

III. Bepalingen betreffende de actieve veredeling van goederen uit derde landen

Artikel 4

Naast de in artikel 13 van Richtlijn 69/73/EEG bedoelde gevallen, wordt het in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde actieve veredelingsverkeer als beëindigd beschouwd, wanneer de veredelingsprodukten, op de bij Verordening (EEG) nr. 50/81 vastgestelde voorwaarden: a) na in Griekenland te zijn veredeld, naar een andere Lid-Staat worden uitgevoerd, of, na in een andere Lid-Staat te zijn veredeld, naar Griekenland worden uitgevoerd, onder dekking van document T2 GR of een document dat voor de toepassing van de regeling als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 49/81 dezelfde gevolgen heeft,

b) of met het oog op hun latere uitvoer in het kader van bovenstaande regeling in een douane-entrepot of in een vrije zone worden opgeslagen.

(1) Zie blz. 1 van dit Publikatieblad. (2) Zie blz. 9 van dit Publikatieblad.

Artikel 5

In afwijking van de bepalingen van Richtlijn 73/95/EEG van de Commissie (1) betreffende de toepassing van de artikelen 13 en 14 van Richtlijn 69/73/EEG, laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte en de ter uitvoering daarvan getroffen maatregelen, kan indien de zich onder de regeling voor extern communautair douanevervoer bevindende veredelingsprodukten met toepassing van artikel 14 van Richtlijn 69/73/EEG in Griekenland in het vrije verkeer worden gebracht, na in een andere Lid-Staat te zijn veredeld, de in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 50/81 bedoelde communautaire regeling slechts worden toegepast indien de betrokken verwerker de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat, waar de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, in het kader van de regels, welke zijn vastgesteld om het vrije verkeer van goederen in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap te waarborgen, het bewijs levert: a) dat het met toepassing van Richtlijn 69/73/EEG vastgestelde bedrag aan invoerrechten in de Lid-Staat van veredeling alsnog is betaald,

b) of dat de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 50/81 in de Lid-Staat van veredeling ten opzichte van deze veredelingsprodukten zijn toegepast.

IV. Bepalingen betreffende passieve veredeling

Artikel 6

Indien goederen tijdelijk uit Griekenland naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, dan wel uit een andere Lid-Staat van de Gemeenschap naar Griekenland worden uitgevoerd om te worden veredeld, zal dit verkeer beschouwd worden als iets waardoor de wezenlijke belangen van de verwerkers in de Gemeenschap niet ernstig kunnen worden geschaad.

V. Slotbepalingen

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1981.

Zij is van toepassing zolang er in het handelsverkeer binnen de Gemeenschap douanerechten worden geheven.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 1 januari 1981.

Voor de Commissie

De Voorzitter

Roy JENKINS

(1) PB nr. L 120 van 7.5.1973, blz. 17.