82/39/EEG: Beschikking van de Commissie van 29 december 1981 tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad en pootgoed van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
82/39/EEG: Beschikking van de Commissie van 29 december 1981 tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad en pootgoed van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 29 december 1981
tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad en pootgoed van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(82/39/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 70/457/EEG van de Raad van 29 september 1970 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 80/1141/EEG van de Raad van 8 december 1980 (2), en met name op artikel 15, leden 2, 3 en 7,
Gezien het door de Bondsrepubliek Duitsland gedane verzoek,
Overwegende dat krachtens artikel 15, lid 1, van voornoemde richtlijn zaaizaad en pootgoed van rassen die in 1979 in ten minste één van de Lid-Staten officieel zijn toegelaten en die overigens voldoen aan de bepalingen van de richtlijn, na 31 december 1981 in de Gemeenschap aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras meer zijn onderworpen;
Overwegende evenwel dat in artikel 15, lid 2, van voornoemde richtlijn is bepaald dat een Lid-Staat die daarom verzoekt, kan worden gemachtigd de handel in zaaizaad en pootgoed van bepaalde rassen te verbieden;
Overwegende dat de Bondsrepubliek Duitsland om een dergelijke machtiging heeft verzocht voor een aantal rassen van verschillende gewassen;
Overwegende dat de betrokken haver- en maïsrassen, voor wat de cultuur- of gebruikswaarde betreft, in de Bondsrepubliek Duitsland niet aan een officieel onderzoek te velde zijn onderworpen met het oog op het Duitse verzoek;
Overwegende dat de betrokken haverrassen van de wintervorm zijn; dat de betrokken maïsrassen een FAO-rijpheidsklasse-index van meer dan 350 hebben; dat algemeen bekend is dat de wintervormen van haver en de maïsrassen met een FAO-rijpheidsklasse-index van meer dan 350 nog niet geschikt zijn om in de Bondsrepubliek Duitsland te worden verbouwd voor alle gebruiksvormen (artikel 15, lid 3, sub c), tweede geval, van voornoemde richtlijn);
Overwegende dat voor de rassen Polar (roodzwenkgras), Bofur (Italiaans raaigras) en Veko (luzerne), aan de hand van de dossiers inzake de onderzoekresultaten kan worden geconstateerd dat zij in de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de nationale voorschriften met betrekking tot de toelating van de rassen in de Bondsrepubliek Duitsland welke gelden op grond van de vigerende communautaire bepalingen, niet onderscheidbaar zijn van andere in dit land toegelaten rassen (artikel 15, lid 3, sub a), van voornoemde richtlijn);
Overwegende dat derhalve in alle opzichten moet worden voldaan aan het verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende al deze rassen;
Overwegende dat voor de overige gevallen het verzoek momenteel door de Commissie grondig wordt onderzocht; dat het onmogelijk is om binnen de in artikel 15, lid 1, van de richtlijn bedoelde termijn het onderzoek af te sluiten voor de rassen Monored (voederbieten) en Barsica (koolzaad);
Overwegende dat het derhalve dienstig lijkt om voor de Bondsrepubliek Duitsland de bovenbedoelde termijn met een adequate periode te verlengen om een volledig onderzoek van het verzoek voor deze rassen mogelijk te maken (artikel 15, lid 7, van bovengenoemde richtlijn);
Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De Bondsrepubliek Duitsland wordt gemachtigd om op haar hele grondgebied de handel te verbieden in zaaizaad van de volgende in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen van 1982 vermelde rassen:
I. Voedergewassen
1. Festuca rubra L.
Polar
2. Lolium multiflorum lam.
Bofur
3. Medicago sativa L.
Veko
II. Granen
1. Avena Sativa L.
Camrose
2. Zea mays L.
1.2.3 // Adda 90 Amaranto Andras Augustus Baltimora Boston Brennus Capri Carola Carrubo Clivio Compass Corona Cota Crono Dallas D'Artagnan // Detroit Eden Esperia Ferax Fortcise Funk's G Wolf Funk's G 5436 Gemini G 660 Hunter Ibis Idro Ischia Lampedusa Lima Lino Miami Mir Anjou // Mon blanc Monsegur Mousson Nilo Nobil Pegase Ponza Prince Rosso d'Aquileia Silvar Solar G 446 Stella Tifone Unic Victor York
Artikel 2
De in artikel 1 bedoelde machtiging zal worden ingetrokken zodra wordt geconstateerd dat de voorwaarden voor de verlening ervan niet meer zijn vervuld.
Artikel 3
De Bondsrepubliek Duitsland deelt de Commissie mede met ingang van welke datum en op welke wijze zij van de in artikel 1 bedoelde machtiging gebruik maakt. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.
Artikel 4
Voor de onderstaande rassen wordt de in artikel 15, lid 1, van Richtlijn 70/457/EEG bedoelde termijn, die op 31 december 1981 afloopt, voor de Bondsrepubliek Duitsland verlengd tot en met 31 maart 1982:
I. Voederbieten
Beta vulgaris L.
Monored
II. Oliehoudende planten en vezelgewassen
Brassica napus L. ssp. oleifera
Barsica
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 29 december 1981.
Voor de Commissie
Poul DALSAGER
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 225 van 12. 10. 1970, blz. 1.
(2) PB nr. L 341 van 16. 12. 1980, blz. 27.