83/507/EEG: Beschikking van de Commissie van 20 juli 1983 op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van een steunvoornemen van de Belgische Regering in de textiel- en confectiesector (onderneming nr. 156) (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
83/507/EEG: Beschikking van de Commissie van 20 juli 1983 op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van een steunvoornemen van de Belgische Regering in de textiel- en confectiesector (onderneming nr. 156) (Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)
*****
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 20 juli 1983
op grond van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag ten aanzien van een steunvoornemen van de Belgische Regering in de textiel- en confectiesector (onderneming nr. 156)
(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)
(83/507/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea,
Na de belanghebbenden overeenkomstig de bepalingen van genoemd artikel te hebben aangemaand hun opmerking te maken en gezien deze opmerkingen,
I
Overwegende dat de Belgische Regering bij schrijven van 6 december 1982 de Commissie in kennis heeft gesteld van haar voornemen steun te verlenen aan een onderneming die tapijten vervaardigt en deel uitmaakt van een subsector, die in België als »uiterst concurrerend" wordt beschouwd;
Overwegende dat de Belgische Regering een onderneming met een personeelsbestand van 576 personen in aanmerking wil doen komen voor de toepassing van de sectoriële steunregeling, zulks ten behoeve van investeringen die gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit van de produktie van die onderneming; dat de steun die aan deze onderneming zou worden verleend werd becijferd op 144,9 miljoen Bfr. en in hoofdzaak bestemd zou zijn voor investeringen ter vervanging van machines en aankoop van nieuwe uitrusting;
Overwegende dat de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag heeft ingeleid ten aanzien van de bovengenoemde steun en de Belgische Regering bij schrijven van 28 januari 1983 heeft aangemaand haar opmerkingen te maken;
Overwegende dat naar de mening van de Commissie de steun niet voldeed aan de in genoemde sectoriële steunregeling ten behoeve van de textiel- en confectie-industrie, die door de Commissie op 18 november 1981 is goedgekeurd en in België sinds 1 januari 1982 van kracht is, gestelde voorwaarden;
II
Overwegende dat de Belgische Regering geen enkel antwoord of aanvullende inlichtingen heeft verstrekt naar aanleiding van de aanmaning van de Commissie in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat van de Lid-Staten en andere belanghebbenden dan de Lid-Staten door drie Lid-Staten en twee beroepsorganisaties opmerkingen zijn gemaakt waarin er met name op werd gewezen dat de uitvoer van België naar de Europese Economische Gemeenschap voortdurend toeneemt en dat overheidssteun, die aan een onderneming uit de subsector tapijtfabricage, die reeds zeer concurrerend is, zou worden verleend, rechtstreeks van invloed zou zijn op de mededingingsvoorwaarden;
III
Overwegende dat de door de Belgische Regering voorgenomen steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten nadelig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen of dreigen te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag door de begunstiging van de betrokken onderneming of van de produktie van haar goederen;
Overwegende dat volgens artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag steunmaatregelen die aan de in dat artikel vermelde criteria voldoen, principieel onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt; dat de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag vermelde uitzonderingen op deze onverenigbaarheid betrekking hebben op doelstellingen die in het belang van de Gemeenschap en niet in dat van de individuele begunstigde worden nagestreefd; dat deze uitzonderingen strikt moeten worden geïnterpreteerd bij de behandeling van regionale of sectoriële steunregelingen en van individuele toepassingen van een algemene steunregeling; dat een uitzondering met name slechts dan mag worden toegestaan wanneer de Commisie kan vaststellen dat bij ontstentenis van deze steunmaatregelen de begunstigde ondernemingen via het marktmechanisme alleen niet zouden overgaan tot de verwezenlijking van één der doelstellingen waarop deze uitzonderingen betrekking hebben;
Overwegende dat de toekenning van een uitzondering zonder tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond zou neerkomen op aanvaarding van een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Lid-Staten en van vervalsing van de mededinging zonder dat daarmede enig belang van de Gemeenschap wordt gediend terwijl men er zich anderzijds bij neerlegt dat sommige Lid-Staten ten onrechte bevoordeeld worden;
Overwegende dat de Commissie, wanneer zij de bovenbedoelde beginselen hanteert bij haar onderzoek van individuele gevallen van toepassing van algemene steunregelingen, zich ervan dient te vergewissen dat er door de begunstigde onderneming een tegenprestatie wordt geleverd die de verlening van de steun rechtvaardigt in die zin dat de steun noodzakelijk is om de verwezenlijking van één der in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag genoemde doelstellingen te bevorderen; dat het, wanneer zulks niet kan worden aangetoond en in het bijzonder wanneer de gesteunde investering hoe dan ook zou worden verricht, vaststaat dat de steun niet tot het bereiken van de in de uitzonderingsbepalingen genoemde doelstellingen bijdraagt, doch tot versterking van de financiële positie van de betrokken onderneming dient;
Overwegende dat in het onderhavige geval een dergelijke tegenprestatie van de zijde van de begunstigde onderneming niet aanwezig is;
Overwegende dat de Belgische Regering geen argument heeft kunnen geven en de Commissie geen rechtvaardiging heeft kunnen ontdekken voor de conclusie dat de voorgestelde steun voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van één der uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat, voor zover de uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, sub a) en c), van het EEG-Verdrag betrekking hebben op steunmaatregelen ter bevordering of ondersteuning van de ontwikkeling van bepaalde streken, moet worden overwogen dat de betrokken onderneming zich niet bevindt in een streek waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst in de zin van de sub a) bedoelde uitzondering; dat, wat de sub c) bedoelde uitzondering betreft, de Belgische steunmaatregel niet de vereiste hoedanigheden vertoont om te kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde regionale economieën, als in die bepaling voorzien;
Overwegende dat, wat de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub b), van het EEG-Verdrag betreft, de betrokken investering geen bijzonderheden vertoont die haar de hoedanigheid geven van een project van gemeenschappelijk Europees belang of als bestemd om een ernstige verstoring van de economie van een Lid-Staat op te heffen, waardoor een uitzondering krachtens genoemde bepaling op de in artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag neergelegde onverenigbaarheid van steunmaatregelen zou worden
Overwegende dat de Commissie op 18 november 1981 heeft besloten geen bezwaar te maken tegen de tenuitvoerlegging van een sectoriële steunregeling ten gunste van de textiel- en confectiesector in België; dat de Belgische ondernemingen uit deze sector, zodra de sectoriële steunregeling in werking zou zijn getreden, niet meer in aanmerking konden komen voor andere specifieke, regionale of algemene steunmaatregelen;
Overwegende dat een aan een bepaalde onderneming krachtens deze sectoriële steunregeling verleende steun alleen in aanmerking kan komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het Verdrag, indien zij beantwoordt aan alle in de sectoriële steunregeling, zoals deze door de Commissie werd goedgekeurd, gestelde voorwaarden; dat deze voorwaarden in hoofdzaak betrekking hebben op de door de onderneming te verrichten herstructureringswerkzaamheden om het herstel van de levensvatbaarheid te waarborgen en op de sluiting van overcapaciteiten die de steun moet vergemakkelijken, zulks in het bijzonder wanneer het een onderneming betreft die deel uitmaakt van »gevoelige" of »uiterst concurrerende" subsectoren;
Overwegende dat de Belgische Regering niet heeft kunnen bewijzen en de Commissie niet heeft kunnen vaststellen dat de voorgenomen steun in het kader van de Belgische sectoriële regeling voldeed aan alle voorwaarden die gesteld worden om in aanmerking te kunnen komen voor de uitzondering van artikel 92, lid 3, sub c), van het EEG-Verdrag;
Overwegende dat de investeringen in het moderniseringsprogramma dat in het onderhavige geval is ingediend, voor meer dan 75 % betrekking hebben op de verbetering van de produktiemiddelen, hetgeen normaal een zaak is van de onderneming zelf; Overwegende dat volgens de inlichtingen waarover de Commissie beschikt de recente ontwikkeling van het handelsverkeer in de subsector tapijten en vloerbekleding zich schijnt te hebben gekenmerkt door een aanzienlijke en voortdurende toeneming van de uitvoer uit België naar andere Lid-Staten, die in 1982 10 % beliep; dat de ondernemingen uit deze subsector in België circa 90 % van hun produktie uitvoeren, waarvan tweederde naar de overige Lid-Staten;
Overwegende dat de onderneming haar produktie van tufted tapijt met ongeveer 4 % zal verhogen; dat deze produktie voor een zeer groot gedeelte bestemd is voor de Gemeenschap, namelijk 21,3 % voor België en 55,4 % voor de andere Lid-Staten, en de voorgenomen steun derhalve de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig zal veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;
Overwegende dientengevolge dat het programma van de onderneming niet voldoet aan de eisen die zijn vastgelegd in de in België ingevoerde sectoriële steunregeling, op grond waarvan verlening van steun kan worden gerechtvaardigd, te meer waar de subsector tapijten en vloerbekleding in dit land uiterst concurrerend is;
Overwegende in verband met het voorgaande dat het steunvoornemen van de Belgische Regering niet voldoet aan de vereiste voorwaarden om in aanmerking te komen voor de toepassing van één der uitzonderingsbepalingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De Belgische Regering mag het steunvoornemen ten behoeve van een onderneming uit de subsector tapijten en vloerbekleding (nr. 156) niet tot uitvoering brengen.
Artikel 2
De Belgische Regering doet de Commissie, binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van deze beschikking, mededeling van de maatregelen, die zij getroffen heeft tot nakoming daarvan.
Artikel 3
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.
Gedaan te Brussel, 20 juli 1983.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Lid van de Commissie