Verordening (EEG) nr. 627/85 van de Commissie van 12 maart 1985 tot vaststelling van de steun voor de opslag en de financiële vergoeding voor krenten en rozijnen en gedroogde vijgen (basisprodukten)
Verordening (EEG) nr. 627/85 van de Commissie van 12 maart 1985 tot vaststelling van de steun voor de opslag en de financiële vergoeding voor krenten en rozijnen en gedroogde vijgen (basisprodukten)
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 627/85 VAN DE COMMISSIE
van 12 maart 1985
tot vaststelling van de steun voor de opslag en de financiële vergoeding voor krenten en rozijnen en gedroogde vijgen (basisprodukten)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 988/84 (2), en met name op artikel 4, lid 8,
Overwegende dat de opslagsteun moet worden berekend met inachtneming van de technische opslagkosten en de rente op de voor de produkten betaalde aankoopprijs; dat, om rekening te houden met het effect van de rente voor elke klasse krenten en rozijnen en gedroogde vijgen, de steun moet worden vastgesteld voor een bepaalde klasse en moet worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt die moet worden toegepast op de aan de producent te betalen minimumprijs;
Overwegende dat de rente op de aankoopprijs veruit het grootste deel uitmaakt van de opslagsteun; dat de opslagsteun kan worden verlaagd indien de rentekosten van het opslagbureau kunnen worden beperkt; dat zulks mogelijk is door een voorlopige financiële vergoeding te betalen voordat de opgeslagen produkten worden verkocht;
Overwegende dat de opslagsteun moet worden betaald voor de werkelijke duur van de opslag; dat zich tijdens de opslag natuurlijke verliezen voordoen; dat de hoeveelheden waarvoor opslagsteun kan worden uitgekeerd, moeten worden aangepast na de fysieke voorraadopnemingen als bedoeld in artikel 26, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 626/85 van de Commissie (3);
Overwegende dat de betaling na opslagsteun en financiële vergoeding moet berusten op door de opslagbureaus in te dienen periodieke aanvragen; dat die aanvragen alle voor de berekening van de juiste bedragen nodige gegevens dienen te bevatten;
Overwegende dat de natuurlijke verliezen waarvoor financiële vergoeding kan worden verleend niet groter mogen zijn dan de hoeveelheid die normaal bij het laden en lossen of door verdamping verloren gaat; dat deze hoeveelheid forfaitair moet worden vastgesteld; dat andere verliezen en kwaliteitsverminderingen niet in aanmerking hoeven te worden genomen voor de berekening van de uit te keren financiële vergoeding;
Overwegende dat een lange opslagduur kan leiden tot grotere natuurlijke verliezen of tot meer aanzienlijke kwaliteitsvermindering; dat in dergelijke gevallen een beslissing dient te worden getroffen volgens de procedure van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 516/77; dat de opslagbureaus daartoe aanvullende inlichtingen dienen te verschaffen omtrent de omstandigheden die tot de verliezen of de kwaliteitsvermindering hebben geleid; dat deze gegevens aan de Commissie moeten worden medegedeeld;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor op basis van groenten en fruit verwerkte produkten,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
TITEL I
STEUN VOOR DE OPSLAG
Artikel 1
1. De steun voor de opslag wordt vastgesteld per dag en per 100 kg nettogewicht voor:
- sultaninerozijnen van klasse 4, en
- vijgen van klasse C.
Voor de andere klassen van sultaninerozijnen en vijgen en voor krenten wordt het bedrag van de steun voor de opslag vermenigvuldigd met de coëfficiënten die gelden voor de aan de producent te betalen minimumprijs.
2. Voor rozijnen en krenten (basisprodukt) van een bepaald verkoopseizoen worden twee steunbedragen vastgesteld. Een bedrag geldt voor de opslag tot einde februari van het jaar volgende op het jaar waarin de produkten zijn aangekocht. Het andere bedrag geldt voor de opslag na die periode.
3. De omrekeningskoers die moet worden toegepast op de in Ecu uitgedrukte opslagsteun is de representatieve koers die geldt op de eerste dag van het verkoopseizoen waarvan de produkten afkomstig zijn.
Artikel 2
1. De steun voor de opslag wordt betaald over de periode tijdens welke de produkten werkelijk zijn opgeslagen. De dag waarop de produkten worden ingeslagen en de dag waarop zij worden uitgeslagen worden meegerekend in de werkelijke opslagperiode.
2. Na de fysieke voorraadopnemingen als bedoeld in artikel 26, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 626/85 wordt de steun voor de opslag uitsluitend betaald voor de hoeveelheid die werkelijk in voorraad is.
Artikel 3
1. Aanvragen om steun voor de opslag moeten worden ingediend bij het bureau dat is aangewezen door de Lid-Staat die het opslagbureau heeft erkend.
2. De eerste aanvraag om steun voor de opslag voor in een bepaald verkoopseizoen gekochte produkten dient betrekking te hebben op de periode vanaf de overname van de produkten tot en met 30 november. Elke latere steunaanvraag moet betrekking hebben op een periode van drie maanden.
3. De steunaanvragen moeten worden ingediend uiterlijk aan het einde van de maand die volgt op de opslagperiode waarop ze betrekking hebben.
Artikel 4
In de steunaanvraag dienen met name te worden vermeld:
a) naam en adres van de aanvrager;
b) de hoeveelheden waarvoor de steun wordt aangevraagd, onderverdeeld naar produktklasse en met opgave van het werkelijke aantal opslagdagen voor elke hoeveelheid afzonderlijk;
c) de voorraad volgens de boekhouding, onderverdeeld naar klasse, op de eerste en de laatste dag van de opslagperiode waarop de steunaanvraag betrekking heeft.
Bovendien moet in de steunaanvraag die onmiddellijk na een fysieke voorraadopneming wordt ingediend, de werkelijk opgeslagen hoeveelheid worden vermeld, onderverdeeld naar klasse.
TITEL II
FINANCIËLE VERGOEDING
Artikel 5
1. Voor natuurlijke verliezen die zich voordoen tijdens de opslag wordt een financiële vergoeding verleend voor ten hoogste:
- 1 % van de hoeveelheid krenten en rozijnen (basisprodukten),
- 5 % van de hoeveelheid gedroogde vijgen (basisprodukt),
die door het opslagbureau in het betrokken verkoopseizoen is aangekocht.
2. Er wordt geen financiële vergoeding toegekend voor een produkt dat:
a) dermate in kwaliteit is achteruitgegaan dat het niet meer beantwoordt aan de kwaliteitsnormen die zijn bepaald in bijlage II van Verordening (EEG) nr. 2347/84 of bijlage II van Verordening (EEG) nr. 1709/84;
b) is vernietigd;
c) in strijd met de geldende voorschriften is uitgeslagen; of
d) is verdwenen.
Het bepaalde sub a) geldt slechts totdat artikel 26, lid 1, tweede alinea van Verordening (EEG) nr. 626/85 van toepassing wordt.
3. Indien:
a) de in lid 1 bedoelde natuurlijke verliezen wegens te lange opslag groter zijn dan respectievelijk 1 % en 5 %, of
b) de produkten dermate in kwaliteit zijn achteruitgegaan dat ze niet meer kunnen worden gebruikt voor distillatie of vervoedering en het kwaliteitsverlies het gevolg is van te lange opslag,
kan de financiële vergoeding worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 516/77.
4. Wanneer een produkt op het ogenblik van verkoop in een andere kwaliteitsklasse moet worden ingedeeld dan in die waartoe het bij de aankoop behoorde, is de financiële vergoeding voor de betrokken hoeveelheid gelijk aan het verschil tussen de voor de produkten betaalde minimumprijs en de verkoopprijs vastgesteld voor de kwaliteitsklasse waartoe het produkt bij de aankoop behoorde.
Artikel 6
1. Aanvragen om financiële vergoeding moeten tegelijk met de in artikel 3 bedoelde aanvragen om steun voor de opslag worden ingediend. De aanvragen om financiële vergoeding moeten betrekking hebben op de hoeveelheid produkten die in de in lid 2 van genoemd artikel bedoelde perioden verkocht en betaald is.
2. De aanvraag die onmiddellijk na de fysieke voorraadopneming als bedoeld in artikel 26, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 626/85 wordt ingediend, moet naast de in lid 1 bedoelde hoeveelheden ook betrekking hebben op de natuurlijke verliezen en moet gegevens bevatten betreffende alle in artikel 25, punt B, sub c), d) en e), van laatstgenoemde verordening bedoelde hoeveelheden. Indien het opslagbureau een vergoeding aanvraagt overeenkomstig artikel 5, lid 3, moeten de oorzaken van het kwaliteitsverlies of het natuurlijk verlies gedetailleerd en met opgave van de betrokken hoeveelheden worden vermeld. De bevoegde instanties doen deze verklaring, voorzien van hun opmerkingen, aan de Commissie toekomen. 3. De overeenkomstig dit artikel te betalen financiële vergoeding wordt verminderd met de eventueel overeenkomstig artikel 7 betaalde voorlopige financiële vergoeding.
4. Indien de verkoopprijs hoger is dan de aankoopprijs, eventueel aangepast overeenkomstig artikel 7, wordt de financiële vergoeding met deze winst verminderd. Indien de winst groter is dan de financiële vergoeding die verschuldigd is voor een bepaalde aanvraag om financiële vergoeding, wordt het verschil aan de bevoegde instanties betaald binnen 15 dagen na de uiterste datum voor de indiening van de betrokken aanvraag.
Artikel 7
1. Op basis van de aanvraag om financiële vergoeding die onmiddellijk na de fysieke voorraadopneming op de laatste dag van de maand februari, als bedoeld in artikel 26, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 626/85, wordt ingediend en na controle van de voorraden, betalen de bevoegde instanties een voorlopige financiële vergoeding voor de hoeveelheden die werkelijk in voorraad zijn.
2. Het bedrag van de in lid 1 bedoelde voorlopige financiële vergoeding is gelijk aan de aankoopprijs, verminderd met 6 Ecu per 100 kg, voor elke klasse van produkten vermenigvuldigd met de coëfficiënten die gelden voor de aan de producenten te betalen minimumprijs.
3. Voor de omrekening van het in lid 2 vermelde bedrag van 6 Ecu dient de representatieve koers te worden toegepast die geldt op de eerste dag van het verkoopseizoen waarvan de produkten afkomstig zijn.
Artikel 8
1. In de aanvraag om financiële vergoeding dienen met name te worden vermeld:
a) naam en adres van de aanvrager;
b) de hoeveelheden van elke klasse die in de periode waarop de aanvraag betrekking heeft zijn verkocht tegen een prijs die hoger ligt dan de aankoopprijs, met opgave van de verkoopprijs voor elk contract;
c) de hoeveelheden van elke klasse die in de vorengenoemde periode zijn verkocht tegen een prijs die lager ligt dan de aankoopprijs, met opgave van de verkoopprijs voor elk contract.
2. In de aanvragen om financiële vergoeding die onmiddellijk na een fysieke voorraadopneming worden ingediend, moeten bovendien worden vermeld:
a) de hoeveelheid die is verdwenen als gevolg van natuurlijke verliezen;
b) de hoeveelheden als bedoeld in artikel 25, punt B, sub c), d) en e), van Verordening (EEG) nr. 626/85;
c) de voorraden volgens de boekhouding;
d) de werkelijke voorraden. Hoeveelheden die zijn verkocht maar nog niet door de kopers zijn afgehaald moeten afzonderlijk worden opgegeven.
De hoeveelheden moeten worden onderverdeeld naar klasse en voor elk verkoopseizoen afzonderlijk worden vermeld.
TITEL III
INWERKINGTREDING
Artikel 9
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 12 maart 1985.
Voor de Commissie
Frans ANDRIESSEN
Vice-Voorzitter
(1) PB nr. L 73 van 21. 3. 1977, blz. 1.
(2) PB nr. L 103 van 15. 4. 1984, blz. 11.
(3) Zie blz. 7 van dit Publikatieblad.