Home

Verordening (EEG) nr. 2088/85 van de Raad van 23 juli 1985 inzake de geïntegreerde mediterrane programma' s

Verordening (EEG) nr. 2088/85 van de Raad van 23 juli 1985 inzake de geïntegreerde mediterrane programma' s

*****

VERORDENING (EEG) Nr. 2088/85 VAN DE RAAD

van 23 juli 1985

inzake de geïntegreerde mediterrane programma's

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 43, 127 en 235,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende dat het noodzakelijk is een specifieke communautaire actie ten bate van de zuidelijke regio's van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling ten uitvoer te leggen; dat de actie, van een beperkte duur, ten doel moet hebben de sociaal-economische structuur van die regio's, in het bijzonder van Griekenland, te verbeteren, ten einde het deze regio's mogelijk te maken zich onder zo gunstig mogelijke voorwaarden aan te passen aan de nieuwe door de uitbreiding gecreëerde omstandigheden;

Overwegende dat de economie van Griekenland geconfronteerd wordt met belangrijke structurele aanpassingen;

Overwegende dat rekening dient te worden gehouden met de resultaten en de omvang van de reeds uitgevoerde sectoriële steunmaatregelen; dat in het licht van de opgedane ervaring de nationale en communautaire steunmaatregelen in deze regio's over verschillende jaren dienen te worden geprogrammeerd; dat het ten einde de sociaal-economische situatie in de betrokken regio's te verbeteren nuttig is echte geïntegreerde ontwikkelingsprogramma's op te zetten, die op het desbetreffende territoriale niveau worden ontworpen en uitgevoerd;

Overwegende dat deze programma's, rekening houdend met de handicaps en de eigen mogelijkheden van de verschillende regio's, een globaal antwoord moeten geven op de uiteenlopende problemen die zich in die regio's voordoen met drie doelstellingen, te weten ontwikkeling, aanpassing en steunverlening aan werkgelegenheid en inkomens;

Overwegende dat de acties waarin deze programma's voorzien onderling samenhangen en elkaar aanvullen en alle sectoren van het economisch leven betreffen, met name landbouw en visserij; dat zij in het bijzonder gericht moeten zijn op het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf in de industriële en commerciële sector, het bevorderen van nieuwe takken van dienstverlening die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van werkgelegenheidsproblemen; dat zij rekening moeten houden met de inbreng van de nieuwe technologieën en versterking mogelijk moeten maken van de uitrusting op het gebied van energie, communicatie, opleiding, milieubescherming en van de infrastructuur in het algemeen;

Overwegende dat deze acties samenhangen met de acties die reeds in uitvoering zijn in het kader van het sociaal-structurele beleid, in het bijzonder het communautaire beleid voor regionale ontwikkeling en de specifieke sectoriële beleidslijnen, die in deze regio's normaal zullen blijven gelden; dat de voorgenomen acties een versterking of aanvulling moeten vormen op de acties die reeds ten laste van de bestaande structuurfondsen worden uitgevoerd;

Overwegende dat deze programma's dienen te worden opgezet als een specifieke communautaire actie voor een periode van ten hoogste zeven jaar en de gelegenheid dienen te bieden een verdere stap te zetten in de richting van een betere cooerdinatie tussen alle financiële instrumenten van structurele aard;

Overwegende dat het noodzakelijk is bij de tenuitvoerlegging van deze programma's de nodige soepelheid in acht te nemen, ten einde op de reële behoeften van de betrokken regio's te kunnen inspelen, maar dat tegelijk voldoende strikt moet worden opgetreden ten einde de voorwaarden die daadwerkelijk aan het verlenen van steun door de Gemeenschap zijn verbonden te doen gelden; dat derhalve de Commissie binnen een duidelijk omschreven kader van richtsnoeren dient te worden belast met taken inzake beheer en uitvoering en dat rigoureuze methoden dienen te worden toegepast inzake evaluatie, controle en voorlegging van de resultaten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

TITEL I

Definitie van de geïntegreerde mediterrane programma's

Artikel 1

1. Er wordt een specifieke communautaire actie ingesteld ten bate van de zuidelijke regio's van de Gemeenschap in haar huidige samenstelling. Deze actie heeft ten doel de sociaal-economische structuur van deze regio's, in het bijzonder van Griekenland, te verbeteren, ten einde het deze regio's mogelijk te maken zich onder zo gunstig mogelijke voorwaarden aan te passen aan de nieuwe door de uitbreiding gecreëerde omstandigheden. De actie bestaat in een bijdrage van de Gemeenschap tot de uitvoering van geïntegreerde mediterrane programma's, hierna te noemen GMP's die maximaal zeven jaar duren en bij de Commissie worden ingediend.

2. De regio's en zones waarvoor de GMP's gelden, zijn opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

1. De GMP's bestaan uit meerjarenacties, die onderling en met het gemeenschappelijk beleid samenhangen en bijdragen tot de verwezenlijking van de in artikel 1 omschreven doelstellingen.

2. De acties hebben met name betrekking op investeringen in de produktieve sector, de aanleg van infrastructuurvoorzieningen en de benutting van het menselijk potentieel.

3. De acties omvatten de volgende takken van economische activiteit:

- landbouw, visserij en daarmee verband houdende activiteiten met inbegrip van de agro-levensmiddelenindustrie,

- energie,

- ambachten en industrie, met inbegrip van bouwbedrijf en openbare werken,

- de dienstensector met inbegrip van het toerisme.

4. In bijlage II is een lijst van dergelijke acties opgenomen.

Artikel 3

Voor de uitvoering van de GMP's kunnen de volgende financieringsmiddelen worden gebruikt:

- specifieke bijkomende middelen;

- het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Oriëntatie (EOGFL), hierna genoemd de »Fondsen";

- leningen van de Europese Investeringsbank (EIB) uit eigen middelen en uit de middelen van het Nieuwe Communautaire Instrument (NCI).

De specifieke bijkomende middelen worden aangewend volgens de bepalingen van deze verordening.

Bij aanwending van de Fondsen worden de voor deze financieringsmiddelen geldende voorschriften in acht genomen, met name wat betreft de criteria om voor steun in aanmerking te komen en voorrang te krijgen, en het percentage van de financiële deelneming door de Gemeenschap.

Artikel 4

1. De GMP's alsmede het gemeenschappelijk beleid en de overige communautaire acties in verband met de betrokken mediterrane gebieden worden zodanig uitgewerkt en ten uitvoer gelegd dat hun onderlinge samenhang gewaarborgd is. In het bijzonder zullen de acties op het gebied van de landbouw in het kader van de GMP's verenigbaar blijven met de algemene doelstellingen van produktiebeheersing omschreven in het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

2. De acties in het kader van de GMP's dienen elkaar onderling aan te vullen en te worden aangepast aan de kenmerken van de verschillende regio's en zones, zodat de nationale en communautaire middelen op geïntegreerde wijze worden aangewend.

3. De acties in het kader van de GMP's mogen niet leiden tot wijziging van de concurrentievoorwaarden in strijd met de beginselen die zijn neergelegd in de desbetreffende Verdragsbepalingen; zij dienen dus met name coherent te zijn met de beginselen inzake cooerdinatie van de algemene steunregelingen ten behoeve van de regio's.

TITEL II

Goedkeuring en uitvoering van de GMP's

Artikel 5

1. Vóór eind 1986 dienen Frankrijk, Griekenland en Italië bij de Commissie hun GMP's in met het oog op cofinanciering door de Gemeenschap.

2. De GMP's worden op het desbetreffende territoriale niveau uitgewerkt door regionale of andere autoriteiten, die door elke betrokken Lid-Staat worden aangewezen. De inhoud van de programma's wordt in bijlage III nader omschreven.

3. De Commissie wordt door de betrokken Lid-Staten op de hoogte gehouden van de voorbereiding van de verschillende GMP's.

4. Op verzoek van de Lid-Staten stelt de Commissie deze de nodige technische bijstand ter beschikking waar zulks dientig wordt geacht. De aard en de bijzonderheden van deze bijstand worden in onderlinge overeenstemming door de betrokken Lid-Staat en de Commissie vastgesteld.

Artikel 6

1. De GMP's worden door de Commissie onderzocht om na te gaan: - of zij in overeenstemming met deze verordening zijn;

- voor welke maatregelen financiële bijstand van de Gemeenschap zal worden verstrekt.

2. Bij het bepalen van de omvang van de communautaire bijstand voor de GMP's wordt in de eerste plaats rekening gehouden met de werkelijke behoeften van de verschillende regio's en de stand van hun economische en sociale ontwikkeling, waarbij de achtergebleven regio's en de regio's die het zwaarst zijn getroffen door de uitbreiding, voorrang krijgen.

Daarnaast wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

- de kwaliteit van de acties in het licht van de gewoonlijk door de Fondsen gehanteerde criteria, met name de criteria inzake produktiviteit, werkgelegenheid en inkomen;

- de omvang van de eigen werkzaamheden van de betrokken Lid-Staten in het kader van het GMP, in verhouding tot de ruimte op zijn begroting en de nationale welvaart per hoofd van de bevolking;

- de samenhang van de voorzieningen inzake cooerdinatie en stimulering van initiatieven op het door de GMP's bestreken gebied;

- de pertinentie van de communautaire instrumenten, steun of leningen, ten aanzien van de voorgestelde acties, waarbij de toegezegde financiële middelen aangepast moeten zijn aan de doelstellingen van deze acties.

Artikel 7

1. Er wordt een Raadgevend Comité voor de geïntegreerde mediterrane programma's opgericht, hierna »Comité" genoemd. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door de Commissie. De EIB is in het Comité vertegenwoordigd.

2. Het door de Commissie voor ieder GMP voorgestelde ontwerp-programma wordt voorgelegd aan het Raadgevend Comité dat met gekwalificeerde meerderheid van stemmen advies uitbrengt.

De stemming moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden nadat het ontwerp aan het Raadgevend Comité is voorgelegd.

Bij het verstrijken van deze termijn wordt het programma door de Commissie goedgekeurd.

Brengt het Comité een negatief advies uit, dan wijzigt de Commissie haar oorsponkelijke ontwerp, rekening houdend met het advies van het Raadgevend Comité.

Het gewijzigde voorstel wordt aan het Raadgevend Comité voorgelegd. Binnen een maand na deze tweede voorlegging beslist de Commissie definitief over de tenuitvoerlegging van het programma.

3. In afwijking van de bepalingen inzake de samenstelling, de rol en het functioneren van de in het kader van het EFRO en het EOGFL ingestelde Comité's, keurt de Commissie, met het oog op de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde mediterrane programma's, ieder GMP goed na raadpleging van het Comité overeenkomstig de leden 1 en 2 en stelt zij de financiële bijstand uit hoofde van bovengenoemde Fondsen vast.

4. Indien het gaat om financiële bijstand uit hoofde van het ESF, raadpleegt de Commissie eveneens het in artikel 124 van dat Verdrag bedoelde Comité overeenkomstig de bepalingen inzake de bevoegdheden en het functioneren van dit Comité. De Commissie stelt vervolgens de financiële bijstand uit hoofde van dit Fonds, vast.

5. Het Comité wordt volgens het bepaalde in artikel 18 van de uitvoering van de GMP's op de hoogte gehouden.

6. De besluiten waarmee de Commissie de programma's goedkeurt worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 8

Onverminderd de bijzondere bepalingen die gelden voor leningen uit eigen middelen van de EIB en uit middelen van het NCI, zorgen de Commissie en de EIB, zolang de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van de GMP's duren, voor de nodige cooerdinatie om de samenhang van de verschillende vormen van financiële bijstand van de Gemeenschap voor de GMP's te waarborgen.

Artikel 9

Voor ieder GMP wordt door de Commissie en de betrokken Lid-Staat in onderlinge overeenstemming een stuurcomité opgericht. Dit stuurcomité verleent assistentie aan de Lid-Staat en de door deze voor de uitvoering van het GMP aangewezen regionale of andere instantie. De EIB is in het stuurcomité vertegenwoordigd.

Voor de uitvoering van de GMP's worden tussen de betrokken partijen (Commissie, Lid-Staten, regionale autoriteit of andere door de Lid-Staat aangewezen autoriteit) programmacontracten gesloten, waarin hun respectieve verplichtingen worden vastgelegd.

De standaardbepalingen van de programmacontracten worden nader omschreven in bijlage IV.

De programmacontracten worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

TITEL III

Financiële bepalingen

Artikel 10

1. De financiële bijstand uit de begrotingsmiddelen van de Gemeenschap voor de uitvoering van de GMP's bestaat uit: - een deelneming van de Fondsen ten bedrage van 2,5 miljard Ecu;

- extra begrotingsmiddelen ten bedrage van 1,6 miljard Ecu.

Deze nodzakelijk geachte bedragen worden voor alle GMP's toegepast in het kader van de geldende begrotingsvoorschriften, volgens de regels neergelegd in de artikelen 11 en 12.

2. De mogelijkheden tot leningen ten behoeve van de GMP's worden over de periode van zeven jaar geraamd op 2,5 miljard Ecu.

3. Aan de door Griekenland ingediende GMP's wordt uit hoofde van lid 1 een bedrag van 2 miljard Ecu toegekend.

Artikel 11

1. De jaarlijkse begrotingstoewijzingen voor de Fondsen worden van 1986 tot en met 1992 gebruikt voor de in artikel 10, lid 1, genoemde financiële bijstand uit de Fondsen.

In het kader van de daarop van toepassing zijnde financiële bepalingen en onverminderd artikel 7, blijven de Fondsen normaal functioneren op de grondslag van een regionaal beleid dat in de gehele Gemeenschap van toepassing is, overeenkomstig de geldende regels. De verhogingen in reële termen die tijdens de betrokken periode op de Fondsen worden toegepast, zullen bijdragen tot de financiering van de GMP's zulks echter zonder de overdracht van deze middelen naar andere prioritaire of minder welvarende gebieden negatief te beïnvloeden.

2. In het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure worden in een speciale begrotingslijn »Geïntegreerde Mediterrane Programma's - aanvullende middelen" gesplitste kredieten opgevoerd die overeenkomen met de in artikel 10, lid 1, vermelde extra begrotingsmiddelen.

Artikel 12

1. Wanneer bijstand aan de GMP's wordt gefinancierd uit de Fondsen wordt deze bijstand toegekend in de vormen voorzien in de voorschriften die inzake elk van deze Fonsen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 2.

De bijstand van het ESF en het EFRO berust met name op de aan de geïntegreerde acties toegekende prioriteiten. Onverminderd artikel 7, lid 2, van deze verordening in het kader van de begrotingsmiddelen van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, vormen de landbouwmaatregelen die ingevolge de evaluatie van de GMP's worden aangenomen, krachtens deze verordening een gemeenschappelijke actie in de zin van Verordening (EEG) nr. 729/70 (1), wanneer daaraan dezelfde voorwaarden voor ontvankelijkheid en steunverlening verbonden zijn, de voorwaarden inzake de materiële grenzen en de eenheidskosten uitgezonderd, als aan de maatregelen van dezelfde aard die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening van kracht zijn.

2. De middelen van de in artikel 11, lid 2, bedoelde speciale begrotingslijn kunnen onder meer worden aangewend:

a) om een communautaire financiering mogelijk te maken boven de maxima vastgesteld in de voorschriften inzake de Fondsen;

b) om steun te verlenen buiten het geografische toepassingsgebied van de Fondsen, zonder door hun specifieke kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen te worden beperkt;

c) om terug te betalen steun toe te kennen voor de financiering van investeringen in de produktieve sector.

3. De leningen uit eigen middelen van de EIB of uit die van het NCI worden verstrekt volgens de specifieke criteria en procedures die voor deze bijstand gebruikelijk zijn.

Artikel 13

De communautaire bijdrage in de financiering van de in het kader van de GMP's geselecteerde acties mag niet meer bedragen dan 70 % van de totale kosten van het project of de actie, ongeacht de vorm van de financiële bijstand. Wanneer het gaat om infrastructuur die van bijzonder belang is in het kader van een door Griekenland ingediend GMP en die gedeeltelijk met leningen wordt gefinancierd, mag de totale communautaire bijdrage evenwel meer dan 70 % bedragen.

In het geval van Frankrijk en Italië mag het percentage van de communautaire financiering, berekend op basis van de budgettaire subsidies, de in die landen uit hoofde van de bepalingen van de Fondsen toegepaste maxima met niet meer dan 10 punten overschrijden.

Wat acties in Italië en Frankrijk betreft die niet vallen onder een van de verordeningen betreffende de structurele Fondsen, mag de subsidie uit hoofde van de GMP's het plafond dat geldt voor het Regionaal Fonds, niet overschrijden.

Indien het op basis van de budgettaire subsidies berekende communautaire financieringspercentage de volgens de verordening van de bestaande Fondsen geldende maxima overschrijdt, mag deze overschrijding alleen gefinancierd worden uit de begrotingsmiddelen bedoeld in artikel 11, lid 2.

Artikel 14

Voor wat betreft de bijstand uit de Fondsen gelden inzake de begrotingsvastleggingen, de voorschotten en de betalingen, de regels die aan ieder financieel instrument eigen zijn.

Artikel 15

1. De bijstand die afkomstig is uit de in artikel 11, lid 2, bedoelde begrotingslijn kan slechts worden toegekend voor financiering van uitgaven verricht na indiening van de GMP's.

2. De vastleggingen voor de uitgaven ten laste van de in artikel 11, lid 2, bedoelde begrotingslijn geschieden in jaarlijkse tranches binnen de grenzen van de beschikbare begrotingsmiddelen. De eerste tranche wordt vastgelegd zodra het bijstandsbesluit door de Commissie is goedgekeurd. De volgende jaarlijkse tranches worden vastgelegd naarmate de uitvoering van het GMP vordert.

3. Voor deze vastleggingen kunnen voorschotten tot 50 % van het betrokken bedrag worden uitgekeerd.

Artikel 16

1. De aanvragen om betaling ten laste van de in artikel 11, lid 2, bedoelde begrotingslijn, worden bij de Commissie ingediend door de Lid-Staat, de regionale autoriteit of andere door de Lid-Staat aangewezen autoriteit met inbegrip van, in voorkomend geval, de natuurlijke of rechtspersonen die uitdrukkelijk in de in artikel 9 bedoelde programmacontracten zijn genoemd als begunstigden van communautaire bijstand. De aanvragen gaan vergezeld van een verklaring dat de werkzaamheden effectief hebben plaatsgevonden en dat er gedetailleerde bewijsstukken beschikbaar zijn. Zij bevatten de volgende gegevens.:

- aard van de werkzaamheden waarop de betalingsaanvraag betrekking heeft;

- verklaring dat de werkzaamheden overeenkomstig de GMP's zijn uitgevoerd;

- aard en bedrag van de uitgaven die tijdens de door de aanvraag bestreken periode voor de werkzaamheden zijn verricht.

2. De betalingen worden door de Commissie overgemaakt aan de Lid-Staat of de in lid 1 bedoelde begunstigden.

3. De Lid-Staat of de in lid 1 bedoelde begunstigden houden alle bewijsstukken betreffende de uitgaven voor het GMP of de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan gedurende drie jaar na de laatste betaling betreffende het GMP ter beschikking van de Commissie.

Artikel 17

1. De Commissie wordt voortdurend op de hoogte gehouden van de uitvoering van de GMP's. De daartoe vereiste gegevens verkrijgt zij door middel van de documenten die haar door de Lid-Staten worden toegezonden of ter beschikking gesteld, alsmede door middel van de controles die zij op eigen initiatief verricht. De aard van deze documenten en de wijze waarop de controles plaatsvinden met name de termijnen voor toezending of verificatie worden bepaald in de in artikel 9 bedoelde contracten.

2. De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen tot vergemakkelijking van de door de Commissie op de in het kader van de GMP's gefinancierde werkzaamheden uitgeoefende controles, onverminderd de controles die de Lid-Staten zelf verrichten of die plaatsvinden op grond van de artikelen 206 bis en 209 van het Verdrag.

De controles kunnen geschieden in de vorm van onderzoeken of verificaties ter plaatse; in dat geval worden zij op verzoek van de Commissie en met instemming van de Lid-Staat verricht door de vertegenwoordigers van diens bevoegde instanties, vergezeld van vertegenwoordigers van de Commissie.

3. Indien uit de gegevens waarover de Commissie beschikt blijkt dat er een onregelmatigheid of een haar niet ter goedkeuring voorgelegde belangrijke wijziging ten opzichte van de in artikel 9 bedoelde contracten heeft plaatsgevonden, worden de bepalingen betreffende de Fondsen toegepast op het deel van het GMP dat met middelen van een van deze Fondsen wordt gefinancierd.

4. Onder dezelfde omstandigheden kan de bijstand ten laste van de in artikel 11, lid 2, bedoelde begrotingslijn bij beschikking van de Commissie worden opgeschort, verminderd of ingetrokken. In het bijzonder worden als niet uitgevoerd beschouwd werkzaamheden waarvoor sedert twee jaar zonder verantwoording van de zijde van de Lid-Staat of de in artikel 16, lid 1, genoemde begunstigden binnen de door de Commissie gestelde termijnen geen storting meer heeft plaatsgevonden.

5. Voor leningen uit de middelen van de EIB of het NCI die worden verleend in het kader van de GMP's, blijven de specifieke controleprocedures van kracht die voor deze steunverlening gebruikelijk zijn.

TITEL IV

Slotbepalingen

Artikel 18

1. Vanaf 1987 zal de Commissie ieder jaar een uitvoerig verslag opstellen over de uitvoering van de GMP's. Daarin zullen zowel de financiële aspecten van de uitvoering als de economische en sociale evaluatie van de verkregen resultaten worden behandeld.

2. Vanaf hetzelfde tijdstip zal de Commissie ieder jaar ook betreffende alle voor structuurverbetering verstrekte bijstand van de Gemeenschap een overzicht opstellen, waarin is aangegeven welk deel van deze bijstand tot de uitvoering van de GMP's bijdraagt.

3. Deze verslagen en overzichten worden voor advies aan het Raadgevend Comité voorgelegd en vervolgens met het advies van het Comité toegezonden aan het Europese Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en de Raad.

Artikel 19

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 1985. Zij loopt af op 1 december 1993, einddatum voor de vastlegging van uitgaven uit hoofde van de GMP's. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 1985.

Voor de Raad

De Voorzitter

J. POOS

(1) PB nr. C 175 van 15. 7. 1985.

(2) Advies uitgebracht op 29 mei (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(1) PB nr. L 94 van 28. 4. 1970, blz. 13.

BIJLAGE I

GEOGRAFISCH TOEPASSINGSGEBIED VAN DE GMP's

FRANKRIJK

De regio's Languedoc-Roussillon, Corsica, Provence-Alpes-Côte d'Azur, Aquitaine en Midi-Pyrénées (1), de departementen Drôme en Ardèche.

GRIEKENLAND

Het gehele Griekse grondgebied.

ITALIË

De gehele Mezzogiorno (2), de regio's Ligurië, Toscane, Umbrië en Marche (3), alsmede de flank van de Apennijnen die administratief gezien deel uitmaakt van Emilia-Romagna, de lagunes aan het noorden van de Adriatische zee tussen de zones van Comacchio en Marano Lagunara (4).

(1) Met uitzondering van de agglomeraties Marseille, Bordeaux en Toulouse en van de kustzone met doorlopende bebouwing en permanente toeristische activiteit waar alleen steun op het gebied van visserij of acquicultuur mogelijk is.

(2) Met uitzondering van de agglomeraties Rome, Napels en Palermo. Latium maakt in zijn geheel deel uit van de Mezzogiorno. Voor infrastructuren worden evenwel de zones van de Cassa del Mezzogiorno, PDR nr. 1523 van 30 juni 1967, in aanmerking genomen.

(3) Met uitzondering van de agglomeraties Florence en Genua en van de kustzones met doorlopende bebouwing en permanente toeristische activiteit waar alleen steun op het gebied van visserij en aquicultuur mogelijk is.

(4) Waar alleen bepaalde steunmaatregelen op het gebied van aquicultuur mogelijk zijn.

BIJLAGE II

LIJST VAN ACTIES TER VERWEZENLIJKING VAN DE DOELSTELLINGEN VAN DE GMP's

a) Landbouw: de GMP's kunnen, afhankelijk van de uitgangssituatie en de karakteristieken van de betrokken regio's en zones, acties inhouden die gericht zijn op:

- omschakeling en herstructurering van de produktie om te komen tot beter op de marktvooruitzichten afgestemde specialisatievormen en gebruiksmogelijkheden: hieronder vallen ook bio-energie, bosbouw en acties tot bescherming en verbetering van het milieu;

- modernisering en intensivering van bepaalde, vooral traditionele, produktievormen die verenigbaar zijn met de algemene doelstellingen van produktiebeheersing omschreven in het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

- versterking van de sociaal-structurele maatregelen die erop zijn gericht:

i) bij te dragen tot een inkomensverbetering voor de landbouwers door volledig gebruik en eventueel verhoging van de compenserende vergoedingen;

ii) het de jonge landbouwers gemakkelijker te maken zich als landbouwer te vestigen;

ii) de modernisering en heroriëntering van de produktiestructuren te versnellen;

- modernisering van de infrastructuren op het platteland om de levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren;

- irrigatie;

- veeteelt;

- bebossing en verbetering van bosgronden;

- bodemverbetering, met inbegrip van de infrastructuren waardoor deze mogelijk wordt gemaakt;

- beroepsopleiding (opleidingsstructuren) en landbouwvoorlichting;

- versterking en modernisering van de structuren voor de afzet en de verwerking van de landbouw- en visserijprodukten, in het bijzonder die welke door cooeperaties van landbouwers worden beheerd;

b) Visserij: de GMP's kunnen acties inhouden die gericht zijn op:

- herstructurering, omschakeling en modernisering van een deel van de vloot;

- verbetering van de infrastructuren en haveninstallaties, met inbegrip van de biologische bescherming van de mariene zones en het inrichten van mariene parken;

- ontwikkeling van de aquicultuur, met inbegrip van werkzaamheden aangaande lagunes;

- uitbreiding van de installaties voor bewaring en verwerking;

- bevordering van de afzet van visserijprodukten, met name door reclamecampagnes;

- intensivering van het onderzoek en de beroepsopleiding, de inschakeling van technische assistenten.

c) Industrie en diensten: de GMP's kunnen acties inhouden die in het bijzonder gericht zijn op:

- oprichting en ontwikkeling van midden- en kleinbedrijf, ambachtswezen en cooeperaties door intensivering van de daartoe reeds getroffen maatregelen op het gebied van bijstand voor materiële investeringen en voor verbetering van de organisatie van de ondernemingen;

- stimulering van de innovatie en van de toepassing van nieuwe technieken in het midden- en kleinbedrijf, het ambachtswezen en de cooeperaties;

- in Griekenland: vergemakkelijking van de vestiging van nieuwe ondernemingen en overbrenging van te Athene gevestigde ondernemingen naar een andere plaats;

- bevordering van het toerisme en versterking van de met deze activiteit samenhangende diensten, inclusief het vervoer;

- de bevordering van andere activiteiten op het niveau van het midden- en kleinbedrijf, met name in de aan de sectoren landbouw en agro-levensmiddelen voorafgaande en op die sectoren volgende produktiestadia, alsmede activiteiten die samenhangen met het gebruik van hernieuwbare energievormen;

- de uitbreiding van de infrastructuren die nodig zijn voor de ontwikkeling van werkgelegenheid scheppende activiteiten, namelijk: i) kleine industrieterreinen in prioriteitszones;

ii) infrastructuren voor de verbinding van die zones met het hoofdnet (wegen, telecommunicatie, voorlichting, energie);

iii) infrastructuren en voorzieningen die rechtstreeks samenhangen met de ontwikkeling van het toerisme;

iv) gebouwen en belangrijke voorzieningen van de centra voor opleiding, onderzoek en technische bijstand op het gebied van industrie, diensten, landbouw en visserij;

v) in Griekenland: de infrastructuren in het algemeen; in Frankrijk en Italië: de economische infrastructuren, in het bijzonder op het gebied van vervoer en energie;

- versterking van de infrastructuren voor verbetering van de leefbaarheid van plattelandsgebieden.

d) De GMP's houden ook acties in die gericht zijn op het beter inschakelen van het menselijk potentieel, met name jongeren en vrouwen:

- door opvoering van de communautaire bijstand voor aanvullende acties voor beroepsopleiding die de in het GMP vervatte activiteiten kunnen vergemakkelijken en begeleiden (met name voor de opleiding van middelbaar kaderpersoneel, voor de opleiding op het gebied van ontwikkeling en voor polyvalente opleidingen);

- door stimulering van de geleidelijke ontwikkeling van activiteiten tot voorbereiding en bevordering van het plaatselijke initiatief op de verschillende gebieden waarvoor het GMP bedoeld is;

- door de organisatie van diensten voor de geïntegreerde aanpak van de beroepsopleiding in al haar stadia (van prospectie van de plaatselijke arbeidsmarkt tot arbeidsbemiddeling). Een dergelijke opzet kan zo nodig worden aangevuld met arbeidsmarktwaarnemingsposten.

BIJLAGE III

INHOUD VAN DE GMP's INGEDIEND DOOR FRANKRIJK, GRIEKENLAND EN ITALIË

De documenten die door de Lid-Staten worden ingediend met het oog op de toekenning van de bijstand, bedoeld in de verordening, bevatten gegevens betreffende:

- de geografische zone waarop zij betrekking hebben;

- de door de voorgestelde acties te bereiken doelstellingen op het gebied van inkomen, werkgelegenheid, produktiviteit en levenswijze van de bevolking van de zone;

- de looptijd van het GMP, namelijk ten minste drie en ten hoogste zeven jaar;

- de acties die dienen te worden ondernomen, uitgaande van de in elke regio bestaande situatie en hulpbronnen en van de mogelijke ontwikkeling van een en ander;

- de administratieve, wetgevende en financiële maatregelen die voor de uitvoering van de ingediende GMP's zijn getroffen of getroffen moeten worden;

- de samenhang met de in Verordening (EEG) nr. 1787/84 (1) genoemde programma's voor regionale ontwikkeling en met de acties die in de zone al met bijstand van de communautaire financiële instrumenten worden gevoerd;

- de overige acties van regionale, interregionale en nationale aard waarvan de bevoegde autoriteiten de uitvoering op eigen initiatief dienstig achten om de in de GMP's gedefinieerde ontwikkelingsdoeleinden te bereiken.

(1) PB nr. L 169 van 28. 6. 1984, blz. 1.

BIJLAGE IV

PROGRAMMACONTRACTEN

Het contract dat voor ieder GMP wordt opgesteld nadat de Commissie haar onderzoek overeenkomstig artikel 9 van de verordening heeft beëindigd omvat:

a) de vermelding van de door de Lid-Staat aangewezen regionale of andere instantie die met de uitvoering van het GMP is belast, alsmede de vermelding van de samenstelling van het stuurcomité dat daarbij assistentie moet verlenen;

b) de bijdrage van de medecontractanten aan de in artikel 6 bedoelde voorzieningen inzake cooerdinatie en stimulering van initiatieven;

c) de lijst en het tijdschema van de voor communautaire financiering in aanmerking genomen acties; de voorwaarden van deze financiering, in het bijzonder het tijdschema van de bijdragen uit de verschillende communautaire en nationale bronnen;

d) de beschrijving van de werkzaamheden inzake beoordeling, evaluatie en meer in het algemeen controle van de acties waarvoor communautaire bijstand wordt verleend, alsook van het GMP in zijn geheel, beschrijving van de verplichtingen die eruit voortvloeien voor de Lid-Staat en voor de door deze aangewezen regionale of andere instantie.

Deze werkzaamheden dienen als basis voor de voortzetting van de bijstandsverlening, alsook voor de opstelling van het jaarlijkse verslag over de uitvoering van de GMP's.

e) de vermelding van de gegevens die de Lid-Staat of de door deze voor de uitvoering van het GMP aangewezen regionale of andere instantie moet verstrekken om de uitkering van de communautaire bijstand te verkrijgen;

f) de vermelding van de regionale of andere instanties of de natuurlijke of rechtspersonen die de door de Commissie voor elk van de acties waarvoor communautaire bijstand wordt verleend uitgekeerde bedragen in ontvangst kunnen nemen;

g) de voorwaarden voor de eventuele opstelling van aanhangsels aan de contracten door de medecontractanten.