Verordening (EEG) nr. 2322/85 van de Raad van 12 augustus 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan
Verordening (EEG) nr. 2322/85 van de Raad van 12 augustus 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 2322/85 VAN DE RAAD
van 12 augustus 1985
houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 12,
Gezien het voorstel dat door de Commissie is ingediend na overleg in het bij genoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,
Overwegende het volgende:
A. Voorlopige maatregel
(1) De Commissie heeft bij Verordening (EEG) nr. 997/85 (2), een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan.
B. Vervolgprocedure
(2) Na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht hebben de Japanse producenten die bij de Commissie bekend waren en de voornaamste producent van de Gemeenschap gelegenheid gevraagd en gekregen om door de Commissie te worden gehoord. De Japanse producenten, de betrokken voornaamste producent van de Gemeenschap en een belangrijk verbruiker van het betrokken produkt hebben voorts schriftelijk hun opmerkingen ten aanzien van het voorlopige recht kenbaar gemaakt.
(3) De Japanse producenten hebben ook verzocht ingelicht te worden over bepaalde feiten en de belangrijkste overwegingen op grond waarvan de Commissie een definitieve maatregel wil voorstellen; dit verzoek is ingewilligd.
(4) De Raad heeft de conclusies van de Commissie als omschreven in Verordening (EEG) nr. 997/85 onderzocht.
C. Normale waarde
(5) De Raad heeft besloten dat de normale waarde dient te worden vastgesteld op de grondslag van de maandelijkse gewogen gemiddelde binnenlandse prijzen van die producenten die naar de Gemeenschap uitvoerden en voldoende bewijsmateriaal verschaften betreffende de feitelijk in het normale handelsverkeer voor een soortgelijk produkt - bestemd voor verbruik in Japan - betaalde prijzen.
(6) De exporteurs stelden dat in verband met de verschillen in de op de binnenlandse markt en de voor uitvoer naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheden, de normale waarde diende te worden gegrond op een beperkte steekproef van transacties die de voor exporttransacties verkochte hoeveelheden het beste weerspiegelden.
De Raad is het met de Commissie eens dat deze stelling, dat de normale waarde gegrond dient te zijn op een beperkte steekproef van transacties die de uitgevoerde hoeveelheden het best zouden weerspiegelen, neerkwam op een vordering rekening te houden met verschillen in hoeveelheden en dat deze correctie slechts kan worden toegepast in overeenstemming met de in artikel 2, lid 10, sub b), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 vastgestelde objectieve criteria.
(7) Eén exporteur voerde eveneens aan dat de binnenlandse verkopen van glycine voor farmaceutisch gebruik van de grondslag voor de berekening van de normale waarde dienen te worden uitgesloten, aangezien dit soort glycine aan verscheidene bijkomende specificaties zou dienen te voldoen en uit dien hoofde niet een soortgelijk produkt zou zijn.
Op dit verzoek kan evenwel niet worden ingegaan, aangezien niet bewezen is dat glycine voor farmaceutische doeleinden andere kenmerken vertoont dan glycine dat voor andere toepassingen wordt aangewend. Er is namelijk geen bevredigend bewijsmateriaal voorgelegd waaruit blijkt dat het vereiste dat glycine voor farmaceutische doeleinden pyrogeenvrij dient te zijn, niet ook van toepassing is op glycine dat
voor andere doeleinden wordt aangewend. Beide kwaliteiten zijn derhalve als soortgelijke produkten in de zin van artikel 2, lid 12, van Verordening (EEG) nr. 2176/84 te beschouwen, of zij nu voor farmaceutische doeleinden of voor enig ander gebruik worden verkocht. Hoe dit ook zij, de betrokken exporteur verkocht het desbetreffende produkt voor farmaceutische toepassingen zowel op de binnenlandse markt als voor uitvoer naar de Gemeenschap.
D. Prijs bij uitvoer
(8) De prijzen bij uitvoer werden bepaald op grond van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor de produkten die met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap werden verkocht.
E. Vergelijking
(9) Bij de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijzen is voor zover nodig rekening gehouden met verschillen die van invloed kunnen zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen.
(10) Eén betrokken exporteur wenste een correctie vanwege verschillen in uiterlijke kenmerken tussen glycine dat voor farmaceutische doeleinden op de binnenlandse markt verkocht wordt en het naar de Gemeenschap uitgevoerde produkt.
Dit argument wordt verworpen aangezien er, ofschoon de verkoopprijs van het voor farmaceutische toepassingen verkochte produkt hoger lag dan de gemiddelde verkoopprijzen van glycine over de gehele lijn, geen bewijsmateriaal van welke aard dan ook werd ingediend waardoor kon worden aangetoond dat het prijsverschil veroorzaakt werd door eventuele verschillen in fysieke hoedanigheid.
(11) Bovendien wensten beide exporteurs een correctie in verband met verschillen in hoeveelheden, overeenkomstig artikel 2, lid 10, sub b) i), van Verordening (EEG) nr. 2176/84, vanwege prijskortingen voor verkopen op de binnenlandse markt. Er werd evenwel geen bevredigend bewijsmateriaal voorgelegd waaruit kon blijken dat er inderdaad prijskortingen waren gegeven, of dat deze in het normale handelsverkeer vrij ter beschikking waren gesteld.
(12) Beide exporteurs wensten eveneens correcties ten einde rekening te houden met verschillen in verkoopvoorwaarden.
Met betrekking tot Yuki Gosei Kogyo werden correcties toegekend voor speciale kortingen, verkoopcommissies, salarissen van verkopers, kredietvoorwaarden en vervoerkosten. Er werden geen correcties toegekend voor de kosten van depot, opslag, verpakkingsuitrusting, persoonlijke uitgaven voor de ontwikkeling van toepassingen van glycine en de administratieve kosten voor verkoopbevordering op de binnenlandse markt, aangezien deze uitgaven binnen de betekenis van artikel 2, lid 10, sub c), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 niet werden geacht met de onderhavige verkopen rechtstreeks verband te houden.
Met betrekking tot Showa Denko werden correcties toegekend voor commissies, vrachtkosten, verzekering, stuwadoors- en ladingskosten, salarissen van verkopers, alsmede voor bijkomende kosten en betalingstermijnen. Geen correcties werden toegekend voor kosten van depot, inventariskosten en persoonlijke uitgaven voor technische bijstand en dienstverlening voorafgaande aan het verkoopstadium, aangezien deze met de onderhavige verkopen geen rechtstreeks verband in de zin van artikel 2, lid 10, sub c), van Verordening (EEG) nr. 2176/84 zouden houden. Voor technische bijstand na verkoop werd ter staving van de eis geen bewijsmateriaal overgelegd.
(13) Alle vergelijkingen werden gemaakt in het stadium af fabriek.
F. Marges
(14) Uit het onderzoek van de feiten blijkt dumping te bestaan ten aanzien van Yuki Gosei Kogyo Co. Ltd en Showa Denko KK, waarbij de dumpingmarge gelijk is aan het verschil tussen de vastgestelde normale waarde en de prijs bij uitvoer naar de Gemeenschap.
(15) Deze marges verschillen naar gelang van de exporteur; de gewogen gemiddelde marge voor elk van de bij het onderzoek betrokken exporteurs is als volgt:
- Yuki Gosei Kogyo Co. Ltd: 33,4 %
- Showa Denko KK: 41 %.
Voor die exporteurs die zich in de loop van het onderzoek niet hebben bekendgemaakt, werd de dumpingmarge bepaald op grond van de beschikbare gegevens. In dit verband was de Raad van mening dat de resultaten van het onderzoek de meest geschikte basis zouden zijn voor het bepalen van de dumpingmarge, aangezien het een beloning voor niet-samenwerking zou betekenen en er een gelegenheid tot ontduiking van het recht zou worden geschapen wanneer zou worden aangenomen dat de dumpingmarge voor deze exporteurs lager zou zijn dan de hoogste dumpingmarge van 41 % die werd vastgesteld ten aanzien van een exporteur die wel aan het onderzoek medewerkte. Derhalve wordt het billijk geacht voor deze groep exporteurs de laatstgenoemde dumpingmarge aan te houden. G. Schade
(16) Met betrekking tot de door de invoer met dumping veroorzaakte schade stelde de Raad vast dat geen nieuw bewijsmateriaal is voorgelegd en hij bevestigt derhalve de in de overwegingen 19 tot en met 26 van Verordening (EEG) nr. 997/85 vervatte conclusies van de Commissie.
H. Belang van de Gemeenschap en hoogte van het recht
(17) Beide Japanse producenten en een belangrijke verbruiker in de Gemeenschap hebben voorts aangevoerd dat de instelling van een definitief anti-dumpingrecht niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn, in hoofdzaak omdat het de voornaamste producent van de Gemeenschap in staat zou stellen om zijn verkoopprijzen op onredelijke wijze te verhogen op een markt waar praktisch slechts drie leveranciers zijn, of om de Japanse prijzen te onderbieden zodat het Japanse produkt van de markt zou verdwijnen.
Na afweging van de bijzonder ernstige moeilijkheden waarmee de bedrijfstak van de Gemeenschap momenteel te kampen heeft, tegen de aangevoerde nadelige gevolgen die uit de beschermende maatregelen zouden voortvloeien, is de Raad tot de slotsom gekomen dat in het belang van de Gemeenschap maatregelen moeten worden genomen.
(18) Gezien de waarschijnlijke gevolgen voor de concurrentiepositie en de structuur van de markt van de Gemeenschap die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van in hoofdzaak één communautaire producent en twee niet-communautaire bedrijven, wordt het in het belang van de Gemeenschap geacht om beschermende maatregelen te nemen, die zonder te leiden tot volledige opheffing van de schade die, zoals werd vastgesteld, door de voornaamste producent van de Gemeenschap in de periode van onderzoek is geleden, toch voldoende worden geacht om laatstgenoemde in staat te stellen tot een economische bedrijfsvoering te komen van de fabriek die pas begin 1984 is begonnen met de regelmatige vervaardiging van het betrokken produkt. Het wordt derhalve juist geacht het percentage van het bij Verordening (EEG) nr. 997/85 ingestelde voorlopige anti-dumpingrecht te bevestigen. Voorts deelde de voornaamste producent van de Gemeenschap de Commissie mede dat hij geen bezwaar had tegen de instelling van een definitief anti-dumpingrecht op hetzelfde niveau als het voorlopige recht of tegen de instelling van hetzelfde recht voor beide maatschappijen.
(19) Onder deze omstandigheden is de Raad van mening dat een definitief anti-dumpingrecht van 14,5 % van de prijs per ton netto, franco-grens Gemeenschap, niet ingeklaard, moet worden ingesteld op de invoer van glycine van oorsprong uit Japan.
I. Verbintenissen
(20) Yuki Gosei Kogyo Co. Ltd (Tokio) en Showa Denko KK (Tokio) hebben verbintenissen met betrekking tot hun uitvoer van glycine naar de Gemeenschap aangeboden.
(21) Na overleg zijn deze verbintenissen niet door de Gemeenschap aanvaard. De gronden waarop deze beslissing is genomen, zijn door de Commissie aan Yuki Gosei Kogyo Ltd en Showa Denko KK medegedeeld.
J. Opmerkingen van Japanse producenten aangaande de door de Commissie voorgestelde definitieve vaststellingen
(22) Yuki Gosei voerde aan dat het opleggen van een anti-dumpingrecht van dezelfde grootte aan beide Japanse ondernemingen discriminerend zou zijn aangezien het Showa Denko, een bedrijf met een hogere dumpingmarge en een lagere prijs bij uitvoer dan Yuki Gosei, in staat zou stellen tegen lagere prijzen dan die van Yuki Gosei te verkopen. Bovendien werd aangevoerd dat de bedoeling van de Commissie om de prijsverbintenis te verwerpen was gebaseerd op een onvolledige analyse van zowel de aard van de aangeboden prijsverbintenis als van de glycinemarkt.
Deze argumenten worden om de volgende redenen verworpen:
a) De Commissie heeft vastgesteld dat er een verschil bestond tussen de gemiddelde prijzen bij uitvoer die door Yuki Gosei en Showa Denko gedurende de onderzochte periode in rekening zijn gebracht. Dit verschil was echter niet geschapen door de Commissie, maar door de bedrijven zelf. Het opleggen van een anti-dumpingrecht van dezelfde grootte ten aanzien van het door beide bedrijven vervaardigde produkt zal betekenen dat het verschil tussen de prijzen waartegen de goederen van de twee exporteurs in de Gemeenschap zullen worden verkocht, in wezen hetzelfde zal blijven, tenzij de bedrijven besluiten hun prijspolitiek te veranderen. Het werd niet in het belang van de Gemeenschap beschouwd (zie overweging 18) om beschermende maatregelen te nemen die de schade geheel zouden opheffen of die ertoe zouden strekken de concurrentie in de Gemeenschap te verminderen. De anti-dumpingregels hebben niet tot doel de prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap op elkaar af te stemmen.
b) Het besluit om hetzelfde anti-dumpingrecht aan beide bedrijven op te leggen was gegrond op een diepgaande analyse van de aard van de aangeboden prijsverbintenis en van de glycinemarkt. Op een markt waar slechts een beperkt aantal bedrijven met elkaar wedijveren zou een op elkaar afstemmen van prijzen, voortvloeiend uit de soort verbintenissen die door de Japanse bedrijven zijn aangeboden, dat wil zeggen het in acht nemen van dezelfde minimumprijs, de mededinging verminderen. Er wordt van uitgegaan dat dit effect zich minder waarschijnlijk voordoet tengevolge van het opleggen van hetzelfde anti-dumpingrecht, aangezien bestaande verschillen in de prijzen die in verschillende transacties door de beide bedrijven worden toegepast (onder andere te wijten aan verschillen die voortvloeien uit wisselkoersen, commissiebedragen en vervoerkosten), kunnen blijven bestaan. Bovendien waren geen gegevens beschikbaar met betrekking tot de toekomstige rol van andere producenten in de Gemeenschap, nieuwe marktdeelnemers of vervangende produkten, die wellicht tot een andere gevolgtrekking hadden kunnen leiden.
(23) Het voornaamste argument van Showa Denko bestond hierin dat de reden voor het opleggen van een definitief anti-dumpingrecht, namelijk de mededingingssituatie en de structuur van de markt in de Gemeenschap, niet geldig is omdat overwegingen van mededingingsaard een geldige grondslag zouden vormen om af te zien van welke beschermende maatregel dan ook, doch niet voor het afwijzen van een prijsverbintenis.
Dit argument dient te worden verworpen omdat bij het onderzoek naar de vraag of de belangen van de Gemeenschap een optreden van de Gemeenschap vereisen, de Commissie duidelijk tot de conclusie is gekomen dat gezien de feiten zoals die definitief zijn vastgesteld met betrekking tot de ernst van de dumping en de daaruit voortvloeiende schade (zie overwegingen 18 en 19 tot en met 26 van Verordening (EEG) nr. 997/85 van de Commissie, die door de onderhavige verordening wordt bevestigd), er opgetreden diende te worden. Het werd echter beschouwd niet in het belang van de Gemeenschap te zijn om de aangeboden verbintenissen te aanvaarden gezien het effect dat deze prijsverbintenissen in dit geval zouden kunnen hebben op de mededingingssituatie en -structuur van de glycinemarkt.
K. Inning van het voorlopige recht
(24) Vastgesteld is dat de invoer met dumping van glycine van oorsprong uit Japan aanzienlijke schade heeft veroorzaakt voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap. De bedragen die als waarborg voor het voorlopige anti-dumpingrecht werden gesteld, dienen derhalve volledig en definitief te worden geïnd,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van glycine, vallende onder post 29.23 D IV van het gemeenschappelijk douanetarief, overeenkomende met NIMEXE-code 29.23-77, van oorsprong uit Japan.
2. Het recht bedraagt 14,5 % van de prijs per ton netto, franco-grens Gemeenschap, niet ingeklaard.
De prijzen franco-grens Gemeenschap zijn netto indien de verkoopvoorwaarden betaling binnen 30 dagen vanaf de datum van verzending inhouden; zij worden met 1 % verhoogd of verlaagd voor elke verlenging of verkorting van de betalingstermijn met één maand.
3. De voor douanerechten geldende bepalingen zijn van toepassing.
Artikel 2
De bedragen van de ingevolge Verordening (EEG) nr. 997/85 gestelde waarborgen voor het voorlopige anti-dumpingrecht worden definitief geïnd.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 12 augustus 1985.
Voor de Raad
De Voorzitter
J. POOS
(1) PB nr. L 201 van 30. 7. 1984, blz. 1.
(2) PB nr. L 107 van 19. 4. 1985, blz. 8.