Verordening (EEG) nr. 3160/85 van de Raad van 11 november 1985 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor garens, geheel van vlokzijde, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 50.05 A van het gemeenschappelijk douanetarief (1986)
Verordening (EEG) nr. 3160/85 van de Raad van 11 november 1985 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor garens, geheel van vlokzijde, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 50.05 A van het gemeenschappelijk douanetarief (1986)
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3160/85 VAN DE RAAD
van 11 november 1985
betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor garens, geheel van vlokzijde, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 50.05 A van het gemeenschappelijk douanetarief (1986)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 28,
Gezien de ontwerp-verordening ingediend door de Commissie,
Overwegende dat er in de Gemeenschap een produktie van garens van vlokzijde bestaat; dat de totale omvang van de bestaande produktie weliswaar voldoende kan zijn om in alle behoeften van de Gemeenschap te voorzien, doch dat dit niet het geval is met betrekking tot garens geheel van vlokzijde; dat daaruit volgt dat de voorziening binnen de Gemeenschap ontoereikend is;
Overwegende dat derhalve de voorziening van de Gemeenschap voor deze kwaliteiten garens voor een niet onaanzienlijk deel afhankelijk is van invoer; dat de integrale toepassing van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief tot gevolg zou hebben dat op deze produkten een niet onbeduidende douanelast wordt gelegd, terwijl de van garens van vlokzijde vervaardigde produkten reeds scherpe concurrentie ondervinden van soortgelijke produkten vervaardigd van andere grondstoffen; dat de ontoereikende voorziening, te zamen met de concurrentie in de eindprodukten, nadelige gevolgen voor de verwerkende industrieën zou kunnen meebrengen;
Overwegende dat het recht van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van de betrokken garens van vlokzijde 3 % bedraagt; dat bij de vaststelling van het in het kader van het contingent toe te passen recht rekening dient te worden gehouden enerzijds met de situatie van de vlokzijdegarens producerende industrie van de Gemeenschap en anderzijds met de situatie van de industrieën die deze garens verwerken, en wel met het oog op hun bevoorrading onder gunstige voorwaarden; dat een nulrecht in het kader van het contingent het meest in overeenstemming lijkt te zijn met de hiervoren genoemde eisen;
Overwegende dat de ontwikkeling van de invoer in de voorbije jaren aanleiding geeft om aan te nemen dat de communautaire invoerbehoeften van de betrokken garens voor 1986 700 ton zouden kunnen belopen; dat het opnemen van een communautair tariefcontingent van een dergelijk volume de communautaire produktie niet in gevaar schijnt te kunnen brengen; dat het derhalve dienstig is het bedoelde tariefcontingent te openen vanaf 1 januari 1986 en het onder de Lid-Staten te verdelen, waarbij voorzien wordt in de deelname van Spanje en Portugal vanaf 1 maart 1986; dat deze deelname, in een eerste stadium, beperkt kan worden tot de eventuele toepassing van de bepalingen van artikel 2, lid 3;
Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs te allen tijde en in gelijke mate gebruik kunnen maken van de door het bedoelde contingent geboden mogelijkheden en dat het aan dat contingent verbonden recht zonder onderbreking wordt toegepast op alle invoer van de bedoelde produkten tot op het tijdstip waarop het tariefcontingent geheel is uitgeput; dat een regeling voor het beheer van het communautaire tariefcontingent, gebaseerd op een verdeling over de betrokken Lid-Staten in overeenstemming lijkt te zijn met het communautaire karakter van dat contingent in het licht van de hiervoren uiteengezette beginselen;
Overwegende dat op grond van deze gegevens en de uitvoerbare ramingen, de percentages van het aanvankelijke aandeel in het contingent bij benadering als volgt kunnen worden bepaald:
Benelux 0,19
Denemarken 0,19
Duitsland 16,54
Griekenland 0,19
Frankrijk 3,67
Ierland 0,19
Italië 73,52
Verenigd Koninkrijk 5,51;
Overwegende dat het, ten einde rekening te houden met de ontwikkeling van de invoer van genoemd produkt in de verschillende Lid-Staten, dienstig is het contingent in twee gedeelten te splitsen, waarvan het eerste gedeelte over de Lid-Staten van de Gemeenschap van de Tien wordt verdeeld, terwijl het tweede gedeelte een reserve vormt ter voorziening in de verdere behoeften van de Lid-Staten wanneer zij hun aanvankelijke quotum hebben verbruikt alsook in de behoeften van de nieuwe Lid-Staten; dat het, ten einde aan de importeurs in elke Lid-Staat enige zekerheid te verschaffen, dienstig is het eerste gedeelte van het communautaire tariefcontingent vast te stellen op een niveau dat in het onderhavige geval ongeveer 78 % van het volume van het contingent zou kunnen bedragen;
Overwegende dat de aanvankelijke quota meer of minder spoedig kunnen zijn verbruikt; dat het, ten einde daarmee rekening te houden en iedere onderbreking te voorkomen, van belang is dat iedere Lid-Staat die zijn aanvankelijke quotum nagenoeg geheel heeft opgebruikt, overgaat tot opneming van een extra quotum uit de reserve; dat dergelijke opnemingen door iedere Lid-Staat moeten worden verricht wanneer elk van zijn extra quota vrijwel geheel is benut en wel zo vaak als de reserve dit toelaat; dat de aanvankelijke en de extra quota moeten gelden tot aan het einde van de geldigheidsduur van het contingent; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, die met name de benuttingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten daarover moet kunnen inlichten; Overwegende dat het noodzakelijk is dat een Lid-Staat die op een bepaald tijdstip van de geldigheidsduur van het contingent een aanzienlijk overschot van het aanvankelijke quotum heeft, daarvan een belangrijk percentage in de reserve terugstort, ten einde te voorkomen dat in een Lid-Staat een gedeelte van het communautaire tariefcontingent onbenut blijft terwijl andere Lid-Staten er gebruik van zouden kunnen maken;
Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van de aan genoemde Economische Unie toegewezen quota kan worden verricht door een haar leden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Van 1 januari tot en met 31 december 1986 wordt het autonome recht van het gemeenschappelijk douanetarief voor garens, geheel van vlokzijde, niet gereed voor de verkoop in het klein, van post 50.05 A, volledig geschorst in het kader van een communautair tariefcontingent van 700 ton.
2. Binnen de grenzen van dit tariefcontingent worden door Spanje en Portugal rechten toegepast die worden berekend overeenkomstig de bepalingen ter zake in de Akte inzake de toetreding van Spanje en Portugal.
Artikel 2
1. Van dit communautaire tariefcontingent wordt een eerste gedeelte van 544 ton over de Lid-Staten van de Gemeenschap van de Tien verdeeld; de quota die, behoudens het bepaalde in artikel 5, gelden tot en met 31 december 1986 worden als volgt vastgesteld:
1.2 // // (in ton) // Benelux // 1 // Denemarken // 1 // Duitsland // 90 // Griekenland // 1 // Frankrijk // 20 // Ierland // 1 // Italië // 400 // Verenigd Koninkrijk // 30.
2. Het tweede gedeelte, dat 156 ton beloopt, vormt de reserve.
3. Indien, vanaf 1 maart 1986, een importeur melding maakt van op handen zijnde invoer van de desbetreffende produkten in Spanje of in Portugal en indien hij verzoekt om voor het contingent in aanmerking te komen, gaat de betrokken Lid-Staat, door middel van een kennisgeving aan de Commissie, over tot opneming van een hoeveelheid die overeenstemt met zijn behoeften voor zover het beschikbare saldo van de reserve zulks toelaat.
Artikel 3
1. Indien het aanvankelijke quotum van een Lid-Staat, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 1, dan wel dat zelfde quotum verminderd met het bij toepassing van artikel 5 in de reserve teruggestorte gedeelte, voor 90 % of meer is benut, gaat deze Lid-Staat, door middel van een kennisgeving aan de Commissie, voor zover in de reserve nog een voldoende hoeveelheid aanwezig is, onverwijld over tot opneming van een tweede quotum gelijk aan 10 % van zijn aanvankelijke quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.
2. Indien een Lid-Staat na volledige benutting van zijn aanvankelijke quotum het door hem opgenomen tweede quotum voor 90 % of meer heeft aangewend, gaat hij, op de in lid 1 omschreven wijze, onverwijld over tot opneming van een derde quotum, gelijk aan 5 % van zijn aanvankelijke quotum, eventueel op de volgende eenheid naar boven afgerond.
3. Indien een Lid-Staat, na volledige benutting van zijn tweede quotum, het door hem opgenomen derde quotum voor 90 % of meer heeft aangewend, gaat hij op dezelfde wijze onverwijld over tot opneming van een vierde quotum, dat gelijk is aan het derde.
Deze procedure wordt toegepast totdat de reserve is uitgeput.
4. In afwijking van het bepaalde in de leden 1 tot en met 3 kan een Lid-Staat overgaan tot opneming van geringere hoeveelheden dan de in die leden vastgestelde quota wanneer er aanleiding is om aan te nemen dat die quota wellicht niet geheel zouden worden benut. De betrokken Lid-Staat deelt aan de Commissie de redenen mede die tot toepassing van de bepalingen van het onderhavige lid hebben geleid.
Artikel 4
De overeenkomstig artikel 3 opgenomen extra quota gelden tot en met 31 december 1986.
Artikel 5
De Lid-Staten storten uiterlijk op 1 oktober 1986 van het niet benutte gedeelte van hun aanvankelijke quotum dat deel in de reserve terug dat op 15 september 1986 20 % van het aanvankelijke quotum te boven gaat. Zij kunnen een grotere hoeveelheid terugstorten, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat deze wellicht onbenut zal blijven.
De Lid-Staten geven uiterlijk op 1 oktober 1986 aan de Commissie kennis van de totale invoer van de betrokken garens, die tot en met 15 september 1986 heeft plaatsgevonden en op het communautaire tariefcontingent is afgeboekt, alsmede eventueel van het gedeelte van hun aanvankelijke quotum dat zij in de reserve terugstorten.
Artikel 6
De Commissie houdt boek van de door de Lid-Staten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2 en 3 geopende quota en geeft, zodra de opgaven haar bereiken, alle Lid-Staten kennis van de nog in de reserve aanwezige hoeveelheden.
Zij stelt de Lid-Staten uiterlijk op 5 oktober 1986 in kennis van de stand der reserve na de overeenkomstig artikel 5 verrichte terugstortingen. Zij ziet erop toe dat de opneming waardoor de reserve volledig wordt uitgeput tot de nog beschikbare hoeveelheid beperkt blijft en deelt daartoe aan de Lid-Staat die deze laatste opneming verricht mede hoeveel dit saldo bedraagt.
Artikel 7
1. De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat bij opening van de met toepassing van artikel 3 door hen opgenomen extra quota, de door hen ingevoerde hoeveelheden zonder onderbreking kunnen worden afgeboekt op hun gecumuleerde aandeel in het communautaire tariefcontingent.
2. De Lid-Staten waarborgen de importeurs van de betrokken produkten vrije toegang tot de hun toegewezen quota.
3. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheden af op hun quota naar gelang de betrokken produkten bij de douane ten invoer in het vrije verkeer worden aangegeven.
4. De uitputtingsgraad van de quota van de Lid-Staten wordt vastgesteld aan de hand van de ingevoerde hoeveelheden, die op de in lid 3 omschreven wijze zijn afgeboekt.
Artikel 8
De Lid-Staten stellen de Commissie op haar verzoek op de hoogte van de invoer die daadwerkelijk op hun quota is afgeboekt.
Artikel 9
De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om te bereiken dat het bepaalde in deze verordening wordt nagekomen.
Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1986.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 11 november 1985.
Voor de Raad
De Voorzitter
M. SCHLECHTER