Home

Verordening (EEG) nr. 1650/86 van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de restituties en heffingen bij uitvoer van olijfolie

Verordening (EEG) nr. 1650/86 van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de restituties en heffingen bij uitvoer van olijfolie

*****

VERORDENING (EEG) Nr. 1650/86 VAN DE RAAD

van 26 mei 1986

betreffende de restituties en heffingen bij uitvoer van olijfolie

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1454/86 (2), inzonderheid op artikel 20, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat de restitutie bij de uitvoer van olijfolie moet worden vastgesteld volgens zodanige criteria dat het verschil tussen de noteringen of prijzen van dit produkt in de Gemeenschap en die op de wereldmarkt kan worden overbrugd met inachtneming van de algemene doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening in de sector olijfolie; dat daartoe enerzijds rekening moet worden gehouden met de voorzieningssituatie voor olijfolie en met de olijfolieprijzen in de Gemeenschap van de Twaalf en anderzijds met de prijs voor olijfolie op de wereldmarkt; dat, ingeval de prijstendens voor olijfolie op de wereldmarkt moeilijk kan worden bepaald, rekening dient te worden gehouden met de op de wereldmarkt geconstateerde verhouding tussen de prijs van concurrerende plantaardige oliën en de prijs van olijfolie; dat eveneens rekening dient te worden gehouden met de kosten bij de uitvoer van het produkt op de wereldmarkt;

Overwegende dat het wenselijk is te voorzien in de mogelijkheid om het restitutiebedrag te differentiëren naar gelang van de bestemming van de produkten op basis van de afstand tussen de markten van de Gemeenschap en de markten van de landen van bestemming, alsmede van de bijzondere invoervoorwaarden in bepaalde landen van bestemming; dat het eveneens wenselijk is te voorzien in de mogelijkheid om het restitutiebedrag te laten variëren naar gelang van de kwaliteit en de aanbiedingsvorm van het produkt;

Overwegende dat, om concurrentiedistorsies tussen de handelaren van de Gemeenschap te voorkomen, de na te leven administratieve voorschriften in de gehele Gemeenschap dezelfde dienen te zijn;

Overwegende dat, ten einde de exporteurs van de Gemeenschap voldoende stabiliteit in het restitutiebedrag te waarborgen en tevens met de fluctuaties van de olijfolieprijzen rekening te houden, de periode tijdens welke de restitutie onveranderd blijft, op ten hoogste één maand dient te worden bepaald, onder voorbehoud van tussentijdse wijzigingen waartoe eventueel mocht zijn besloten om te garanderen dat het vorenstaande in acht wordt genomen;

Overwegende dat de gegevens betreffende de situatie op de wereldmarkt onvoldoende kunnen blijken om de uitvoerrestitutie volgens de normale procedure vast te stellen; dat het wenselijk lijkt voor dat geval te voorzien in de mogelijkheid om het restitutiebedrag bij openbare inschrijving vast te stellen;

Overwegende dat met betrekking tot de heffing bij uitvoer de in artikel 20, lid 2, van Verordening nr. 136/66/EEG bedoelde voorschriften zodanig moeten zijn dat op grond daarvan speculatieve uitvoertransacties kunnen worden belet, die zouden kunnen voortvloeien uit de stijging van de wereldmarktprijzen en waardoor de markt van de Gemeenschap zou kunnen worden verstoord; dat dit doel kan worden bereikt door het bedrag van de heffing te beperken tot het verschil tussen de cif-prijs en de representatieve marktprijs van het uitgevoerde produkt;

Overwegende dat, gezien de opeenvolgende wijzigingen van Verordening nr. 171/67/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de restituties en heffingen bij uitvoer van olijfolie (3), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1979, deze duidelijkheidshalve moet worden ingetrokken en door de onderhavige verordening vervangen; dat evenwel een overgangsbepaling moet worden vastgesteld met betrekking tot de restituties bij uitvoer van olijfolie die worden verleend in de vorm van een machtiging om heffingvrij in te voeren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING

VASTGESTELD:

Artikel 1

In deze verordening worden de regels vastgesteld voor de vaststelling en de toekenning van de restitutie, alsmede voor de vaststelling van de heffing bij uitvoer van olijfolie.

Artikel 2

De restitutie is dezelfde voor de gehele Gemeenschap.

Wanneer de situatie op de wereldmarkt of de bijzondere eisen van bepaalde markten zulks noodzakelijk maken, kan de restitutie worden gedifferentieerd naar gelang van land van bestemming, kwaliteit en aanbiedingsvorm.

De restitutie wordt door de Lid-Staten verleend op verzoek van de belanghebbende.

Artikel 3

1. De restitutie wordt ten minste éénmaal per maand vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG. Indien zulks noodzakelijk is, kan de Commissie, op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief, de restitutie tussentijds wijzigen.

2. Het toe te passen restitutiebedrag is het bedrag dat op de dag van uitvoer van kracht is.

3. Op verzoek evenwel van de belanghebbende, welk verzoek tegelijkertijd met de aanvraag van het uitvoercertificaat wordt ingediend, wordt de op de dag van indiening van de aanvraag van het uitvoercertificaat geldende restitutie toegepast, aangepast aan de hand van het verschil tussen de drempelprijs op de dag van indiening van de aanvraag en de dag van uitvoer. Deze restitutie heeft betrekking op de uitvoer die tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zal plaatsvinden.

Artikel 4

Bij de vaststelling van de restitutie wordt rekening gehouden met de situatie en de verwachte ontwikkeling:

- van de olijfolieprijzen en de beschikbare hoeveelheden op de markt van de Gemeenschap,

- van de olijfolieprijzen op de wereldmarkt.

Indien evenwel de situatie op de wereldmarkt het niet mogelijk maakt de gunstigste noteringen voor olijfolie te bepalen, kan rekening worden gehouden met de wereldmarktprijs van de voornaamste concurrerende plantaardige oliën en met het gedurende een representatieve periode geconstateerde verschil tussen deze prijs en die van olijfolie.

Het restitutiebedrag mag niet hoger zijn dan het verschil tussen de prijs voor olijfolie in de Gemeenschap en die op de wereldmarkt, in voorkomend geval aangepast ten einde rekening te houden met de kosten voor de uitvoer van de produkten op de wereldmarkt.

Artikel 5

Indien de marktsituatie zulks rechtvaardigt, kan volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG worden besloten de restitutie bij openbare inschrijving vast te stellen. De inschrijving heeft betrekking op het bedrag van de restitutie en kan worden beperkt tot bepaalde landen van bestemming, hoeveelheden, kwaliteiten en aanbiedingsvormen.

Artikel 6

1. De heffing bij uitvoer wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in lid 2 en lid 3.

2. Voor olijfolie die niet aan een raffinageproces onderworpen is geweest, mag het bedrag van de heffing niet hoger zijn dan de overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening nr. 136/66/EEG vastgestelde cif-prijs voor olijfolie, verminderd met de overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van die verordening vastgestelde representatieve marktprijs.

Voor olijfolie die aan een raffinageproces onderworpen is geweest, mag het bedrag van de heffing niet hoger zijn dan de in de eerste alinea bedoelde cif-prijs, verminderd met de representatieve marktprijs, waarbij het verschil naar gelang van het geval wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt van artikel 2 of de coëfficiënt van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 443/72 van de Raad van 29 februari 1972 betreffende de heffingen op olijfolie welke aan een raffinageproces onderworpen is geweest, alsmede op sommige produkten welke olijfolie bevatten (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2560/77 (2).

3. De heffing bij uitvoer wordt vastgesteld door de Commissie.

Artikel 7

De uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG.

Artikel 8

Verordening nr. 171/67/EEG wordt ingetrokken.

Artikel 9 van die verordening blijft echter van toepassing tot en met 31 oktober 1986.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 1986.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 26 mei 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

G. BRAKS

(1) PB nr. 172 van 30. 9. 1966, blz. 3025/66.

(2) PB nr. L 133 van 21. 5. 1986, blz. 8.

(3) PB nr. 130 van 28. 6. 1967, blz. 2600/67.

(1) PB nr. L 54 van 3. 3. 1972, blz. 3.

(2) PB nr. L 303 van 28. 11. 1977, blz. 1.