Richtlijn 88/366/EEG van de Commissie van 17 mei 1988 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/649/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gezichtsveld van de bestuurder van motorvoertuigen
Richtlijn 88/366/EEG van de Commissie van 17 mei 1988 houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/649/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gezichtsveld van de bestuurder van motorvoertuigen
*****
RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE
van 17 mei 1988
houdende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 77/649/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gezichtsveld van de bestuurder van motorvoertuigen
(88/366/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 87/403/EEG (2), inzonderheid op artikel 11,
Gelet op Richtlijn 77/649/EEG van de Raad van 27 september 1977, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het gezichtsveld van de bestuurder van motorvoertuigen (3), gewijzigd bij Richtlijn 81/643/EEG (4), inzonderheid op artikel 5,
Overwegende dat de constructietechniek van voertuigen een verdere ontwikkeling heeft doorgemaakt, in het bijzonder onder invloed van het onderzoek op het gebied van de aerodynamica met het oog op brandstofbesparing, hetgeen in veel gevallen heeft geleid tot de constructie van vrij vlak liggende voorruitstijlen; dat het gewenst is de thans bestaande voorschriften inzake de afscherming voor beide ogen door de voorruitstijlen te wijzigen ten einde de moeilijkheden te beperken die de fabrikanten ondervinden bij de bouw van voertuigen met een optimale luchtweerstandscoëfficiënt (Cx);
Overwegende dat de ervaringen in de praktijk de noodzaak hebben aangetoond om tevens bepaalde andere voorschriften te wijzigen inzake »radioantennes" en in de voorruit aangebrachte geleiders voor »ontdooiing/ontwaseming" ten einde enerzijds een goede en zuivere ontvangst met de meest krachtige autoradio's mogelijk te maken en anderzijds een opvoering van het vermogen en de doelmatigheid te bewerkstelligen bij de ontdooiing en ontwaseming van de voorruit met inachtneming van een goede optische kwaliteit en zonder het gezichtsveld te belemmeren;
Overwegende dat de bepalingen van onderhavige richtlijn in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor aanpassing van de richtlijnen tot opheffing van technische handelsbelemmeringen bij motorvoertuigen aan de vooruitgang van de techniek,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
De lijst van bijlagen en de bijlagen I en IV van Richtlijn 77/649/EEG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.
Artikel 2
De Lid-Staten doen de nodige maatregelen in werking treden om uiterlijk op 1 oktober 1988 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis.
Artikel 3
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Gedaan te Brussel, 17 mei 1988.
Voor de Commissie
COCKFIELD
Vice-Voorzitter
(1) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1.
(2) PB nr. L 220 van 8. 8. 1987, blz. 44.
(3) PB nr. L 267 van 19. 10. 1977, blz. 1.
(4) PB nr. L 231 van 15. 8. 1981, blz. 41.
BIJLAGE
De lijst van bijlagen wordt als volgt gewijzigd:
na bijlage III wordt toegevoegd:
»Aanhangsel: figuren 1 en 2";
na bijlage IV wordt toegevoegd:
»Aanhangsel: figuren 1 tot en met 7".
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
de punten 5.1.2 tot en met 5.1.2.1.2 worden vervangen door de volgende punten:
1.2 // »5.1.2. // De afschermingshoek voor elke A-stijl, zoals omschreven in punt 5.1.2.1, mag niet meer bedragen dan 6° (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 3). // // De afschermingshoek door de A-stijl aan de passagierszijde, zoals omschreven in punt 5.1.2.1.2, behoeft niet te worden vastgesteld wanneer de beide stijlen symmetrisch zijn ten opzichte van het verticale middenlangsvlak van het voertuig. // 5.1.2.1. // Bij elke A-stijl wordt de afschermingshoek gemeten door beide volgende horizontale doorsneden in één vlak op elkaar te brengen: // // Doorsnede 1: Door vanaf punt Pm, zich bevindend op de plaats omschreven in punt 5.3.1.1, een vlak te tekenen dat naar boven een hoek van 2° vormt met het horizontale door Pm naar voren lopende vlak. De horizontale doorsnede door de A-stijl wordt bepaald op basis van het meest voorwaarts gelegen punt van de snijlijn van de A-stijl en het hellend vlak (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 2). // // Doorsnede 2: Herhaal dezelfde procedure, waarbij wordt uitgegaan van een vlak dat een hoek van 5° naar beneden vormt met het horizontale door Pm naar voren lopende vlak (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 2). // 5.1.2.1.1. // De afschermingshoek door de A-stijl aan de bestuurderszijde is de hoek die op het bovenaanzicht wordt gevormd door een evenwijdige lijn vanuit E2 naar de raaklijn vanuit E1 aan de buitenrand van doorsnede S2 en de raaklijn vanuit E2 aan de binnenrand van doorsnede S1 (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 3). // 5.1.2.1.2. // De afschermingshoek door de A-stijl aan de passagierszijde is de hoek die op het bovenaanzicht wordt gevormd door een evenwijdige lijn vanuit E3 naar de raaklijn vanuit E3 aan de binnenrand van doorsnede S1 en de raaklijn vanuit E4 aan de buitenrand van doorsnede S2 (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 3).";
punt 5.1.3 wordt vervangen door het volgende punt:
1.2 // »5.1.3. // Er mag geen andere afscherming ontstaan dan die welke wordt teweeggebracht door de A-stijlen, de verdeelstijlen van vaste of beweegbare ventilatie- of zijraampjes, aan de buitenzijde geplaatste radioantennes, achteruitkijkspiegels en ruitewissers in het rechtstreeks gezichtsveld van de bestuurder naar voren over 180°, onder een horizontaal vlak door V1 en boven drie vlakken door V2, waarvan één loodrecht op het vlak X-Z en voorwaarts 4° hellend onder het horizontale vlak en de beide andere loodrecht op het vlak Y-Z en 4° naar beneden hellend onder het horizontale vlak (zie bijlage IV, figuur 4). // // Als niet-belemmerend voor het gezichtsveld worden beschouwd: // // - ingelaten of opgedrukte radioantennegeleiders met de volgende maximumbreedte: // // - ingelaten geleiders: 0,5 millimeter, // // - opgedrukte geleiders: 1,0 millimeter. // // Deze radioantennegeleiders mogen de zone A, zoals omschreven in Richtlijn 78/318/EEG betreffende ruitewissers en -sproeiers van motorvoertuigen (1), niet doorkruisen. De zone A mag echter worden doorkruist door drie radioantennegeleiders indien de breedte daarvan niet groter is dan 0,5 millimeter;
(1) PB nr. L 81 van 28. 3. 1978, blz. 49.
// - binnen de zone A normaal in zigzag- of sinusvorm aangebrachte geleiders voor ontdooiing/ontwaseming met de volgende afmetingen: // // - zichtbare maximumbreedte: 0,03 millimeter, // // - maximale dichtheid van de geleiders: // // - bij verticale geleiders: 8/cm, // // - bij horizontale geleiders: 5/cm.";
punt 5.3.1.1 wordt vervangen door het volgende punt:
1.2 // »5.3.1.1. // Tabel II geeft de fundamentele cooerdinaten voor een ontwerprugleuninghoek van 25°. De positieve richting voor de cooerdinaten is weergegeven in bijlage IV, Aanhangsel, figuur 1. // // Pm is het snijpunt van de lijn die P1 met P2 verbindt en het verticale langsvlak dat door punt R loopt.
TABEL II
1.2.3.4.5 // // // // // // // Punt P // X // Y // Z // // // // // // // P1 // 35 mm // 20 mm // 627 mm // // // // // // // P2 // 63 mm // 47 mm // 627 mm // // // // // // // Pm // 43,36 mm // 0 mm // 627 mm" // // // // //
punt 5.5.2 wordt vervangen door het volgende punt:
1.2 // »5.5.2. // De rechte die E1 met E2 verbindt, wordt om P1 gedraaid totdat de raaklijn uit E1 aan de buitenrand van de doorsnede S2 van de A-stijl aan de zijde van de bestuurder een hoek van 90° vormt met de rechte E1-E2 (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 3).";
de punten 5.5.2.1 en 5.5.2.2 komen te vervallen;
punt 5.5.4 wordt vervangen door het volgende punt:
1.2 // »5.5.4. // De rechte die E3 met E4 verbindt wordt om P2 gedraaid totdat de raaklijn uit E4 aan de buitenrand van de doorsnede S2 van de A-stijl aan de zijde van de passagier een hoek van 90° vormt met de rechte E3-E4 (zie bijlage IV, Aanhangsel, figuur 3).";
punt 6.1.4 wordt vervangen door het volgende punt:
1.2 // »6.1.4. // De afschermingshoek (zie 5.1.2) wordt gemeten in de hellende vlakken zoals aangegeven in bijlage IV, Aanhangsel, figuur 2. De relatie tussen P1 en P2, die respectievelijk verbonden zijn met E1 en E2, E3 en E4, is weergegeven in bijlage IV, Aanhangsel, figuur 5.";
de punten 6.1.4.1 en 6.1.4.2 worden vervangen door de volgende punten:
1.2 // »6.1.4.1. // De rechte die E1 met E2 verbindt, dient op de in punt 5.5.2 beschreven wijze te worden geplaatst. De afschermingshoek door de A-stijl van de zijde van de bestuurder wordt dan gemeten zoals aangegeven in punt 5.1.2.1.1. // 6.1.4.2. // De rechte die E3 met E4 verbindt, dient op de in punt 5.5.4 beschreven wijze te worden geplaatst. De afschermingshoek door de A-stijl aan de zijde van de passagier wordt dan gemeten zoals aangegeven in punt 5.1.2.1.2.";
het volgende nieuwe punt 6.1.5 wordt toegevoegd:
1.2 // »6.1.5. // De fabrikant kan de afschermingshoek meten op het voertuig of op de schema's. In geval van twijfel kunnen de technische diensten eisen dat proeven aan het voertuig worden verricht.";
bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:
vóór de figuren wordt het woord »Aanhangsel" ingevoegd;
figuur 2 wordt vervangen door onderstaande figuur:
»Figuur 2
" na figuur 2 wordt een nieuwe figuur 3 toegevoegd:
»Figuur 3
evenwijdig aan
Afschermingshoek door
de »A"-stijl aan de
zijde van de passagier
Afschermingshoek door
de »A"-stijl aan de
zijde van de bestuurder
evenwijdig aan
"
de figuren 3, 4, 5 en 6 worden respectievelijk de figuren 4, 5, 6 en 7. //