Home

VERORDENING (EEG) Nr. 2506/88 VAN DE RAAD van 26 juli 1988 tot vaststelling van een communautair programma voor de omschakeling van scheepsbouwzones (Programma RENAVAL) #

VERORDENING (EEG) Nr. 2506/88 VAN DE RAAD van 26 juli 1988 tot vaststelling van een communautair programma voor de omschakeling van scheepsbouwzones (Programma RENAVAL) #

VERORDENING ( EEG ) Nr . 2506/88 VAN DE RAAD van 26 juli 1988 tot vaststelling van een communautair programma voor de omschakeling van scheepsbouwzones ( Programma RENAVAL )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG ) nr . 1787/84 van de Raad van 19 juni 1984 inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ( 1 ), inzonderheid op artikel 7, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 2 ),

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 3 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 4 ),

Overwegende dat volgens titel V van het Verdrag met name gestreefd wordt naar een versterking van de economische en sociale samenhang;

Overwegende dat in artikel 7 van Verordening ( EEG ) nr . 1787/84, hierna "EFRO-verordening'' genoemd, is bepaald dat het Fonds kan deelnemen in de financiering van communautaire programma's die ten doel hebben bij te dragen tot het oplossen van ernstige problemen die een nadelige invloed hebben op de sociaal-economische situatie in een of meer regio's en die een betere samenhang tot stand moeten brengen tussen de communautaire doelstellingen inzake de structurele ontwikkeling of de omschakeling van de regio's en de doelstellingen van andere vormen van communautair beleid;

Overwegende dat de Raad op 26 januari 1987 Richtlijn 87/167/EEG betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw ( 5 ) heeft aangenomen, waarin uitgegaan wordt van een verdere vermindering van de scheepsbouwcapaciteit van de Gemeenschap en van een nog sterkere vermindering van de werkgelegenheid; dat een en ander ook voor de verbouwing en de herstelling van schepen geldt;

Overwegende dat een aantal sterk van de scheepsbouw afhankelijke zones van de Gemeenschap, die als gevolg van de achteruitgang van de scheepsbouw al aanmerkelijke verliezen aan arbeidsplaatsen hebben geleden, door een verergering van deze ongunstige gevolgen worden bedreigd;

Overwegende dat het van belang is dat de Gemeenschap de pogingen ondersteunt die ondernomen moeten worden om de arbeidsplaatsen te vervangen welke als gevolg van herstructureringsmaatregelen verloren zijn gegaan door in de betrokken regio's nieuwe activiteiten te scheppen waardoor in andere sectoren arbeidsplaatsen ontstaan;

Overwegende dat de Raad bij de vaststelling van genoemde richtlijn tevens heeft gemeend dat aanvullende maatregelen zouden moeten worden vastgesteld om de sociale en regionale gevolgen van de herstructurering van de scheepsbouwsector op te vangen; dat de Commissie te dien einde aan de Raad en het Europese Parlement een mededeling over de industriële, sociale en regionale aspecten van de scheepsbouw heeft doen toekomen; dat de Commissie in deze mededeling met name de opstelling van een communautair programma in de zin van artikel 7 van de EFRO-verordening voorstelt, dat op de omschakeling van de zones die op communautair niveau het zwaarst zijn getroffen dient te zijn gericht;

Overwegende dat de Raad op 7 oktober 1980 Verordening ( EEG ) nr . 2617/80 ( 6 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 3635/85 ( 7 ), heeft aangenomen, waarbij een specifieke communautaire actie voor regionale ontwikkeling werd ingesteld om bij te dragen tot het uit de weg ruimen van de hinderpalen voor de ontwikkeling van nieuwe economische activiteiten in sommige, door de herstructurering van de scheepsbouw getroffen zones; dat de door de herstructurering van de scheepsbouw getroffen zones van de nieuwe Lid-Staten van de Gemeenschap de mogelijkheid moet worden geboden om in aanmerking te komen voor maatregelen, in de vorm van een communautair programma, die overeenkomen met die welke bij de genoemde verordening werden ingevoerd;

Overwegende dat het wegens de verergering van de moeilijkheden in de scheepsbouw ook nodig zal zijn in andere zones van de Gemeenschap maatregelen in de vorm van een communautair programma te treffen die overeenkomen met die welke bij Verordening ( EEG ) nr . 2617/80 voor bepaalde zones van de Gemeenschap werden getroffen en, in voorkomend geval, de in laatstgenoemde zones geldende maatregelen in dezelfde vorm te versterken;

Overwegende dat de betrokken Lid-Staten de Commissie de nodige gegevens hebben medegedeeld; dat zij voorts overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 87/167/EEG zijn gehouden de Commissie jaarlijks verslagen over de verwezenlijking van de herstructureringsdoeleinden te doen toekomen;

Overwegende dat het communautaire programma, door bij te dragen tot de omschakeling van de door de herstructurering van de scheepsbouw getroffen industriegebieden in verval, zowel de doelstellingen van het regionaal beleid als die van de Gemeenschap op het gebied van de scheepsbouw helpt nastreven; dat de communautaire deelneming derhalve het in de EFRO-verordening genoemde maximum dient te bereiken en dat het programma tevens bij het beheer van de middelen van het Fonds prioriteit geniet;

Overwegende dat dient te worden voorkomen dat de steun uit hoofde van specifieke communautaire acties op basis van de oude Verordening ( EEG ) nr . 724/75 ( 8 ) of van Verordening ( EEG ) nr . 3634/85 ( 9 ) wordt gecumuleerd met de steun die op grond van het onderhavige communautaire programma wordt verleend;

Overwegende dat de communautaire bijstandsverlening ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van door de bevoegde instanties van de belanghebbende Lid-Staten opgestelde meerjarenprogramma's; dat het om een goed financieel beheer van het Fonds te garanderen, noodzakelijk is dat de Lid-Staten deze bijstandsverleningsprogramma's binnen een zekere termijn na de vaststelling van de onder het communautaire programma vallende zones aan de Commissie doen toekomen; dat de Commissie zich er bij de goedkeuring van de programma's van moet vergewissen dat de daarin vervatte maatregelen met deze verordening in overeenstemming zijn;

Overwegende dat het vanwege het communautaire karakter van deze programma's van belang is dat het Europese Parlement op passende wijze in kennis wordt gesteld van de inhoud en de uitvoering van de in artikel 7 van deze verordening bedoelde bijstandverleningsprogramma's;

Overwegende dat het onderhavige communautaire programma in de lijn ligt van de hervorming van de structuurfondsen bedoeld in artikel 130 D van het Verdrag en dat de daarin vervatte keuze van de regio's evenals de criteria waarop deze keuze is gegrond in overeenstemming moeten zijn met de aanpak die in het kader van genoemde hervorming zal worden gevolgd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1 Er wordt een communautair programma in de zin van artikel 7 van de EFRO-verordening vastgesteld, waarmee aanmerkelijk wordt bijgedragen tot de omschakeling van bepaalde, in verval verkerende industriële gebieden van de Gemeenschap die door de herstructurering van de scheepsbouw zijn getroffen .

Artikel 2 Het communautaire programma heeft ten doel, in de betrokken zones bij te dragen tot het uit de weg ruimen van de hinderpalen voor de ontwikkeling van nieuwe, werkgelegenheidscheppende economische activiteiten . Te dien einde voorziet het in de uitvoering van een pakket van samenhangende en meerjarige maatregelen die gericht zijn op verbetering van de uitrusting en van het fysieke en sociale milieu in de betrokken zones, alsmede op de ontwikkeling van nieuwe activiteiten, de ontwikkeling van het midden - en kleinbedrijf en de stimulering van innovatie . Het communautaire programma brengt aldus een betere samenhang tot stand tussen de communautaire doelstellingen inzake de omschakeling van de regio's en de doelstellingen die met het scheepsbouwbeleid van de Gemeenschap worden nagestreefd .

Artikel 3 1 . a ) Het communautaire programma heeft betrekking op de zones waarin zich in de loop van de laatste drie jaren, en ten vroegste sinds 1 januari 1984, aanzienlijke verliezen aan arbeidsplaatsen in de scheepsbouwsector hebben voorgedaan, voordoen of in de nabije toekomst zeer waarschijnlijk zullen voordoen wanneer deze sector bepalend is voor hun economische ontwikkeling, met als gevolg een sterke stijging van de werkloosheid in deze gebieden .

b ) Het communautaire programma heeft voorts betrekking op de zones die overeenkomen met of behoren tot een territoriale eenheid van het niveau NUTS III en die aan elk van de volgende criteria voldoen :

- een gemiddeld werkloosheidscijfer dat hoger ligt dan het communautaire gemiddelde dat in de loop van de laatste drie jaren werd opgetekend,

- een werkgelegenheidspercentage in de industrie dat vergeleken met de totale werkgelegenheid gelijk of hoger ligt dan het communautaire gemiddelde voor elk referentiejaar vanaf het jaar 1975,

- een achteruitgang van de werkgelegenheid in de industrie ten opzichte van het in het vorige streepje aangehouden referentiejaar,

en voor zover zij ook voldoen aan de onder a ) genoemde sectoriële criteria .

Het communautaire programma kan zich uitstrekken tot aangrenzende zones die aan voornoemde criteria voldoen .

2 . Het communautaire programma is, bij beschikking van de Commissie, van toepassing op de in lid 1 bedoelde zones . De Commissie geeft haar beschikking binnen een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken Lid-Staat een aanvraag heeft ingediend voor de zones die voor het communautaire programma in aanmerking kunnen komen . De aanvragen moeten uiterlijk op 30 april 1990 bij de Commissie worden ingediend en vergezeld gaan van de nodige gegevens, met name betreffende de verliezen aan arbeidsplaatsen in de scheepsbouw; deze gegevens dienen in overeenstemming te zijn met die welke worden verstrekt in de jaarlijkse verslagen over het bereiken van de herstructureringsdoelstellingen, die de Lid-Staten overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 87/167/EEG aan de Commissie moeten doen toekomen .

3 . Vanaf de inwerkingtreding van deze verordening is het communautaire programma van toepassing op de Spaanse en de Portugese zones waarin zich in de loop van de jaren die voorafgingen aan de in lid 1 bedoelde periode aanzienlijke verliezen aan arbeidsplaatsen in de scheepsbouw hebben voorgedaan . Dit zijn :

- de regio Murcia in Spanje, alsmede - de zone van Setubal in Portugal .

Artikel 4 Het EFRO kan in het kader van het communautaire programma deelnemen aan werkzaamheden als omschreven in artikel 4 van Verordening ( EEG ) nr . 2617/80, met uitzondering van het bepaalde in punt 2 .

In het kader van deze verordening kan het Fonds ook deelnemen in de financiering van infrastructuur die bijdraagt tot het scheppen, het ontwikkelen en het aanpassen van werkgelegenheidscheppende economische activiteiten .

Voorts kunnen de in artikel 4, punt 8, van Verordening ( EEG ) nr . 2617/80 bedoelde steunmaatregelen voor de toepassing van deze verordening ook betrekking hebben op investeringen voor toeristische activiteiten .

Artikel 5 1 . Het communautaire programma wordt door de Lid-Staat en de Gemeenschap gezamenlijk gefinancierd . De bijstand van het EFRO, die niet hoger mag zijn dan 55 % van alle in het programma overwogen overheidsuitgaven, wordt verleend ten laste van de te dien einde in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen opgevoerde kredieten . De deelneming van de Gemeenschap per soort activiteiten kan niet meer bedragen dan het niveau vastge - steld in artikel 5, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 2617/80, met uitzondering van punt b ).

Met betrekking tot de infrastructuur, bedoeld in artikel 4, tweede alinea, van deze verordening kan de communautaire financiering maximaal 50 % van de overheidsuitgaven bedragen .

2 . Wanneer het communautaire programma betrekking heeft op Portugese zones, worden de in lid 1 bedoelde percentages van de deelneming van het EFRO tot en met 31 december 1990 met 20 punten verhoogd tot maximaal 70 %.

Artikel 6 1 . De investeringssteun kan geheel of gedeeltelijk worden verleend in de vorm van een kapitaalsubsidie of van een rentesubsidie .

2 . De categorieën begunstigden die voor de in artikel 4 bedoelde werkzaamheden voor EFRO-steun in aanmerking komen kunnen zijn : overheidsinstanties, territoriale publiekrechtelijke lichamen, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, allerlei organisaties, ondernemingen, cooeperaties of zelfstandigen die een produktieve activiteit beoefenen .

3 . Cumulering van de op grond van dit communautaire programma toegekende steun met de steun die voor hetzelfde project wordt verleend uit hoofde van de specifieke communautaire acties op basis van Verordening ( EEG ) nr . 724/75 of van Verordening ( EEG ) nr . 3634/85 is uitgesloten .

Bovendien mag de steun als bepaald in artikel 5, lid 1, onder c ) en e ), van Verordening ( EEG ) nr . 2617/80, alsmede de steun als bedoeld onder g ) van dit lid, wanneer deze rechtstreeks ten goede komt aan de ondernemingen, niet tot gevolg hebben dat het aandeel van de begunstigde ondernemingen tot minder dan 20 % van de totale uitgaven wordt verminderd .

Artikel 7 1 . Het door de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat opgestelde bijstandsverleningsprogramma wordt bij de Commissie ingediend :

a ) voor de zones bedoeld in artikel 3, lid 3 : binnen zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening;

b ) voor de zones bedoeld in artikel 3, lid 2 : vanaf de datum waarop de Lid-Staat een aanvraag indient met betrekking tot de zones die voor steun in het kader van het communautaire programma in aanmerking komen, doch uiterlijk zes maanden na de datum van de in genoemd lid 2 bedoelde beschikking van de Commissie .

Wanneer de beschikking van de Commissie betrekking heeft op een reeds in artikel 3, lid 3, genoemde zone, of op een zone die het voorwerp uitmaakt van een beschikking van de Commissie in de zin van artikel 3, lid 2, wordt het bestaande bijstandsverleningsprogramma dienovereenkomstig aangepast .

2 . Het bijstandsverleningsprogramma loopt uiterlijk tot en met 31 december 1993 .

Artikel 8 Het bedrag van de bijstandsverlening door het EFRO mag niet hoger zijn dan het bedrag dat door de Commissie wordt bepaald op het tijdstip waarop zij het in artikel 13, lid 1, van de EFRO-verordening bedoelde programmacontract vaststelt .

Artikel 9 Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Brussel, 26 juli 1988 .

Voor de Raad De Voorzitter Y . PAPANTONIOU EWG:L333UMBH03.95 FF : 3UHO; SETUP : 01; Hoehe : 1401 mm; 309 Zeilen; 14976 Zeichen;

Bediener : FJJ0 Pr .: C;

Kunde :

( 1 ) PB nr . L 169 van 28 . 6 . 1984, blz . 1 . ( 2 ) PB nr . C 291 van 31 . 10 . 1987, blz . 8, en wijzigingen van 19 mei 1988 en 28 juni 1988 ( nog niet in het Publikatieblad verschenen ). ( 3 ) PB nr . C 187 van 18 . 7 . 1988 . ( 4 ) PB nr . C 356 van 31 . 12 . 1987, blz . 49 . ( 5 ) PB nr . L 69 van 12 . 3 . 1987, blz . 55.(6 ) PB nr . L 271 van 15 . 10 . 1980, blz . 16 . ( 7 ) PB nr . L 350 van 27 . 12 . 1985, blz . 8.(8 ) PB nr . L 73 van 21 . 3. 1975, blz . 1 . ( 9 ) PB nr . L 350 van 27 . 12 . 1985, blz . 6 .