Home

Richtlijn 89/517/EEG van de Commissie van 1 augustus 1989 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 76/761/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten

Richtlijn 89/517/EEG van de Commissie van 1 augustus 1989 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 76/761/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten

RICHTLIJN VAN DE COMMISSIE van 1 augustus 1989 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 76/761/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten ( 89/517/EEG )

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan ( 1 ), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 87/403/EEG ( 2 ), inzonderheid op artikel 11,

Gelet op Richtlijn 76/761/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten ( 3 ), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 87/354/EEG ( 4 ), inzonderheid op artikel 10,

Overwegende dat het, dank zij de opgedane ervaring en gezien de huidige stand van de techniek, thans mogelijk is bepaalde voorschriften aan te vullen en meer in overeenstemming te brengen met de werkelijke verkeersomstandigheden, zodat de veiligheid van de inzittenden van voertuigen en de overige weggebruikers wordt verbeterd;

Overwegende dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang van de richtlijnen ter opheffing van de technische handelsbelemmeringen in de sector motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1 De lijst van bijlagen en de bijlagen I, II, V en VI bij Richtlijn 76/761/EEG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn .

Er wordt een nieuwe bijlage, bijlage VII, aan deze richtlijn toegevoegd .

Artikel 2 1 . Met ingang van 1 januari 1990 mogen de Lid-Staten :

a ) - voor een type voertuig de EEG-goedkeuring of de afgifte van het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 70/156/EEG bedoelde document dan wel de nationale goedkeuring niet weigeren,

- het voor de eerste maal in het verkeer brengen van voertuigen niet verbieden,

om redenen die verband houden met de koplichten voor groot licht en/of dimlicht, of met de elektrische gloeilampen voor deze koplichten, ( hierna : "koplichten'' respectievelijk "lampen ''), indien deze voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn;

b ) - voor een type koplicht noch voor een type lamp de EEG-goedkeuring of de nationale goedkeuring weigeren, indien deze koplichten en lampen voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn,

- het in de handel brengen van koplichten of lampen niet verbieden, indien hierop het op basis van de voorschriften van deze richtlijn verleende EEG-goedkeuringsmerk is aangebracht .

2 . Met ingang van 1 juli 1990 mogen de Lid -Staten :

a ) - het in artikel 10, lid 1, derde streepje, van Richtlijn 70/156/EEG bedoelde document niet meer afgeven

voor een type voertuig waarvan de koplichten of lampen niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze richtlijn,

- de nationale goedkeuring weigeren van een type voertuig waarvan de koplichten of lampen niet voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn;

b ) - niet meer de EEG-goedkeuring verlenen voor een type koplicht of een type lamp als deze niet voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn,

- de nationale goedkeuring van een type koplicht of een type lamp weigeren, als deze niet voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn .

3 . Met ingang van 1 april 1994 mogen de Lid-Staten het voor de eerste maal in het verkeer brengen van voertuigen

waarvan de koplichten of lampen niet voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn, alsook het in de handel brengen van koplichten of lampen die niet zijn voorzien van het goedkeuringsmerk dat overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn is afgegeven, verbieden .

4 . In afwijking van lid 2, onder b ), blijven de Lid-Staten de EEG-goedkeuring erkennen die op basis van de voorschriften van Richtlijn 76/761/EEG is verleend voor een type koplicht of lamp, bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen die reeds in het verkeer zijn gebracht .

Artikel 3 De Lid-Staten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1989 aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis .

De krachtens de eerste alinea vastgestelde bepalingen houden een uitdrukkelijke verwijzing in naar de onderhavige richtlijn .

Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel, 1 augustus 1989 .

Voor de Commissie

Martin BANGEMANN

Vice-Voorzitter

( 1 ) PB nr . L 42 van 23 . 2 . 1970, blz . 1 .

( 2 ) PB nr . L 220 van 8 . 8 . 1987, blz . 44 .

( 3 ) PB nr . L 262 van 27 . 9 . 1976, blz . 96 .

( 4 ) PB nr . L 192 van 11 . 7 . 1987, blz . 43 . BIJLAGE Aan de lijst van bijlagen wordt, na bijlage VI, een nieuwe bijlage VII toegevoegd :

"Bijlage VII

- Beproeving van de fotometrische stabiliteit van de koplichten in werking ''.

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd :

De punten 1 en met 1.1.5 worden vervangen door de volgende punten :

"1 .

DEFINITIES

"1.1 .

De in Richtlijn 76/756/EEG gegeven definities van :

- groot licht,

- dimlicht,

- licht,

- lichtbron voor wat betreft gloeilampen,

- afzonderlijke lichten,

- gegroepeerde lichten,

- gecombineerde lichten,

- samengebouwde lichten,

- lichtdoorlatend gedeelte van een licht bestemd voor het verlichten van de weg,

- zichtbaar vlak,

- uitvalsvlak van het licht,

- referentieas,

- referentiepunt,

zijn van toepassing op deze richtlijn .

"1.2 .

"Type koplicht''

Onder "type koplicht'' worden koplichten verstaan die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen; deze verschillen kunnen met name betrekking hebben op de volgende punten :

"1.2.1 .

fabrieks - of handelsmerken;

"1.2.2.

de eigenschappen van het optische systeem;

"1.2.3 .

aanvullende onderdelen waardoor de optische resultaten door weerkaatsing, breking of absorptie kunnen worden gewijzigd;

"1.2.4 .

speciaal aangepast voor rechts verkeer of links verkeer of mogelijkheid van gebruik voor beide soorten verkeer;

"1.2.5 .

het verkrijgen van een gedimde of een ongedimde lichtbundel of van beide bundels .''.

De laatste alinea van punt 5.4 wordt geschrapt .

Na punt 5.4 wordt onderstaand punt 5.5 toegevoegd :

"5.5 .

Om zich ervan te vergewissen dat het fotometrisch gedrag van de lichten zich tijdens het gebruik niet te sterk wijzigt, moeten overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII aanvullende proeven worden genomen; de controle van de overeenstemming met de voorschriften van punt 5.2 en 5.4 wordt visueel verricht en indien nodig door een proefneming .''.

Punt 8 wordt :

"8 .

OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE MET HET GOEDGEKEURDE TYPE

Elk koplicht dat is voorzien van een EEG-goedkeuringsmerk moet overeenstemmen met het goedgekeurde type en voldoen aan de onder punt 6 hiervoor en onder punt 3 van bijlage VII aangegeven fotometrische eisen .''.

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd :

Punt 1 : toevoegen :

"C/R, C/R, C/R, C / , C / ,C / ''.

Na het aldus gewijzigde punt 1 worden onderstaande nieuwe punten 2 en 3 toegevoegd :

"2 . De gloeidraad van het dimlicht mag/mag niet (*) gelijktijdig met de gloeidraad van het groot licht en/of van een ander samengebouwd licht branden .

"3 . Het licht kan worden gebruikt met een gloeilamp ( gloeilampen ) van 6 V, 12 V, 24 V (*) nominale spanning .''.

De punten 2 tot en met 16 worden opnieuw genummerd als 4 tot en met 18 .

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd :

Aanhangsel 4, punt 1, figuur, wordt :

"Aanhangsel 4

LAMP MET TWEE GLOEIDRADEN : ONDERLINGE VERWISSELBAARHEIDSMATEN

Aanhangsel 4, punt 3, Noot, wordt als volgt gewijzigd :

Punt 9 wordt vervangen door :

"9 . De contactstrippen ( XIV, XV en XVI ) moeten in de hierboven aangegeven volgorde worden aangebracht, die ten opzichte van de richtplaatjes van de lampvoet moet overeenstemmen met die welke is aangegeven in de figuur of 180g gedraaid ten opzichte hiervan met een benadering van p 20g in beide gevallen .''.

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd :

Punt 1.2.1.3 wordt vervangen door :

"1.2.1.3 .

een tekening, in drievoud, die voldoende gedetailleerd is om het type te kunnen identificeren, en het licht weergeeft zowel van voren gezien, met indien nodig de gedetailleerde weergave van de ribbels in de lens, als in dwarsdoorsnede .

Op de tekening moeten de begrenzingen van het lichtdoorlatend gedeelte en de plaats van het EEG-goedkeuringsmerk ( met name van het goedkeuringsnummer en de aanduiding(en ) van de categorie ) zijn aangegeven .''.

Na punt 2.1.4 wordt onderstaand punt 2.1.5 toegevoegd :

"2.1.5 .

In alle gevallen moet de wijze van gebruik tijdens de in punt 1.1.1.1 van bijlage VII bedoelde proef, alsmede de overeenkomstig punt 1.1.1.2 van bijlage VII toegelaten spanning(en ) op het EEG-goedkeuringsformulier worden aangegeven .

Op de inrichting moet(en ) de volgende aanduiding(en ) worden aangebracht, namelijk :

- op koplichten die voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn maar niet geconstrueerd zijn voor het gelijktijdig branden van de gloeidraad van het dimlicht en die van enige andere lichtbron waarmee hij kan worden samengebouwd, een schuine streep (/) na het symbool voor het dimlicht in het goedkeuringsmerk;

- op koplichten die alleen bij een spanning van 6 V of 12 V aan de voorschriften van bijlage VII voldoen, een doorgekruist cijfer 24 ( 24× ) in de nabijheid van de lamphouder .''.

Punt 4.2 wordt als volgt :

"4.2 .

Dit merk bestaat uit een rechthoek waarbinnen de letter "e'' is geplaatst, gevolgd door het kennummer of de kenletters van de Lid-Staat die de EEG-goedkeuring heeft verleend :

1

voor Duitsland,

2

voor Frankrijk,

3

voor Italië,

4

voor Nederland,

6

voor België,

9

voor Spanje,

11

voor het Verenigd Koninkrijk,

13

voor Luxemburg,

18

voor Denemarken,

21

voor Portugal,

EL

voor Griekenland,

IRL

voor Ierland,

en een EEG-goedkeuringsnummer dat overeenkomt met het nummer van het voor het betreffende type koplicht of lamp opgestelde EEG-goedkeuringsformulier, voorafgegaan door één of twee cijfers ter aanduiding van het volgnummer dat is toegekend aan de meest recente belangrijke technische wijziging van Richtlijn 76/761/EEG op de datum van afgifte van de EEG-goedkeuring . Voor deze richtlijn is het volgnummer "2'' voor gloeilampen en "01'' voor koplichten . In het geval van een koplicht wordt het nummer onder de rechthoek geplaatst en in het geval van een gloeilamp in de nabijheid ervan .''.

Na punt 4.3.5 wordt onderstaand punt 4.3.6 toegevoegd :

"4.3.6 .

Het merkteken moet bovendien voldoen aan de voorschriften van punt 2.1.5 van deze bijlage .''.

Het aanhangsel wordt als volgt gewijzigd :

Na figuur 8 worden de onderstaande figuren 9 en 10 alsmede de bijbehorende toelichtingen toegevoegd :

"

waarbij de gloeidraad van het dimlicht niet gelijktijdig met de gloeidraad van het groot licht van een gloeilamp R 2 of die van een ander licht waarmee het samengebouwd is mag branden .''.

Na bijlage VI wordt een nieuwe bijlage, bijlage VII, toegevoegd :

"BIJLAGE VII

BEPROEVING VAN DE STABILITEIT VAN HET FOTOMETRISCH GEDRAG VAN DE KOPLICHTEN IN BEDRIJF

Voor de goedkeuring van koplichten met plastic lenzen is het niet voldoende dat deze beantwoorden aan de voorschriften van deze bijlage .

BEPROEVING VAN COMPLETE KOPLICHTEN

Nadat de fotometrische waarden overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn op het punt van Emax voor het groot licht en de punten HV, 50 R, B 50 L voor het dimlicht zijn gemeten, moet bij een monster van het complete koplicht de stabiliteit van het fotometrisch gedrag in bedrijf worden beproefd . Onder "compleet koplicht'' wordt verstaan het koplicht zelf met inbegrip van de carrosseriedelen en aangrenzende lichten die de warmtedissipatie kunnen beïnvloeden .

1 .

BEPROEVING VAN DE STABILITEIT VAN HET FOTOMETRISCH GEDRAG

De proeven moeten worden genomen in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 gC p 5 gC . Het complete koplicht moet zodanig op een meetopstelling worden bevestigd dat de juiste plaatsing op het voertuig wordt nagebootst .

1.1 .

Schoon koplicht

Het koplicht moet gedurende twaalf uur op de in punt 1.1.1 aangegeven wijze branden en moet worden gecontroleerd zoals voorgeschreven onder punt 1.1.2 .

1.1.1 .

Beproevingsmethode

Men laat het koplicht voor de voorgeschreven duur op de volgende wijze branden :

1.1.1.1 .

a) indien het de goedkeuring van een enkele lichtbron betreft (groot licht of dimlicht ) laat men de betreffende gloeidraad voor de voorgeschreven duur branden (**);

b ) indien het gaat om een samengebouwd dimlicht en groot licht ( koplicht met dubbele gloeidraad of koplicht met twee gloeidraden ):

- indien de aanvrager verklaart dat het koplicht slechts één brandende gloeidraad mag bevatten (*), wordt de test in overeenstemming hiermee uitgevoerd en laat men elk van beide lichtbronnen gedurende de helft van de in punt 1.1 aangegeven tijd branden (**);

- in de overige gevallen (*/**), wordt het koplicht voor de voorgeschreven duur aan de volgende cyclus onderworpen :

15 minuten : dimlicht ontstoken,

5 minuten : alle gloeidraden ontstoken;

c ) indien het gegroepeerde lichtfuncties ( bronnen ) betreft, dienen alle afzonderlijke lichtbronnen gelijktijdig te branden gedurende de voor de afzonderlijke lichtbronnen voorgeschreven tijd, a ) waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de wijze van gebruik van de samengebouwde lichtbronnen; b ) volgens de instructies van de fabrikant .

1.1.1.2 .

Proefspanning

De spanning moet zo worden ingesteld dat het geleverde vermogen voor gloeilampen van 6 of 12 V 15 % boven het in de richtlijn opgegeven theoretische vermogen ligt en voor gloeilampen van 24 V 26 %.

Het toegepaste vermogen moet steeds gelijk zijn aan de waarde die betrekking heeft op een gloeilamp met een nominale spanning van 12 V, behalve indien de aanvrager van de goedkeuring opgeeft dat het koplicht bij een daarvan afwijkende spanning kan worden gebruikt . In dat geval wordt de proef uitgevoerd met de gloeilamp met het hoogste toelaatbare vermogen .

*(*) Het gelijktijdig branden van twee gloeidraden bij gebruik van het koplicht als waarschuwingslicht dient niet te worden beschouwd als normaal gelijktijdig gebruik van twee gloeidraden .

(**) Indien het beproefde koplicht is gegroepeerd of samengebouwd met de breedtelichten, dienen deze laatste te branden gedurende de proef . Indien de inrichting een richtingaanwijzer omvat, dient deze te knipperen met een aan/uit-verhouding gelijk aan 1 .

1.1 .2 .

Proefresulaten

1.1.2.1 .

Visuele controle

Nadat de temperatuur van het koplicht zich gestabiliseerd heeft op de omgevingstemperatuur, worden de lens van het koplicht en, indien aanwezig, het buitenglas met een schone en vochtige katoenen doek gereinigd . Bij de visuele controle daarna mogen noch bij de lens van het koplicht, noch, indien aanwezig, bij het buitenglas vervormingen, breuken of kleurveranderingen worden geconstateerd.

1.1.2.2 .

Fotometrische test

Overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn worden de fotometrische waarden op de volgende plaatsen gecontroleerd :

dimlicht :

50 R, B 50 L, HV indien de koplichten zijn geconstrueerd of afgesteld voor rechts verkeer; 50 L, B 50 R, HV indien de koplichten zijn geconstrueerd of afgesteld voor links verkeer;

groot licht :

punt van Emax .

Een licht mag opnieuw worden afgesteld om rekening te houden met eventuele vervormingen van de meetopstelling van het koplicht ten gevolge van de hitte ( voor de afstelling van de afbakeningslijn zie punt 2 ).

De fotometrische eigenschappen mogen, met inbegrip van de afwijkingen ten gevolge van de meetmethode, een afwijking van maximaal 10 % vertonen van de vóór de proef gemeten waarden .

1.2 .

Vuil koplicht

Nadat het koplicht op de in punt 1.1 voorgeschreven wijze is beproefd, moet het op de in punt 1.2.1 beschreven manier worden geprepareerd . Vervolgens laat men het licht gedurende één uur branden zoals beschreven in punt 1.1.1, waarna het gecontroleerd wordt volgens de methode van punt 1.1.2 .

1.2.1 .

Prepareren van het koplicht

1.2.1.1 .

Proefmengsel

Het mengsel van water en vuil dat op het koplicht moet worden aangebracht bestaat uit 9 ( gewichts)delen kiezelzand met korrelgrootte tussen 0 en 100 mm, 1 ( gewichts)deel plantaardig kolenstof met een korrelgrootte tussen 0 en 100 mm, 0,2 ( gewichts)deel NaCMC en een geschikte hoeveelheid gedestilleerd water met een soortelijke geleiding van minder dan 1 mS/m .

Het mengsel mag niet ouder zijn dan 14 dagen .

1.2.1.2 .

Aanbrengen van het proefmengsel op het koplicht

Het proefmengsel wordt gelijkmatig op het uitvalsvlak van het licht van het koplicht aangebracht waarna men het laat drogen . Deze bewerking wordt herhaald, totdat de verlichtingssterkte op elk van onderstaande punten gedaald is tot een waarde tussen 15 en 20 % van de waarde die is gemeten onder de in deze bijlage beschreven omstandigheden :

Emax van de fotometrische verdeling van het groot licht, als het gaat om een dimlicht/groot licht;

Emax van de fotometrische verdeling van het groot licht, indien het een apart groot licht betreft;

50 R en 50 V (*) bij een apart dimlicht dat is geconstrueerd of afgesteld voor rechts verkeer;

50 L en 50 V (*) bij een apart dimlicht, dat is geconstrueerd of afgesteld voor links verkeer .

1.2.1.3 .

Meetapparatuur

De meetapparatuur dient gelijkwaardig te zijn aan die welke gebruikt wordt voor de goedkeuringsproeven met de koplichten. Voor de fotometrische controle wordt gebruik gemaakt van een standaard gloeilamp ( referentielamp ).

2 .

CONTROLE VAN DE VERTICALE VERPLAATSING VAN DE AFBAKENINGSLIJN ONDER INVLOED VAN DE WARMTE

Hierbij dient gecontroleerd te worden of de verticale verplaatsing van de afbakeningslijn van een brandend dimlicht ten gevolge van de warmte een voorgeschreven waarde niet overschrijdt .

Na de in punt 1 beschreven proeven wordt het koplicht onderworpen aan de in punt 2.1 beschreven proef . Het koplicht mag hierbij noch van zijn meetopstelling worden genomen, noch ten opzichte hiervan worden bijgesteld .

(*) Het punt 50 V bevindt zich op 375 mm boven het punt H op de verticale as V-V met het scherm op 25 m afstand .

2.1 .

Proef

De proef moet worden uitgevoerd in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 gC p 5 gC .

Een gloeilamp uit serieproduktie die al ten minste één uur heeft gebrand, wordt, zonder van de meetopstelling te zijn genomen of ten opzichte hiervan te zijn bijgesteld, als dimlicht ingeschakeld . ( Voor deze proef wordt de spanning op de in punt 1.1.1.2 voorgeschreven wijze ingesteld .) De positie van het horizontale deel van de afbakeningslijn ( het deel tussen VV en de verticaal door het punt B 50 L voor rechts verkeer of B 50 R voor links verkeer ) wordt na 3 minuten ( r3 ), respectievelijk 60 minuten ( r60 ) na het inschakelen, gecontroleerd .

Voor de meting van de hierboven beschreven verplaatsing van de afbakeningslijn is iedere methode toegestaan, mits zij tot een voldoende nauwkeurigheid en reproduceerbare resultaten leidt .

2.2 .

Proefresultaten

2.2.1 .

Het resultaat, uitgedrukt in milliradiaal ( mrad ), is voor een dimlicht enkel aanvaardbaar, wanneer de absolute waarde

D rI = [r3-r60] voor dit koplicht niet hoger is dan 1,0 mrad ( D rI 9 1,0 mrad ).

2.2.2 .

Is deze waarde evenwel hoger dan 1,0 mrad, maar lager dan of gelijk aan 1,5 mrad ( 1,0 mrad < D rI 9 1,5 mrad ), dan wordt een tweede koplicht aan de in punt 2.1 beschreven proef onderworpen . Eerst dient dit koplicht evenwel driemaal achtereenvolgens onderstaande cyclus te doorlopen, zodat de positie van de mechanische delen van het koplicht op de meetopstelling waarmee de juiste plaatsing op het voertuig wordt nagebootst, zich kan stabiliseren :

dimlicht ingeschakeld gedurende één uur ( bij een voedingsspanning overeenkomstig het in punt 1.1.1.2 bepaalde ),

dimlicht uitgeschakeld gedurende één uur .

Het type koplicht wordt aanvaard, indien het gemiddelde van de absolute waarden D rI, zoals gemeten bij het eerste monster, en D rII, zoals gemeten bij het tweede monster, lager is dan of gelijk is aan 1,0 mrad .

( D rI + D rII 9 1,0 mrad )

(

D rI + D rII

2

9 1,0 mrad

)

3 .

OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE MET HET GOEDGEKEURDE TYPE

Een van de beproefde koplichten wordt onderworpen aan de in punt 2.1 beschreven proef, nadat hij driemaal de in punt 2.2.2 beschreven cyclus heeft doorlopen .

Het koplicht wordt aanvaard, indien de waarde D r lager is dan of gelijk is aan 1,5 mrad .

Indien de waarde D r hoger is dan 1,5 mrad, doch niet hoger dan 2,0 mrad, wordt een tweede koplicht aan de test onderworpen; het gemiddelde van de absolute waarde van de resultaten voor beide beproefde koplichten mag niet hoger zijn dan 1,5 mrad .''.