VERORDENING ( EEG ) NR. 2726/90 VAN DE RAAD VAN 17 SEPTEMBER 1990 BETREFFENDE COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER
VERORDENING ( EEG ) NR. 2726/90 VAN DE RAAD VAN 17 SEPTEMBER 1990 BETREFFENDE COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 2726/90 VAN DE RAAD
van 17 september 1990
betreffende communautair douanevervoer
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid artikel 100 A,
Gelet op het voorstel van de Commissie (1),
In samenwerking met het Europese Parlement (2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),
Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 222/77 (4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 474/90 (5), een regeling voor communautair douanevervoer is ingesteld, die in beginsel van toepassing is op alle goederenbewegingen binnen de Gemeenschap en die tot doel heeft het vervoer van deze goederen te vergemakkelijken door de formaliteiten en de controles te beperken tot uitsluitend de plaatsen van vertrek en bestemming en de administratieve formaliteiten met name bij de overschrijding van de binnengrenzen te beperken tot het noodzakelijke minimum;
Overwegende dat de regeling voor communautair douanevervoer een regeling omvat voor extern douanevervoer, die in hoofdzaak van toepassing is op het verkeer van goederen uit derde landen die zich niet in het vrije verkeer bevinden in de Gemeenschap, en een regeling voor intern douanevervoer, die van toepassing is op het verkeer van goederen van oorsprong uit de Gemeenschap of die zich in de Gemeenschap in het vrije verkeer bevinden;
Overwegende dat artikel 8 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap de geleidelijke totstandbrenging in het vooruitzicht stelt, in de loop van een periode die eindigt op 31 december 1992, van een interne markt, die een ruimte zonder binnengrenzen inhoudt waarbinnen met name het vrije verkeer van goederen is gewaarborgd;
Overwegende dat de toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat alle controles en alle formaliteiten worden afgeschaft ten aanzien van communautaire goederen die binnen de Gemeenschap worden vervoerd en dat de regeling voor intern communautair douanevervoer dientengevolge in beginsel overbodig wordt gemaakt; dat deze regeling echter tijdens de overgangsperiode met betrekking tot de toetreding van Spanje en Portugal tot de Gemeenschap dient te worden gehandhaafd ten aanzien van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap van Tien en deze twee landen en tussen deze twee landen onderling van goederen waarvoor de douanerechten of andere in de Akte van Toetreding voorgeschreven maatregelen nog niet volledig zijn afgeschaft;
Overwegende dat deze situatie geen afbreuk doet aan sommige uitdrukkelijk voorgeschreven of voor te schrijven specifieke maatregelen met name voor de tenuitvoerlegging van de regeling inzake de koppeling van accijnsentrepots;
Overwegende dat het verkeer van goederen uit derde landen die zich niet in het vrije verkeer bevinden in de Gemeenschap, onderworpen blijft aan douaneprocedures die zijn bedoeld om te waarborgen dat de goederen hun voorgeschreven bestemming krijgen en dat de rechten waaraan zij onderhevig zijn eventueel worden geïnd en dat aldus de regeling voor extern communautair douanevervoer volledig op die goederen van toepassing blijft;
Overwegende dat de uniforme toepassing dient te worden gewaarborgd van de bepalingen met betrekking tot het verkeer van goederen in de Gemeenschap en dat te dien einde een communautaire procedure dient te worden ingesteld die de mogelijkheid biedt binnen passende termijnen de nadere bepalingen voor de toepassing ervan vast te stellen; dat het noodzakelijk is in het kader van een Comité te zorgen voor een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie op dit gebied;
Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 222/77 herhaaldelijk is gewijzigd; dat het derhalve aanbeveling verdient de hervormingen in de regeling voor communautair douanevervoer te baat te nemen om de ter zake geldende voorschriften te herzien,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
TITEL 1
ALGEMEEN
Artikel 1
Er wordt een regeling voor communautair douanevervoer ingesteld die in de situaties bedoeld in de artikelen 3 en 4 van toepassing is op het vervoer van goederen van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere in het douanegebied van de Gemeenschap. Deze regeling omvat een regeling voor extern communautair douanevervoer en een regeling voor intern communautair douanevervoer.
Artikel 2
In deze verordening wordt verstaan onder:
a) communautaire goederen, goederen die:
- geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap, zonder toevoeging van goederen afkomstig uit derde landen of uit gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap;
- afkomstig zijn uit landen of gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap en die zich in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden;
- in het douanegebied van de Gemeenschap zijn verkregen uit hetzij uitsluitend in het tweede streepje hetzij in het eerste en tweede streepje bedoelde goederen;
b) niet-communautaire goederen: andere goederen dan die bedoeld onder a);
Onverminderd de met derde landen gesloten overeenkomsten voor de toepassing van de regeling voor communautair douanevervoer, worden ook als niet-communautaire goederen beschouwd goederen die, hoewel zij voldoen aan de voorwaarden onder a), opnieuw op het grondgebied van de Gemeenschap worden ingevoerd na buiten dat grondgebied te zijn uitgevoerd;
c) »bevoegde autoriteiten":
de douaneautoriteit of elke andere autoriteit die met de toepassing van deze verordening is belast;
d) »aangever":
de persoon die, zelf of door een gevolmachtigde, door indiening van de hiertoe voorgeschreven aangifte de wens te kennen geeft communautair douanevervoer te verrichten;
e) »vervoermiddel": met name
- elk voertuig voor wegverkeer, aanhangwagen, oplegger,
- elke spoorwagen,
- elk schip of elke boot,
- elk luchtvaartuig,
- elke container in de zin van Verordening (EEG) nr. 3312/89 van de Raad van 30 oktober 1989 betreffende de regeling tijdelijke invoer van containers (1);
f) »kantoor van vertrek":
het kantoor van de bevoegde autoriteit waar het communautair douanevervoer begint;
g) »kantoor van doorgang":
- het douanekantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer tijdens het communautair douanevervoer de zending dit grondgebied via een grens tussen een Lid-Staat en een derde land verlaat;
- het douanekantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap wanneer de goederen tijdens het communautaire douanevervoer over het grondgebied van een derde land worden vervoerd;
h) »kantoor van bestemming":
het kantoor van de bevoegde autoriteit waar de onder de regeling voor communautair douanevervoer geplaatste goederen ter beëindiging van het communautair douanevervoer moeten worden aangebracht;
i) »kantoor van zekerheidstelling":
het kantoor van de bevoegde autoriteit waar een doorlopende of forfaitaire zekerheid wordt gesteld.
TITEL II
TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 3
1. De toepassing van dit artikel laat bestaande of toekomstige overeenkomsten van de Gemeenschap met derde landen inzake douanevervoer onverlet.
2. De regeling voor extern communautair douanevervoer geldt voor het vervoer van:
a) niet-communautaire goederen;
b) goederen die onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallen en die niet in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn overeenkomstig dit Verdrag;
c) goederen die, hoewel het communautaire goederen zijn, het voorwerp zijn van een communautaire maatregel die hun uitvoer naar derde landen noodzakelijk maakt en waarvoor de overeenkomstige douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld.
De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 44 de gevallen vast waarin deze bepaling toepassing vindt.
3. Onverminderd lid 2, onder c), geldt de regeling voor intern communautair douanevervoer voor het vervoer van communautaire goederen:
a) die worden verzonden van een plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap over het grondgebied van een of meer EVA-landen;
b) die worden verzonden in het kader van de methoden van administratieve samenwerking die ten doel hebben, gedurende de overgangsperiode, in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap in haar samenstelling per 31 december 1985, enerzijds, en Spanje en Portugal, anderzijds, alsmede in het handelsverkeer tussen deze beide Lid-Staten onderling, het vrije verkeer te waarborgen van goederen waarvoor de douanerechten of andere in de Akte van Toetreding voorgeschreven maatregelen nog niet volledig zijn afgeschaft;
c) die worden verzonden in gevallen waarin een communautaire bepaling uitdrukkelijk de toepassing van deze regeling heeft voorgeschreven.
Artikel 4
Het vervoer, van een plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, van goederen waarop de regeling voor communautair douanevervoer van toepassing is, kan, onverminderd artikel 5, lid 2, plaatsvinden onder de regeling voor communautair douanevervoer, voor zover de doorvoer door dat derde land geschiedt onder geleide van één enkel in een Lid-Staat afgegeven transportbescheid; in dat geval wordt de werking van die regeling op het grondgebied van het derde land opgeschort.
Artikel 5
1. De regeling voor communautair douanevervoer laat de specifieke bepalingen onverlet die van toepassing zijn op het verkeer van goederen die onder een economische douaneregeling zijn geplaatst.
2. In afwijking van de artikelen 1 en 3 is de regeling voor communautair douanevervoer niet van toepassing op het vervoer van goederen dat plaatsvindt:
a) onder geleide van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), op voorwaarde dat
1. dit vervoer buiten de Gemeenschap is begonnen of zal eindigen, dan wel dat
2. dit vervoer betrekking heeft op zendingen van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap moeten worden gelost, en die worden vervoerd te zamen met goederen die in een derde land moeten worden gelost, of dat
3. dit vervoer geschiedt van een plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap over het grondgebied van een derde land;
b) onder geleide van carnets ATA (ATA-Overeenkomst) die worden gebruikt als document voor douanevervoer;
c) onder geleide van het Rijnvaartmanifest (artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte);
d) onder geleide van formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van de op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Overeenkomst tussen de bij het Noord-Atlantisch Verdrag aangesloten Staten betreffende de rechtspositie van hun krijgsmachten.
3. Deze verordening is van toepassing onverminderd door de Lid-Staten ingestelde verboden of beperkingen van in-, uit- of doorvoer, voor zover zij met de drie Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen verenigbaar zijn.
TITEL III
COMMUNAUTAIR KARAKTER VAN GOEDEREN
Artikel 6
1. Onder voorbehoud van de artikelen 39 en 40, worden alle binnen het douanegebied van de Gemeenschap vervoerde goederen geacht communautaire goederen te zijn, behalve indien wordt vastgesteld dat zij het communautaire karakter niet bezitten.
2. Lid 1 is niet van toepassing op goederen die met toepassing van een van de in artikel 5 bedoelde regelingen worden vervoerd, noch op die welke van de ene plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap over het grondgebied van een derde land worden vervoerd.
In de in de eerste alinea bedoelde gevallen moet, in voorkomend geval, het communautaire karakter van deze goederen naar beho worden vastgesteld.
Artikel 7
Goederen die krachtens artikel 3, lid 2, onder c), met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer worden vervoerd en het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten, worden als communautaire goederen behandeld, mits wordt aangetoond dat de aangifte ten uitvoer is geannuleerd en dat de douaneformaliteiten die zijn verbonden aan de communautaire maatregelen die hun uitgang uit genoemd gebied noodzakelijk maakten alsmede, in voorkomend geval, de gevolgen van deze formaliteiten, ongedaan zijn gemaakt.
TITEL IV
VEREENVOUDIGDE PROCEDURES
Artikel 8
Mits de toepassing van de communautaire maatregelen waaraan de goederen zijn onderworpen verzekerd is, kunnen de Lid-Staten door middel van onderlinge bilaterale of multilaterale regelingen overeenkomstig zo nodig nader vast te stellen criteria vereenvoudigde procedures voor bepaalde goederenbewegingen of bepaalde ondernemingen vaststellen.
(1) PB nr. C 307 van 6. 12. 1989, blz. 5.
(2) PB nr. C 113 van 7. 5. 1990, blz. 83, en besluit van 12 september 1990 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).
(3) PB nr. C 112 van 7. 5. 1990, blz. 13.
(4) PB nr. L 38 van 9. 2. 1977, blz. 1.
(5) PB nr. L 51 van 27. 2. 1990, blz. 1.
(1) PB nr. L 321 van 4. 11. 1989, blz. 5.
Deze regelingen worden ter kennis gebracht van de Commissie en van de overige Lid-Staten.
Artikel 9
Mits de toepassing van de communautaire maatregelen waaraan de goederen zijn onderworpen verzekerd is, kan iedere Lid-Staat voor bepaalde gevallen ten gunste van goederen die niet op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het verkeer worden gebracht, vereenvoudigde procedures vaststellen.
Deze procedures worden ter kennis gebracht van de Commissie en de overige Lid-Staten.
TITEL V
EXTERN COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER
Hoofdstuk 1
Procedure
Artikel 10
1. Voor met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer te vervoeren goederen moet, overeenkomstig de bepalingen van deze verordening, een aangifte T1 worden gedaan. Onder aangifte T1 wordt verstaan een aangifte gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model van het overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen vastgestelde formulier.
2. Het in lid 1 bedoelde formulier kan in voorkomend geval worden aangevuld met één of meer aanvullende formulieren die overeenstemmen met het model van het overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen vastgestelde aanvullende formulier.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde formulieren worden gedrukt en ingevuld in een der door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek aanvaarde officiële talen van de Gemeenschap. De bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat die bij het communautair douanevervoer is betrokken, kunnen, voor zover nodig, de vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van die Lid-Staat vragen.
4. De aangifte T1 wordt ondertekend door de aangever; zij wordt ten minste in drievoud gedaan aan het kantoor van vertrek.
5. De bij de aangifte T1 gevoegde stukken maken daarvan een integrerend deel uit.
6. De aangifte T1 moet vergezeld zijn van het transportbescheid.
Het kantoor van vertrek kan ontheffing verlenen van de overlegging van dit bescheid bij het vervullen van de formaliteiten. Het transportbescheid moet echter tijdens het vervoer te allen tijde op verzoek van de douane of van elke andere bevoegde autoriteit worden overgelegd.
7. Wanneer de regeling voor communautair douanevervoer in de Lid-Staat van vertrek aansluit op een andere douaneregeling, bevat de aangifte T1 een verwijzing naar deze regeling of naar de daarop betrekking hebbende douanedocumenten.
Artikel 11
1. De aangever is verplicht:
a) binnen de gestelde termijn de goederen ongeschonden aan het kantoor van bestemming aan te brengen, onder overlegging van het document T1 en met inachtneming van de door de bevoegde autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;
b) de bepalingen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer na te leven;
c) rechten en andere vanwege een bij het communautair douanevervoer begane overtreding of onregelmatigheid eventueel opeisbare heffingen te betalen.
2. Onverminderd de in lid 1 bedoelde verplichtingen van de aangever, is een vervoerder of een ontvanger van goederen, die de goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling voor communautair douanevervoer vallen, eveneens verplicht deze binnen de gestelde termijn ongeschonden aan het kantoor van bestemming aan te brengen, met inachtneming van de door de bevoegde autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.
Artikel 12
1. Voor het laden van goederen bij verschillende kantoren van vertrek en voor het lossen van goederen bij verschillende kantoren van bestemming kan een zelfde vervoermiddel worden gebruikt
2. In een zelfde aangifte T1 mogen slechts goederen voorkomen die in of op een enkel vervoermiddel zijn of worden geladen en die van een zelfde kantoor van vertrek naar een zelfde kantoor van bestemming zullen worden vervoerd.
Voor de toepassing van de eerste alinea worden de onderstaande vervoermiddelen als een enkel vervoermiddel beschouwd, mits zij beladen zijn of worden met goederen die te zamen moeten worden vervoerd:
a) een voertuig voor wegverkeer met een of meer aanhangwagens of opleggers;
b) twee of meer spoorwagens;
c) twee of meer schepen die één geheel vormen;
d) containers geladen op een vervoermiddel in de zin van dit artikel.
Artikel 13
1. Het kantoor van vertrek aanvaardt de aangifte T1 en maakt haar geldig, stelt de termijn vast waarbinnen de goederen aan het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht en treft de identificatiemaatregelen die het nodig acht. 2. Het kantoor van vertrek tekent een en ander aan op het document T1, behoudt het voor dit kantoor bestemde exemplaar en overhandigt de overige exemplaren aan de aangever of diens vertegenwoordiger.
Artikel 14
1. De identificatie van de goederen wordt in de regel verzekerd door middel van verzegeling.
2. Verzegeling geschiedt:
a) per laadruimte, wanneer het vervoermiddel is goedgekeurd met toepassing van andere voorschriften, of wanneer het door het kantoor van vertrek geschikt is bevonden;
b) per collo, in de andere gevallen.
3. Als geschikt voor verzegeling per laadruimte kunnen worden aangemerkt vervoermiddelen:
a) die op eenvoudige en doeltreffende wijze kunnen worden verzegeld;
b) die zodanig zijn gebouwd dat geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd zonder braak welke zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling;
c) die geen geheime ruimten bevatten waarin goederen kunnen worden verborgen;
d) waarvan de laadruimten gemakkelijk toegankelijk zijn voor de controle door de bevoegde autoriteiten.
4. Het kantoor van vertrek kan van verzegeling afzien, wanneer het, rekening houdend met eventuele andere identificatiemaatregelen, mogelijk is, aan de hand van de omschrijving van de goederen in het document T1 of de bijgevoegde stukken, de goederen te identificeren.
Artikel 15
Het vervoer van de goederen vindt plaats onder geleide van de exemplaren van het document T1 die het kantoor van vertrek aan de aangever of diens vertegenwoordiger heeft afgegeven.
Artikel 16
Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de lijst en de uren van openstelling van de kantoren welke bevoegd zijn ter zake van het communautair douanevervoer.
De Commissie geeft deze inlichtingen door aan de overige Lid-Staten.
Artikel 17
De exemplaren van het document T1 moeten worden overgelegd op elk verzoek van de bevoegde autoriteiten.
Artikel 18
1. De zending wordt onder overlegging van de exemplaren van het document T1 aan elk kantoor van doorgang aangebracht.
2. Bij elk kantoor van doorgang levert de vervoerder een kennisgeving van doorgang in.
3. De kantoren van doorgang gaan niet tot onderzoek van de goederen over behalve bij vermoeden van onregelmatigheden die tot misbruik kunnen leiden.
4. Wanneer het vervoer plaatsvindt langs een ander kantoor van doorgang dan het in document T1 vermelde kantoor, zendt eerstbedoeld kantoor de kennisgeving van doorgang onverwijld aan het in genoemd document vermelde kantoor.
Artikel 19
In geval van lading of lossing bij als tussenpersoon optredende bevoegde autoriteiten moeten de door het kantoor of de kantoren van vertrek afgegeven exemplaren van het document T1 aan deze autoriteiten worden overgelegd.
Artikel 20
1. De in een document T1 vermelde goederen kunnen, zonder dat een nieuwe aangifte behoeft te worden gedaan, in of op een ander vervoermiddel worden overgeladen onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat op welks grondgebied de overlading zal plaatsvinden. In dat geval tekenen de bevoegde autoriteiten een en ander aan op het document T1.
2. De bevoegde autoriteiten kunnen, onder door hen te bepalen voorwaarden, overlading zonder hun toezicht toestaan. In een dergelijk geval tekent de vervoerder een en ander aan op het document T1 en stelt hij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de overlading heeft plaatsgevonden daarvan op de hoogte met het oog op de visering.
Artikel 21
1. In geval van verbreking van de verzegeling tijdens het vervoer buiten de wil van de vervoerder, moet deze zo spoedig mogelijk de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar het vervoermiddel zich bevindt, verzoeken een proces-verbaal van bevinding op maken. De handelende autoriteit brengt zo mogelijk een nieuwe verzegeling aan.
2. Indien ten gevolge van een ongeval overlading op een ander vervoermiddel nodig is, is artikel 20 van toepassing.
3. Wanneer bij dreigend gevaar onmiddellijk gedeeltelijke of algehele lossing noodzakelijk is, kan de vervoerder eigenmachtig maatregelen nemen. Hij maakt van de genomen maatregelen melding op het document T1. Het bepaalde in lid 1 is in dat geval van toepassing.
4. Wanneer de vervoerder, wegens een ongeval of ten gevolge van een ander voorval tijdens het vervoer, niet in staat is de in artikel 13 bedoelde termijn in acht te nemen, moet hij de bevoegde autoriteit bedoeld in lid 1 zo spoedig mogelijk daarvan verwittigen. Deze autoriteit tekent een en ander aan op het document T1. Artikel 22
1. De goederen moeten, onder overlegging van het document T1, aan het kantoor van bestemming worden aangebracht.
2. Het kantoor van bestemming voorziet de exemplaren van het document T1 van aantekeningen omtrent de uitslag van de verrichte controle, zendt onverwijld een exemplaar aan het kantoor van vertrek terug en behoudt het andere exemplaar.
3. Het communautair douanevervoer kan eindigen bij een ander kantoor dan het kantoor dat in het document T1 is vermeld. Dat kantoor wordt dan kantoor van bestemming.
4. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn bij het kantoor van bestemming worden aangebracht, en het niet-naleven van deze termijn te wijten is aan omstandigheden welke ten genoegen van het kantoor van bestemming naar behoren worden aangetoond en die niet toe te schrijven zijn aan de vervoerder of de aangever, wordt deze laatste geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen.
Artikel 23
Het communautaire douanevervoer eindigt wanneer de goederen en het bijbehorende document T1 bij het kantoor van bestemming worden aangebracht.
Hoofdstuk 2
Zekerheidstelling
Artikel 24
1. Ter verzekering van de voldoening van de rechten en andere heffingen die een der Lid-Staten eventueel gerechtigd is te vorderen op goederen die bij communautair douanevervoer over zijn grondgebied worden vervoerd, wordt door de aangever behoudens het bepaalde in de artikelen 32 en 33, zekerheid gesteld.
De in de eerste alinea bedoelde zekerheid is geldig in de hele Gemeenschap.
2. De zekerheid kan of wel doorlopend voor meerdere aangiften voor communautair douanevervoer of wel per aangifte worden gesteld.
3. Behoudens artikel 29, lid 2, bestaat de zekerheidstelling in de hoofdelijke verbintenis van elke derde natuurlijke of rechtspersoon die:
- zijn normale verblijfplaats of een vestiging heeft in de Gemeenschap, en
- onder voorbehoud van de bepalingen met betrekking tot het vrij verlenen van diensten, erkend is door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de zekerheid wordt gesteld. Aan deze erkenning kan onder meer de voorwaarde zijn verbonden dat de borg een persoon is wiens hoofd- of nevenberoep bestaat uit het verlenen van zulke diensten.
Artikel 25
1. De in artikel 24, lid 3, bedoelde borgtocht moet worden aangegaan bij een akte volgens een nader vast te stellen model.
2. Wanneer de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of de gebruiken zulks noodzakelijk maken, kan elke Lid-Staat de borgtocht in een andere vorm doen aangaan dan bij de vorenbedoelde akte, mits de gevolgen daarvan gelijk zijn aan die van de akte volgens het model.
Artikel 26
1. De doorlopende zekerheid wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling.
2. Het kantoor van zekerheidstelling stelt het bedrag van de borgtocht vast, aanvaardt de verbintenis van de borg en verleent vooraf toestemming op grond waarvan de aangever binnen de grenzen van de borgtocht elk communautair douanevervoer kan verrichten, ongeacht het kantoor van vertrek.
3. Aan elke persoon die een voorafgaande toestemming heeft gekregen, wordt onder de door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten vastgestelde voorwaarden een of meer certificaten van borgtocht afgegeven.
4. Op elke aangifte T1 moet naar dit certificaat worden verwezen.
Artikel 27
Het kantoor van zekerheidstelling kan de voorafgaande toestemming intrekken, wanneer niet meer wordt voldaan aan de bij het verlenen daarvan gestelde voorwaarden.
Artikel 28
1. Iedere Lid-Staat kan goedvinden dat de in artikel 24 bedoelde borg, per aangifte bij één enkele akte en voor een nader vast te stellen vast bedrag, de betaling waarborgt van de rechten andere heffingen die eventueel opeisbaar worden naar aanleiding van elk communautair douanevervoer dat onder zijn aansprakelijkheid plaatsvindt, ongeacht wie de aangever is. Wanneer het goederenvervoer grotere risico's inhoudt, onder meer rekening houdend met de druk van de rechten en de andere heffingen die in één of meer Lid-Staten voor deze goederen gelden, wordt het vaste bedrag verhoogd door het kantoor van vertrek.
De in de eerste alinea bedoelde borgtocht moet worden aangegaan bij een akte volgens een nader vast te stellen model.
2. De forfaitaire zekerheid wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling.
Artikel 29
1. Wanneer de zekerheid per aangifte voor communautair douanevervoer wordt gesteld, geschiedt dit op het kantoor van vertrek. Het kantoor van vertrek stelt het bedrag van de zekerheid vast.
2. De in lid 1 bedoelde zekerheid kan in geld worden gesteld bij het kantoor van vertrek. In dit geval wordt zij terugbetaald wanneer het document T1 bij het kantoor van vertrek wordt gezuiverd.
Artikel 30
Onverminderd de bepalingen die in andere gevallen van ontheffing voorzien, wordt de aangever door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten ontheven van de verplichting tot betaling van de rechten en andere heffingen met betrekking tot goederen:
a) die teloor zijn gegaan door naar behoren vastgestelde overmacht of naar behoren vastgesteld toeval of,
b) waarvan wordt bevonden dat zij ontbreken door oorzaken die verband houden met hun aard.
Artikel 31
De borg is ontslagen van zijn verplichtingen wanneer het document T1 door het kantoor van vertrek gezuiverd is.
De borg is eveneens ontslagen van zijn verplichtingen na afloop van een termijn van twaalf maanden, te rekenen van de dag van geldigmaking van de aangifte T1, indien hij niet door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek in kennis is gesteld van de niet-zuivering van het document T1.
Wanneer de borg, binnen de in de tweede alinea bedoelde termijn, door de bevoegde autoriteiten in kennis is gesteld van de niet-zuivering van het document T1, moet hem bovendien ter kennis worden gebracht dat hij verplicht is of verplicht kan worden de bedragen te betalen waarvoor hij ten aanzien van het betrokken communautair douanevervoer aansprakelijk is. Deze kennisgeving moet binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van geldigmaking van de aangifte T1, bij de borg aankomen. Indien een dergelijke kennisgeving niet binnen bovengenoemde termijn plaatsvindt, is de borg eveneens van zijn verplichtingen ontslagen.
Hoofdstuk 3
Ontheffing van zekerheidstelling
Artikel 32
1. Elke persoon die voldoet aan de in lid 2 gestelde voorwaarden kan van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarin hij gevestigd is, met inachtneming van de in lid 3 bepaalde beperkingen, ontheffing van zekerheidstelling verkrijgen voor door hem gepleegde verrichtingen op het gebied van het externe communautaire douanevervoer, ongeacht de Lid-Staat van vertrek en de Lid-Staten waarvan het grondgebied voor deze verrichtingen wordt gebruikt.
2. De in lid 1 bedoelde ontheffing wordt slechts verleend aan die personen:
a) die hun woonplaats hebben in de Lid-Staat waar de ontheffing van zekerheidstelling wordt verleend, en
b) die de regeling inzake het communautair douanevervoer op niet-incidentele wijze gebruiken, en
c) die financieel in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen, en
d) die geen ernstige inbreuk hebben gemaakt op de douane- en belastingwetgeving, en
e) die zich volgens een nader vast te stellen model, ertoe hebben verbonden op het eerste schriftelijk verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten de bedragen te betalen die worden gevorderd uit hoofde van het door hen verrichte communautaire douanevervoer.
3. De ontheffing van zekerheidstelling die wordt verleend overeenkomstig de leden 1 en 2 is niet van toepassing op communautair douanevervoer met betrekking tot goederen:
a) met een totale waarde die een nader vast te stellen bedrag overschrijdt, of
b) die verhoogde risico's met zich brengen, gezien de hoogte van de rechten en andere heffingen waaraan deze goederen in één of meer Lid-Staten onderhevig zijn.
4. Aan elk persoon die ontheffing van zekerheidstelling heeft verkregen, wordt door de autoriteiten die de ontheffing hebben verleend, in één of meer exemplaren een certificaat inzake ontheffing van zekerheidstelling verstrekt. Bij toepassing van de ontheffing van zekerheidstelling moet op de overeenkomende verklaring T1 naar dit certificaat worden verwezen.
5. De autoriteiten die de ontheffing van zekerheidstelling hebben verleend, trekken deze ontheffing in:
a) in geval van ernstige inbreuk, gepleegd door degene aan wie de ontheffing is verleend, als aangever van een verrichting op het gebied van het communautaire douanevervoer;
b) indien niet meer wordt voldaan aan een van de in lid 2 bedoelde voorwaarden;
c) indien de belanghebbende de verbintenis die hij op grond van lid 2, onder e), is aangegaan, niet is nagekomen.
Artikel 33
1. Behalve in naar behoefte vast te stellen gevallen, behoeft er geen zekerheid te worden gesteld voor:
a) vervoer over zee en door de lucht;
b) het vervoer van goederen over de Rijn en de Rijnvaartwegen; c) het vervoer door middel van leidingen;
d) het door de spoorwegmaatschappijen van de Lid-Staten verrichte vervoer.
2. Voor het vervoer van goederen over andere dan de in lid 1, onder b), bedoelde binnenwateren op zijn grondgebied kan elke Lid-Staat ontheffing verlenen van de verplichting tot het stellen van zekerheid. Hij brengt de daartoe getroffen maatregelen ter kennis van de Commissie, die de andere Lid-Staten daarvan op de hoogte brengt.
Hoofdstuk 4
Onregelmatigheden
Artikel 34
1. Wanneer wordt vastgesteld dat tijdens of naar aanleiding van een communautair douanevervoer in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen - onverminderd eventuele strafvervolging - door deze Lid-Staat ingesteld volgens de communautaire of nationale bepalingen.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat bij een communautair douanevervoer een overtreding of een onregelmatigheid is begaan, zonder dat het mogelijk is de plaats te bepalen waar zij is begaan, wordt deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de Lid-Staat waar zij is vastgesteld.
3. Wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan
- in de Lid-Staat waartoe het kantoor van vertrek behoort, of
- in de Lid-Staat waartoe het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap behoort en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven,
tenzij binnen een nader te bepalen termijn, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, genoemde overtreding of onregelmatigheid geacht blijkt te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek of in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in de eerste alinea, tweede streepje, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat geïnd volgens de communautaire of nationale bepalingen.
Indien vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van geldigmaking van de aangifte T1, kan worden vastgesteld in welke Lid-Staat genoemde overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen over tot de inning van de rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) op de betrokken goederen. In dat geval worden de aanvankelijk geïnde rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) terugbetaald zodra het bewijs is geleverd dat deze zijn geïnd.
De zekerheid waaronder het communautair douanevervoer heeft plaatsgevonden, wordt pas vrijgegeven aan het eind van genoemde termijn van drie jaar of eventueel na betaling van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.
De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en doeltreffend te bestraffen.
Hoofdstuk 5
Rechtsgevolgen en wederzijdse bijstand
Artikel 35
1. De door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat op regelmatige wijze afgegeven documenten T1 en de door deze autoriteiten getroffen of aanvaarde identificatiemaatregelen hebben in de andere Lid-Staten rechtsgevolgen als waren deze documenten op regelmatige wijze afgegeven en deze maatregelen getroffen of aanvaard door de bevoegde autoriteiten van elk van deze Lid-Staten.
2. De vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat bij de controles in het kader van de regeling voor communautair douanevervoer, hebben in de andere Lid-Staten dezelfde bewijskracht als de vaststellingen gedaan door de bevoegde autoriteiten van elk van deze Lid-Staten.
Artikel 36
Voor zover nodig geven de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten elkaar kennis van de vaststellingen, zenden zij elkaar documenten, rapporten, processen-verbaal toe en verstrekken zij elkaar inlichtingen betreffende het vervoer dat met toepassing van de regeling voor communautair douanevervoer heeft plaatsgevonden; voorts doen zij elkaar mededeling van onregelmatigheden en overtredingen met betrekking tot deze regeling.
TITEL VI
INTERN COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER
Artikel 37
1. Voor met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer te vervoeren goederen dient een aangifte T2 te worden gedaan. Onder een aangifte T2 wordt verstaan, een aangifte gesteld op een formulier dat overeenstemt met het volgens de geldende communautaire bepalingen vastgestelde model.
2. Het in lid 1 bedoelde formulier kan in voorkomend geval worden aangevuld met een of meer aanvullende formulieren die overeenstemmen met het model van het overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen vastgestelde aanvullende formulier.
3. De bepalingen van titel V zijn mutatis mutandis van toepassing op de regeling voor intern communautair douanevervoer.
TITEL VII
BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE BEPAALDE WIJZEN VAN VERVOER
Artikel 38
Artikel 18 is niet van toepassing op het vervoer van goederen per spoor.
In de gevallen waarin, overeenkomstig artikel 18, lid 2, nog een kennisgeving van doorgang moet worden afgegeven, vervangt de door de spoorwegmaatschappijen gevoerde administratie deze kennisgeving van doorgang.
Artikel 39
1. Wanneer goederen door de lucht worden vervoerd van een luchthaven in een derde land naar een luchthaven op het douanegebied van de Gemeenschap, worden zij geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij hun communautair karakter wordt vastgesteld.
2. Wanneer goederen door de lucht worden vervoerd van een luchthaven op het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere luchthaven op dit gebied, worden zij geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij met toepassing van lid 3 het communautair karakter niet bezitten.
3. De in de artikelen 1 en 3 bedoelde regeling voor communautair douanevervoer is ten aanzien van goederen die door de lucht worden vervoerd slechts verplicht wanneer deze goederen in een luchthaven van de Gemeenschap worden geladen of overgeladen.
Artikel 40
1. Wanneer goederen over zee worden vervoerd van een haven in een derde land naar een haven op het douanegebied van de Gemeenschap, worden zij geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij hun communautair karakter wordt vastgesteld.
2. Wanneer goederen over zee worden vervoerd van een haven op het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere haven op dit gebied, worden zij geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij met toepassing van lid 3 het communautair karakter niet bezitten of behalve in, waar nodig, nader te bepalen bijzondere gevallen.
3. De in de artikelen 1 en 3 bedoelde regeling voor communautair douanevervoer is ten aanzien van goederen die over zee worden vervoerd slechts verplicht wanneer deze goederen in een haven van de Gemeenschap worden geladen of overgeladen.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden goederen die in een in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen vrijhaven worden geladen of overgeladen, geacht te zijn geladen of overgeladen in een in een derde land gelegen haven.
TITEL VIII
BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE POSTZENDINGEN
Artikel 41
1. In afwijking van de artikelen 1 en 3, is de regeling voor communautair douanevervoer niet van toepassing op postzendingen (postpakketten daaronder begrepen).
2. Artikel 6, lid 1, is van toepassing op goederen die zich bevinden in zendingen welke worden verzonden vanuit een postkantoor in de Gemeenschap, tenzij op de verpakkingen of de begeleidende documenten een etiket van een nog vast te stellen model is aangebracht. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van verzending moeten bedoeld etiket op de verpakkingen en de begeleidende documenten aanbrengen of doen aanbrengen, wanneer de goederen niet-communautaire goederen zijn.
TITEL IX
BEPALINGEN INZAKE DE TOEPASSING VAN DEZE VERORDENING
Artikel 42
1. Er wordt een Comité Communautair Douanevervoer ingesteld, hierna »Comité" te noemen, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en dat onder voorzitterschap staat van een vertegenwoordiger van de Commissie.
2. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 43
Het Comité kan elk vraagstuk betreffende de toepassing van deze verordening onderzoeken, dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld.
Artikel 44
1. Volgens de procedure van de leden 2 en 3 worden de bepalingen vastgesteld die noodzakelijk zijn:
a) voor de toepassing van deze verordening en met name voor de vaststelling van de modellen van de akten van borgtocht overeenkomstig de artikelen 25 en 28; voor de vaststelling van het bedrag van de forfaitaire zekerheidstelling overeenkomstig artikel 28; voor de vaststelling van de waarde waarboven de ontheffing van zekerheidstelling niet van toepassing is overeenkomstig artikel 32, lid 3; b) voor de aanpassing van de regeling voor communautair douanevervoer met het oog op de toepassing van sommige communautaire maatregelen die een controle op het gebruik of de bestemming van de goederen die daarvan het voorwerp zijn, met zich brengen;
c) voor de vereenvoudiging van de formaliteiten van de regelingen voor communautair douanevervoer of voor de aanpassing van deze formaliteiten aan eisen welke uit de aard van bepaalde goederenbewegingen of bepaalde ondernemingen voortvloeien;
d) voor het beheer en het nazicht en sluiten van verrichtingen van het communautair douanevervoer met behulp van overheids- of particuliere computersystemen.
2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp. Het Comité spreekt zich uit met de in artikel 148, lid 2, van het Verdrag bedoelde meerderheid.
3. a) De Commissie stelt de beoogde bepalingen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.
b) Wanneer de beoogde bepalingen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de vast te stellen bepalingen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
c) Indien na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen bepalingen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde bepalingen vast.
TITEL X
SLOTBEPALINGEN
Artikel 45
Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de maatregelen die hij treft voor de toepassing van deze verordening.
De Commissie geeft deze inlichtingen aan de overige Lid-Staten door.
Artikel 46
1. Verordening (EEG) nr. 222/77 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop de onderhavige verordening van toepassing wordt.
2. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 44 de overgangsbepalingen vast die van toepassing zijn op vóór 1 januari 1993 begonnen communautair douanevervoer.
TITEL XI
INWERKINGTREDING
Artikel 47
1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
Zij is van toepassing vanaf 1 januari 1993.
2. Vóór 1 oktober 1992 wordt deze verordening door de Raad opnieuw bezien aan de hand van een verslag van de Commissie over de stand van de harmonisatiewerkzaamheden ten aanzien van de bepalingen inzake de totstandbrenging van de interne markt, die met het oog op de juiste toepassing van deze verordening noodzakelijk zijn. Het verslag gaat eventueel vergezeld van voorstellen waarover de Raad zich met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uitspreekt.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 17 september 1990.
Voor de Commissie
De Voorzitter
P. ROMITA