Verordening (EEG) nr. 2737/90 van de Raad van 24 september 1990 tot instelling van een definitief anti- dumpingrecht op de invoer van wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot definitieve inning van het voorlopige recht
Verordening (EEG) nr. 2737/90 van de Raad van 24 september 1990 tot instelling van een definitief anti- dumpingrecht op de invoer van wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot definitieve inning van het voorlopige recht
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 2737/90 VAN DE RAAD
van 24 september 1990
tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot definitieve inning van het voorlopige recht
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 12,
Gezien het voorstel van de Commissie dat werd ingediend na overleg in het bij genoemde verordening ingestelde Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. Voorlopige maatregelen
(1) Bij Verordening (EEG) nr. 763/90 (2) heeft de Commissie een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op de invoer van wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide van GN-code 2849 90 30 en van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Dit recht is bij Verordening (EEG) nr. 2127/90 (3) voor een periode van ten hoogste twee maanden verlengd.
B. Vervolg van de procedure
(2) Na de instelling van het voorlopige anti-dumpingrecht heeft de »China Chamber of Commerce of Metals, Minerals and Chemicals Importers and Exporters", hierna de »Chinese Kamer van Koophandel" genoemd, namens twee Chinese exporteurs, »China National Non-Ferrous Metals Import and Export Corporation" (CNIEC) en »China National Metals and Minerals Import and Export Corporation" (Minmetals), bij de Commissie een verzoek ingediend om te worden gehoord. Dit verzoek werd ingewilligd.
(3) De Commissie heeft de Chinese Kamer van Koophandel op de hoogte gebracht van de voornaamste feiten en overwegingen op basis waarvan zij overwoog de aanbeveling te doen definitieve rechten in te stellen en tot de definitieve inning van de als zekerheid voor het voorlopige recht gestorte bedragen over te gaan. De Chinese Kamer van Koophandel en de Chinese exporteurs werd verder een termijn gegeven om opmerkingen te maken.
(4) Een importeur die zich niet binnen de in het bericht van inleiding bedoelde termijn bij de Commissie had gemeld, is eveneens op zijn verzoek door de Commissie gehoord op grond van artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 763/90.
(5) De Commissie heeft alle gemaakte opmerkingen in overweging genomen alvorens haar definitieve conclusies op te stellen, die door de Raad worden bevestigd.
(6) De termijn van één jaar voor het afsluiten van het onderzoek waarvan sprake is in artikel 7, lid 9, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2423/88, werd in het onderhavige geval overschreden ten gevolge van de duur van het overleg in het Raadgevend Comité, dat aan de instelling van de voorlopige maatregelen is voorafgegaan.
C. Onderzocht produkt en soortgelijk produkt
(7) Volgens de in overweging 4 bedoelde importeur zijn de wolfraamcarbiden uit de Volksrepubliek China en die welke in de Gemeenschap worden geproduceerd kwalitatief gezien niet vergelijkbaar, ook al hebben zij een zelfde scheikundige samenstelling. Deze importeur beweerde namelijk dat de Chinese carbiden slechts voor de minst verfijnde doeleinden konden worden gebruikt (fabricage van gereedschap), omdat bij deze carbiden de grootte en de verdeling van de korrels minder betrouwbaar waren.
(8) Hoewel bovengenoemde importeur dit argument heeft aangewend om de lage prijzen van de Chinese exporteurs te verklaren (dit standpunt zal in overweging 17 eveneens vanuit deze optiek worden behandeld), was de Commissie van oordeel dat het dienstig was dit argument eveneens in verband met de omschrijving van het soortgelijke produkt te onderzoeken, voor zover de beweerde kwaliteitsverschillen tot een verschillend eindgebruik konden leiden.
(9) De Commissie merkt hierbij op, dat geen strikt gespecialiseerd eindgebruik bestaat voor wolfraamcarbiden van oorsprong uit de Volksrepubliek China en voor die welke door de producenten van de Gemeensch worden gefabriceerd, aangezien
- de producenten van de Gemeenschap zonder onderscheid aan alle categorieën gebruikers verkopen;
- bij gebrek aan medewerking van de zijde van de Chinese exporteurs en producenten en van de importeurs in de Gemeenschap, het niet mogelijk is na te gaan of de Chinese leveringen voor een beperkte, of zelfs voor een welbepaalde, categorie gebruikers zijn bestemd;
- het bestaan van enkele zeer gespecialiseerde en betrekkelijk marginale doeleinden (waarvoor bijzondere eisen worden gesteld waaraan de producenten in de Gemeenschap gemakkelijker kunnen voldoen dan leveranciers op zeer grote afstand) niet belet dat wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide, of die nu door de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn vervaardigd of door de Volksrepubliek China uitgevoerd, over het algemeen onderling verwisselbare produkten zijn, en dus op een groot deel van de markt met elkaar concurreren.
Op grond van een en ander kunnen deze produkten als soortgelijke produkten in de zin van artikel 2, lid 12, van Verordening (EEG) nr. 2423/88 worden beschouwd.
(10) De Raad bevestigt de conclusie dat het in de Gemeenschap geproduceerde wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide gelijksoortig zijn met het uit China ingevoerde wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide in de zin van voornoemd artikel 2.
D. Dumping
(11) Sinds het instellen van het voorlopige recht zijn geen nieuwe elementen ten aanzien van invoer met dumping uit de Volksrepubliek China meegedeeld. De Raad bevestigt de conclusies ten aanzien van invoer met dumping uit de Volksrepubliek China zoals die in Verordening (EEG) nr. 763/90 zijn uiteengezet.
E. Schade
(12) Met betrekking tot de schade heeft de Chinese Kamer van Koophandel twee argumenten aangevoerd.
Het eerste argument betreft het handelsgedrag van de Volksrepubliek China, respectievelijk van de Republiek Korea. (Onderhavige procedure had aanvankelijk ook betrekking op invoer uit Korea. Deze invoer werd evenwel niet als oorzaak van aanzienlijke schade aangemerkt. De procedure ten aanzien van deze invoer werd derhalve bij Verordening (EEG) nr. 763/90 beëindigd.) Volgens dit argument, dat steunt op statistieken van de Gemeenschap over de jaren 1986, 1987 en 1988, zou de exporteur van de Republiek Korea bij verkoop in de Gemeenschap grotere prijsverminderingen toepassen dan die welke aan de Chinese exporteurs worden toegeschreven.
(13) De Commissie wijst in dit verband op de in overweging 27 van Verordening (EEG) nr. 763/90 aangevoerde gronden om in het geval van Korea uit te gaan van gegevens die naar voren kwamen uit de vragenlijst die de Koreaanse exporteur had ingevuld en die ter plaatse waren geverifieerd, en niet van gegevens van Eurostat.
Op grond hiervan bevestigt de Commissie haar conclusies ter zake van de prijsontwikkeling voor ingevoerde wolfraamcarbiden, zoals die in de overwegingen 31 en 32 van Verordening (EEG) nr. 763/90 zijn uiteengezet.
(14) Het tweede argument van de Chinese Kamer van Koophandel, dat ook door de in overweging 4 bedoelde importeur werd aangevoerd, heeft betrekking op de invloed van de Chinese leveringen op de markt van de Gemeenschap. Dit argument wordt met drie opmerkingen onderbouwd:
- het betrekkelijk geringe marktaandeel van de exporteurs van de Volksrepubliek China (5,3 % in het referentietijdvak);
- de omvangrijke uitvoer tegen lage prijzen door producenten van de Gemeenschap;
- het belangrijke marktaandeel van de invoer uit Oostenrijk en uit de Verenigde Staten van Amerika.
Op basis van deze gegevens, die zijn ontleend aan officiële statistieken van de Gemeenschap over de jaren 1984 tot en met 1988, hebben de vertegenwoordigers van de Chinese exporteurs de conclusie getrokken dat de producenten van de Gemeenschap hun produkten liever tegen lage prijzen uitvoeren dan ze tegen meer lonende prijzen op de markt van de Gemeenschap te verkopen. Zij hebben zodoende een aanzienlijk deel van de markt van de Gemeenschap overgelaten aan leveranciers uit derde landen, waaronder die van de Volksrepubliek China slechts een bescheiden plaats innemen.
De Chinese Kamer van Koophandel was dan ook van oordeel dat de schade in het licht van deze factoren diende te word heronderzocht en meende dat de producenten van de Gemeenschap vanuit dit gezichtspunt op de markt van de Gemeenschap geen aanmerkelijke schade hadden geleden.
(15) De Commissie heeft dit argument onderzocht, maar is tot de conclusie gekomen dat de voorlopige conclusies ten aanzien van de schade er niet door worden aangetast.
Wat de opmerkingen over het marktaandeel in overweging 14, eerste en tweede streepje, betreft, wijst de Commissie op de strekking van de overwegingen 29, 33 en 44 van Verordening (EEG) nr. 763/90, die de tussenkomende partijen niet afdoende hebben kunnen weerleggen, te weten
- dat ingevoerde produkten met slechts een gering marktaandeel (in het referentietijdvak bedroeg dit 5,3 % voor de Volksrepubliek China) aanmerkelijke schade kunnen toebrengen wanneer de invoer met een aanzienlijke prijsonderbieding gepaard gaat (deze bedroeg in het referentietijdvak 35,34 % voor de Volksrepubliek China);
- dat er geen sprake is van een duidelijke prijsonderbieding en dus ook niet van schade bij de invoer van oorsprong uit andere derde landen (met name Oostenrijk en de Verenigde Staten van Amerika), traditionele leveranciers van wolfraamcarbiden in de Gemeenschap, waarvan het marktaandeel in het tijdvak 1984 tot en met 1988 stabiel is gebleven.
(16) Wat de in overweging 14, tweede streepje, geformuleerde opmerking betreft, merkt de Commissie op dat zij is gebaseerd op een analyse van statistische gegevens van de Gemeenschap over de prijzen van het betrokken produkt bij uitvoer uit de Gemeenschap in de periode 1984 tot en met 1988, waarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de prijsontwikkeling die uit deze analyse naar voren komt, de activiteiten van de producenten van de Gemeenschap weerspiegelt. Op grond van de gegevens die de Commissie bij het onderzoek ter plaatse bij de drie betrokken producenten heeft verkregen, is het mogelijk op deze analyse een correctie aan te brengen. Deze correctie is inderdaad nodig gezien het belangrijke aandeel van de zogenaamde »conversie"-activiteit bij uitvoer (zie overweging 36 van Verordening (EEG) nr. 763/90).
Deze activiteit houdt in dat producenten van de Gemeenschap de grondstof die een klant toebehoort op basis van een dienstencontract tot wolfraamcarbide verwerken, wat de lage prijzen verklaart die uit de uitvoerstatistieken van de Gemeenschap naar voren komen.
De prijzen die in Eurostat zijn vermeld zijn gemiddelden van:
- enerzijds, de normale verkoopprijzen van de eigen produktie die voor uitvoer wordt verkocht, en
- anderzijds, de prijzen die worden aangerekend wanneer producenten van de Gemeenschap carbiden uitvoeren die zij hebben vervaardigd uit grondstoffen die hun niet toebehoren.
Gezien het belangrijke aandeel van de grondstofkosten in de wolfraamsector hebben de conversiecontracten een grote invloed op de gemiddelde prijzen, maar dit kan geen argument zijn om het commerciële beleid van de betrokken producenten van de Gemeenschap in twijfel te trekken. Het onderzoek van de feiten wijst integendeel uit dat deze producenten er hoegenaamd niet voor hebben gekozen hun produkten tegen lage prijzen uit te voeren en dat zij ook de concurrentie op de markt van de Gemeenschap niet uit de weg willen gaan.
(17) De in overweging 4 bedoelde importeur heeft nog twee andere argumenten met betrekking tot de schade naar voren gebracht. Het eerste, dat reeds in overweging 7 werd vermeld, heeft betrekking op een kwaliteitsverschil tussen de produkten die uit China worden ingevoerd en die welke in de Gemeenschap worden gefabriceerd. Dit zou een prijsverschil verklaren waarmee de Commissie bij de berekening van de prijsonderbieding (overweging 33 van Verordening (EEG) nr. 763/90) en de schade (overweging 53 van dezelfde verordening) geen rekening heeft gehouden.
Door het beweerde kwaliteitsverschil, dat verband houdt met een minder grote regelmatigheid van de carbiden uit China, zouden de eindgebruikers deze produkten slechts voor de minst verfijnde doeleinden aanwenden of zouden zij daarop kwaliteitscontroles en eventueel bewerkingen toepassen alvorens ze te gebruiken.
(18) De Commissie kan in verband hiermee bevestigen dat de gebruikers van wolfraamcarbiden in het algemeen een regelmatig produkt nodig hebben en daarom
- grondstoffen van een nieuwe leverancier allereerst uittesten en bijstellen voor zij met een produktie beginnen, en
- vervolgens regelmatig kwaliteitscontroles en eventueel bewerkingen uitvoeren alvorens de produkten te gebruiken.
Deze voorzorgsmaatregelen worden niet alleen op de produkten uit de Volksrepubliek China toegepast, maar ook op de produkten die bij de producenten van de Gemeenschap en bij elke andere producent worden aangekocht. Het gaat hier dus niet om een specifiek kenmerk van carbiden uit China op grond waarvan verklaard zou kunnen worden waarom de prijzen ervan stelselmatig lager liggen dan die van de producenten van de Gemeenschap.
(19) Wat het eigenlijke kwaliteitsverschil betreft dat eventueel door bepaalde hierboven genoemde controles zou kunnen worden aangetoond, heeft de Commissie de betrokken importeur verzocht objectieve en becijferde gegevens te verstrekken om de grootte van dit verschil in geldwaarde uit te drukken, maar deze heeft gee gegevens kunnen verstrekken aan de hand waarvan een dergelijke vaststelling kan worden gedaan.
Gelet op een en ander is de Commissie van oordeel dat het dienstig noch mogelijk is de betrokken berekeningen op redelijke basis te herzien.
(20) De Commissie wijst erop dat zij bij haar berekeningen vooraf rekening heeft gehouden met eventuele kwaliteitsverschillen (bij bepaalde leveranties die aan bijzondere specificaties moesten voldoen) door
- bij het vaststellen van de prijsonderbieding, de verkoopprijs aan te houden die door producenten in de Gemeenschap wordt gehanteerd voor carbiden van standaardkwaliteit,
- bij het vaststellen van de schade, de produktiekosten aan te houden voor carbiden van standaardkwaliteit bij de meest representatieve producent van de Gemeenschap, verhoogd met een redelijke winstmarge van 10 % van de produktiekosten.
(21) Volgens het tweede argument van de in overweging 4 bedoelde importeur was de neerwaartse druk op de prijzen van wolfraamcarbiden in de Gemeenschap sinds 1987 het gevolg van een natuurlijke prijsaanpassing, omdat de prijs van carbiden op de Gemeenschapsmarkt tot dan toe te hoog was geweest. De Commissie merkt te deze op, dat zij tijdens het onderzoek bij de producenten van de Gemeenschap heeft kunnen nagaan dat de winsten van deze producenten in de periode 1984 tot en met 1987 op een niveau lagen dat voor het betrokken produkt normaal wordt geacht en dat de daling van de verkoopprijzen (die overigens zeer gering was zoals in overweging 40 van Verordening (EEG) nr. 763/90 is uiteengezet) rechtstreeks in verband kon worden gebracht met de stijging van de Chinese invoer tegen dumpingprijzen.
(22) Na het instellen van het voorlopige recht werd geen ander nieuw feit met betrekking tot de schade of het oorzakelijke verband tussen dumping en schade meegedeeld. De Raad bevestigt de conclusies ten aanzien van de schade zoals die in Verordening (EEG) nr. 763/90 zijn uiteengezet.
F. Belang van de Gemeenschap
(23) Geen enkele gebruiker van wolfraamcarbide of gesmolten wolfraamcarbide van oorsprong uit de Volksrepubliek China heeft zich na het instellen van het voorlopige recht bij de Commissie bekend gemaakt.
Slechts de in overweging 4 bedoelde importeur heeft het argument ingeroepen dat de Commissie in overweging 48 van Verordening (EEG) nr. 763/90 had vermeld, zonder echter enig nieuw element ter versterking hiervan aan te voeren.
(24) De Raad bevestigt de conclusies van de Commissie in de overwegingen 48 tot en met 52 van Verordening (EEG) nr. 763/90 volgens welke het in het belang van de Gemeenschap is dat een einde wordt gemaakt aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap van de geconstateerde dumping ondervindt.
G. Definitief recht
(25) De Raad bevestigt dat het noodzakelijk wordt geacht een ad valorem-recht in te stellen dat, hoewel aanmerkelijk lager dan de gevonden dumpingmarge, voldoende hoog is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt.
(26) Aangezien de conclusies van de Commissie over de vorm en de hoogte van het voorlopige anti-dumpingrecht, zoals uiteengezet in overweging 53 van Verordening (EEG) nr. 763/90, ongewijzigd blijven (zie overweging 18), dient het definitieve anti-dumpingrecht gelijk te zijn aan het voorlopige anti-dumpingrecht.
H. Verbintenissen
(27) Twee Chinese exporteurs, CNIEC en Minmetals, hebben verbintenissen aangeboden die aanvaardbaar worden geacht. Deze verbintenissen hebben tot gevolg dat de prijs van de betrokken produkten voldoende stijgt om de schade die de producenten van de Gemeenschap lijden, op te heffen.
Na overleg, waarbij twee Lid-Staten bezwaar maakten tegen deze oplossing, zijn deze verbintenissen bij Besluit 90/480/EEG van de Commissie (4) aanvaard.
I. Inning van het voorlopige recht
(28) Gezien de grootte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toegebrachte schade, acht de Raad het noodzakelijk dat de uit hoofde van het voorlopige anti-dumpingrecht als zekerheid gestorte bedragen definitief en in hun geheel worden geïnd,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op de invoer van wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide, van GN-code 2849 90 30 en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt een definitief anti-dumpingrecht ingesteld.
2. Het recht bedraagt 33 % van de nettoprijs van het produkt, franco grens Gemeenschap, niet ingeklaard (Taric aanvullende code 8477).
De prijs franco grens Gemeenschap is netto indien volgens de werkelijke betalingsvoorwaarden de betaling binnen dertig dagen na aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap dient te geschieden. De prijs wordt met 1 % verhoogd voor elke maand dat later wordt betaald.
3. Het in lid 2 bedoelde recht wordt niet toegepast op wolfraamcarbide en gesmolten wolfraamcarbide dat naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd door
- China National Non-Ferrous Metals Import and Export Corporation (CNIEC) (Taric aanvullende code 8478),
en
- China National Metals and Minerals Import and Export Corporation (Minmetals) (Taric aanvullende code 8478).
4. De voor douanerechten van kracht zijnde bepalingen zijn van toepassing.
Artikel 2
De krachtens Verordening (EEG) nr. 763/90 als zekerheid voor het voorlopige anti-dumpingrecht gestorte bedragen worden in hun geheel definitief geïnd.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 24 september 1990.
Voor de Raad
De Voorzitter
V. SACCOMANDI
(1) PB nr. L 209 van 2. 8. 1988, blz. 1.
(2) PB nr. L 83 van 30. 3. 1990, blz. 36.
(3) PB nr. L 195 van 26. 7. 1990, blz. 2.
(1) Zie bladzijde 59 van dit Publikatieblad.