Verordening (EEG) nr. 3220/90 van de Commissie van 7 november 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor bepaalde oenologische procédés en behandelingen op grond van Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad
Verordening (EEG) nr. 3220/90 van de Commissie van 7 november 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor bepaalde oenologische procédés en behandelingen op grond van Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad
*****
VERORDENING (EEG) Nr. 3220/90 VAN DE COMMISSIE
van 7 november 1990
tot vaststelling van de voorwaarden voor bepaalde oenologische procédés en behandelingen op grond van Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE
GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1325/90 (2), en met name op artikel 15, lid 6,
Overwegende dat in Verordening (EEG) nr. 822/87 is bepaald dat de voorwaarden voor het gebruik van polyvinylpolypyrrolidon en melkzuurbacteriën moeten worden vastgesteld;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor wijn,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Polyvinylpolypyrrolidon dat mag worden gebruikt op grond van bijlage VI, punt 1, onder p), en punt 3, onder y), van Verordening (EEG) nr. 822/87, mag alleen worden toegepast als het beantwoordt aan de voorschriften in bijlage I bij deze verordening.
2. Melkzuurbacteriën die mogen worden gebruikt op grond van bijlage VI, punt 1, onder q), en punt 3, onder z), van Verordening (EEG) nr. 822/87, mogen alleen worden toegepast als zij beantwoorden aan de voorschriften in bijlage II bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van 1 september 1990.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 7 november 1990.
Voor de Commissie
Ray MAC SHARRY
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 84 van 27. 3. 1987, blz. 1.
(2) PB nr. L 132 van 23. 5. 1990, blz. 19.
BIJLAGE I
VOORSCHRIFTEN VOOR PVPP
Polyvinylpolypyrrolidon (PVPP), dat mag worden gebruikt op grond van bijlage VI, punt 1, onder p), en punt 3, onder y), van Verordening (EEG) nr. 822/87, is een polymeer van [1. (2 oxo - 1 pyrolidinylethyleen)] met een onregelmatige netwerkstructuur.
Het wordt gemaakt door polymerisatie van N-vinyl-2-pyrrolidon in aanwezigheid van caustische soda of N,N-divinylimidazolidon als katalysator.
KENMERKEN
Licht poeder, wit of roomwit.
Onoplosbaar in water en in organische oplosmiddelen.
Onoplosbaar in sterke minerale zuren en in basen.
TESTEN
1. Droogverlies
Minder dan 5 % onder de volgende omstandigheden:
Breng 2 g PVPP in een schaaltje van kwarts van 70 mm doorsnede; droog het gedurende zes uur in een stoof bij 100-105 °C. Laat in een exsiccator afkoelen en weeg.
Opmerking: Alle onderstaande grenswaarden zijn betrokken op het droge produkt.
2. Asrest
Gewicht van de asrest minder dan 0,5 % onder de volgende omstandigheden:
Verbrand het residu van test 1 snel zonder hogere temperatuur dan 500-550 °C, en weeg.
3. Arsenicum
Minder dan 2 ppm onder de volgende omstandigheden:
Voorbereiding van het te onderzoeken produkt:
Breng 0,5 g PVPP in een rondbodemkolf van borosilicaatglas, die op een ring staat met de hals enigszins scheef.
Voeg 5 ml zuiver zwavelzuur (p.a.) toe en 10 ml zuiver salpeterzuur (p.a.) en verwarm geleidelijk. Voeg wanneer het mengsel bruin wordt een kleine hoeveelheid salpeterzuur toe onder voortdurende verhitting; herhaal dit totdat de vloeistof kleurloos blijft en de kolf gevuld raakt met een witte nevel van SO3. Laat afkoelen, voeg 10 ml water toe en verhit opnieuw om nitreuze dampen te verdrijven tot de nevel wit is. Deze behandeling wordt een keer herhaald; laat de inhoud na een derde keer even koken, koel af en breng de vloeistof met water op 40 ml.
Reagentia (p.a.)
1. Geconcentreerde arseenoplossing (100 mg arsenicum per liter):
Weeg precies 0,132 g arsenigzuur-anhydride af dat vooraf bij 100 °C is gedroogd, en breng de stof in een konische kolf van 500 ml. Voeg 3 ml natronloog en 20 ml water toe. Schud tot het is opgelost. Neutraliseer deze arseenhoudende vloeistof met 15 ml tot 10 % (m/m) verdund zwavelzuur, en voeg verzadigd bronwater (p.a.) toe tot de gele kleur van vrij broom blijft bestaan (in theorie 7 ml). Breng het aan de kook om overmaat broom te verwijderen, breng het over in een maatkolf van 1 000 ml en vul tot de streep aan met gedestilleerd water.
2. Verdunde arseenoplossing (1 mg arsenicum per liter):
Meng:
1.2 // geconcentreerde arseenoplossing met 100 mg arsenicum per liter // 104 ml // gedestilleerd water // 1 000 ml
1 ml van deze oplossing bevat 1/1 000 milligram arsenicum.
3. Watten met loodacetaat:
Dompel hydrofiele watten in een oplossing van 5 % (m/v) loodacetaat, waaraan azijnzuur van 1 % is toegevoegd. Laat de watten uitdruipen en aan de lucht drogen. Bewaar ze in een goed gesloten fles.
4. Hydrofiele watten die in een stoof bij 100 °C zijn gedroogd:
Bewaar deze in een goed gesloten fles.
5. Kwikbromidepapier:
Breng in een rechthoekig cuvet een alcoholische oplossing van 5 % kwikbromide. Dompel in deze oplossing wit filtreerpapier van 80 g per vierkante meter onder; de stukken hebben een afmeting van 15 × 22 cm en zijn in tweeën gevouwen. Laat het papier uitdruipen en in het donker drogen, hangend over een draad, die niet van metaal mag zijn. Verwijder 1 cm langs de vouw en de slechte randen. Knip het papier in vierkanten van 15 × 15 mm; bewaar ze in een goed gesloten fles, die met zwart papier is bekleed. 6. Oplossing van tinchloride:
Laat bij kamertemperatuur 20 g zuiver tin (pro analyse) in korrelvorm oplossen in 100 ml zoutzuur, d = 1,19. Bewaar de oplossing met nog metallisch tin erin onder uitsluiting van lucht in een fles met een ventieldop.
7. Kaliumjodide-oplossing:
1.2 // Kaliumjodide // 10 g // Water // 100 ml.
8. Salpeterzuur (p.a.) voor onderzoek naar arsenicum:
Zuur met een dichtheid van 1,38 bij 20 °C, dat 61,5 tot 66,5 % salpeterzuur HNO3 bevat. Het mag geen met dithizon aantoonbaar lood bevatten, en niet meer dan 1 miljoenste aan chloride, 2 miljoenste aan sulfaat, 2 miljoenste aan orthofosfaat, en 1 honderdmiljoenste aan arsenicum.
9. Zwavelzuur voor onderzoek naar arsenicum (p.a.):
Zuur met een dichtheid van 1,831 tot 1,835 met minimaal 95 % zwavelzuur H2SO4. Het mag niet meer dan 0,0005 % vaste resten bevatten. Het mag niet meer bevatten dan 2 miljoenste aan zware metalen, 1 miljoenste aan ijzer, 1 miljoenste aan chloride, 1 miljoenste aan nitraat, 5 miljoenste aan ammonium, 2 honderdmiljoenste aan arsenicum.
10. Verdunde zwavelzuuroplossing van 20 % (v/v):
(36 g H2SO4 per 100 ml)
Meng:
1.2 // zuiver zwavelzuur (p.a.) // 200 ml // gedestilleerd water // 1 000 ml.
11. Geplatineerd zink:
Zuiver zink, vrij van arsenicum, in korrel- of staafvorm. Platineer het zink door het in een bekerglas te doen en het te bedekken met een platinachloride-oplossing van 1 op 20 000. Was het zink, nadat het twee uur in contact is geweest met de oplossing, met gedestilleerd water, laat het geplatineerde zink op verscheidene lagen vloeipapier uitlekken, droog het en doe het in een droge fles.
Nagegaan moet worden dat 5 g van dit zink, wanneer het in onderstaand apparaat wordt gebracht met 4,5 ml zuiver zwavelzuur, tot 40 ml aangevuld met water, waaraan verder toegevoegd zijn twee druppels tinchloride en 5 ml van de 10 % kaliumjodide-oplossing, na ten minste twee uur geen enkele vlek geeft op het kwikbromidepapier. Ook moet nagegaan worden dat bij toepassing van 1 mg arsenicum op de hierboven aangegeven wijze een duidelijke vlek optreedt.
Beschrijving van het apparaat:
Gebruik een kolf van 90 tot 100 ml met een glazen stop erop, die van een glazen buis met een inwendige diameter van 6 mm en een lengte van 90 mm is voorzien. De onderkant van deze buis is uitgetrokken en aan de zijkant voorzien van een opening (voorziening tegen spatten). De bovenkant eindigt in een geslepen plat vlak, haaks op de as van de buis. Een andere glazen buis met dezelfde binnendiameter en 30 mm lengte, eindigend in eenzelfde geslepen plat vlak als de vorige, kan erop worden vastgezet met twee spiraalveren of elastieken (zie figuur).
Werkwijze:
Breng in de afvoerbuis ter hoogte van A een pluk droge hydrofiele watten, en vervolgens een pluk watten met loodacetaat.
Breng een kwikbromidepapiertje tussen de beide delen van de afvoerbuis ter hoogte van B en maak beide delen van de buis weer aan elkaar vast. Breng in de kolf 40 ml zwavelzuuroplossing, twee druppels tin (II) chloride-oplossing en 5 ml kaliumjodide-oplossing. Wacht 15 minuten. Voeg 5 g geplatineerd zink toe en sluit de kolf onmiddellijk met de vooraf gereedgemaakte buis. Laat de gasontwikkeling doorgaan tot deze stopt (ten minste twee uur). Haal het apparaat uit elkaar, dompel het kwikbromidepapiertje gedurende een half uur in 10 ml kaliumjodide-oplossing en schud af en toe; spoel rijkelijk en laat het drogen.
Men mag geen bruine of gele vlek kunnen zien, of deze moet bleker zijn dan die welke men krijgt in een paralleltest met 1 ml arsenicumoplossing van 1 mg per milliliter, waaraan toegevoegd worden 4,5 ml zuiver zwavelzuur, aangevuld tot 40 ml met water, en verder twee druppels tinchloride en 5 ml kaliumjodide-oplossing van 10 %. 4. Zware metalen
Minder dan 20 ppm, uitgedrukt als lood, onder de volgende omstandigheden:
Los de asrest na weging op in 1 ml zuiver zoutzuur en 10 ml gedestilleerd water. Verwarm om het oplossen op gang te brengen. Vul aan tot 20 ml met gedestilleerd water. 1 ml van deze oplossing bevat de mineraalrest van 0,10 g PVPP.
10 ml van de asoplossing wordt in een reageerbuis van 160 × 16 gebracht met 2 ml van een zuivere natriumfluoride-oplossing van 4 %, 0,5 ml zuivere ammoniak, 3 ml water, 0,5 ml zuiver azijnzuur en 2 ml van een verzadigde waterige oplossing van waterstofsulfide.
Er mag geen enkel neerslag ontstaan. Indien een bruine verkleuring optreedt, moet deze minder zijn dan in de volgende controleproef:
Breng in een reageerbuis van 160 × 16 2 ml van een oplossing die 0,01 g lood (Pb) in 1 l bevat (10 mg Pb per liter), 15 ml water, 0,5 ml natriumfluoride van 4 % (m/v), 0,5 ml zuiver azijnzuur en 2 ml van een verzadigde waterige oplossing van waterstofsulfide. Deze buis bevat 20 mg lood.
Opmerking: In deze concentratie slaat loodsulfide alleen in een milieu met azijnzuur neer; een neerslag ervan zou kunnen worden verkregen met slechts 0,05 ml zoutzuur per 15 ml, maar die concentratie is in de praktijk te klein om goed in te stellen.
Door de 0,5 ml azijnzuur te vervangen door 0,5 ml zoutzuur worden slechts koper, kwik, enz. neergeslagen.
Eventueel aanwezig ijzer, meestal als ijzer (III), oxideert waterstofsulfide, waardoor een zwavelneerslag ontstaat dat het colloïdale neerslag van loodsulfide maskeert. Door complexering met 0,5 ml natriumfluoride oxideert het ijzerwaterstofsulfide makkelijker.
Deze hoeveelheid is voldoende om 1 mg ijzer (III) te complexeren. Vergroot de hoeveelheid natriumfluoride als er meer ijzer is.
Bij produkten met calcium moet na toevoeging van fluoride gefiltreerd worden.
5. Stikstof totaal
Van 11 tot 12,8 % onder de volgende omstandigheden:
Apparaat:
A. Het apparaat bestaat uit:
1. Een rondbodemkolf A van 1 l uit borosilicaatglas, die dient om stoom te produceren en die is voorzien van een vultrechter met kraan. Hij kan worden verwarmd met een gas- of elektrische kookplaat.
2. Een allonge C, die dient om de uit waskolf B komende gestripte vloeistof op te vangen.
3. Een waskolf B met scheve hals; de toevoerbuis moet tot onder in de kolf leiden. De afvoerbuis is voorzien van een spatbol, die het bovendeel van de waskolf vormt. Een trechter E met kraan dient voor het inbrengen van de te behandelen vloeistof en van loog.
4. Een verticale koeler van 30 tot 40 cm lang, met aan het eind een bol met een dunne tuit.
5. Een konische kolf van 250 ml om het destillaat op te vangen.
B. Eivormige mineralisatiekolf, van 300 ml, met lange hals.
Benodigde stoffen
Zuiver zwavelzuur,
Mineralisatiekatalysator,
Natronloog van 30 % (m/m),
Zuivere boorzuuroplossing van 40 % (m/v),
Zoutzuuroplossing 0,1 N,
Mengindicator met broomcresolgroen en methylrood.
De kolf voor het produceren van stoom moet gevuld worden met water dat is aangezuurd met 1/1 000 zwavelzuur. Deze oplossing dient men voor elke behandeling te laten koken met aftapkraan P open om CO2 te verdrijven.
Werkwijze
Breng in een mineralisatiekolf een nauwkeurig gewogen hoeveelheid van ongeveer 0,20 g PVPP. Voeg 2 g mineralisatiekatalysator en 15 ml zuiver zwavelzuur toe.
Houd de hals van de kolf scheef en verhit deze boven een open vlam tot de oplossing kleurloos is en de wanden van de kolf vrij zijn van verkoolde produkten.
Verdun na afkoelen met 50 ml water en koel weer af; breng deze vloeistof in de waskolf B via trechter E; voeg vervolgens 40 tot 50 ml natronloog van 30 % toe, zodat de vloeistof basisch wordt en de ammoniak met de damp wordt meegevoerd, waarbij het destillaat wordt opgevangen in 5 ml boorzuuroplossing die van te voren met 10 ml water in de konische opvangkolf is gedaan; het einde van de buis moet tot in de vloeistof steken. Voeg 1 of 2 druppels mengindicator toe en vang 70 tot 100 ml destillaat op.
Titreer het destillaat met de 0,1 N zoutzuuroplossing tot de indicator naar violet-rose omslaat.
1 ml 0,1 N zoutzuuroplossing komt overeen met 1,4 g stikstof.
Apparaat voor de destillatie van
ammoniak in een stroom waterdamp
(naar Parnas en Wagner)
De kranen P en E kunnen worden vervangen
door een kunststofslang met klem.
6. Oplosbaarheid in waterig milieu
Minder dan 0,5 % onder de volgende omstandigheden:
Breng 10 g PVPP in een kolf van 200 ml met 100 ml gedestilleerd water. Schud, en laat gedurende 24 uur inwerken. Filtreer op een vlak filter met een porositeit van 2,5 m, en daarna op een vlak filter van 0,8 m. Het residu na droogdampen van het filtraat op een waterbad moet minder zijn dan 50 mg.
7. Oplosbaarheid in zuur en alcoholisch milieu
Minder dan 1 % onder de volgende omstandigheden:
Breng 1 g PVPP in een kolf met 500 ml water van het volgende mengsel:
1.2 // Azijnzuur // 3 g // Ethanol // 10 ml // Water // 100 ml.
Laat gedurende 24 uur inwerken. Filtreer op een vlak filter met een porositeit van 2,5 m, en daarna op een vlak filter van 0,8 m. Concentreer het filtraat op een waterbad. Damp het op een waterbad droog in een getarreerd kwartsschaaltje van 70 mm doorsnede. Het na verdamping achtergebleven residu moet minder zijn dan 10 mg, na correctie voor het eventueel bij indamping van 500 ml azijnzuur-alcoholmengsel achterblijvende residu.
8. Werkzaamheid van PVPP voor de absorptie van fenolische verbindingen
De activiteit in %, bepaald onder de volgende omstandigheden, moet gelijk aan of groter zijn dan 30 %.
A. Reagentia
1. Natriumhydroxide-oplossing 0,1 N
2. Salicylzuuroplossing 0,1 N
(13,81 g salicylzuur wordt opgelost in 500 ml methanol en verdund in 1 l water). B. Werkwijze
1. Weeg 2 - 3 gram PVPP af in een erlenmeyer van 250 ml en noteer het gewicht W op 0,001 gram nauwkeurig.
2. Bereken de droge stof van het monster (percentage vaste stof) en noteer P in % in één decimaal.
3. Voeg de salicylzuuroplossing van 0,1 N toe volgens de formule:
43 × W × P = ml toe te voegen oplossing.
4. Sluit de kolf en schud gedurende vijf minuten.
5. Schenk het mengsel bij 25 °C op een filter in een trechter op een Buchner-opzet aan een kolf van 350 ml; handhaaf het vacuuem tot voldoende filtraat verkregen is om er 50 ml uit te halen (het filtraat moet helder zijn).
6. Pipetteer ml filtraat en breng het in een erlenmeyer van 250 ml.
7. Bepaal met een 0,1 N natriumhydroxide-oplossing het neutralisatiepunt ten opzichte van fenoltaleïne en noteer het volume Vs.
8. Titreer 50 ml van een salicylzuuroplossing (blanco) op dezelfde manier, en noteer het volume Vb.
C. Berekening
1.2.3 // % activiteit = // Vb - Vs Vb // × 100
Opmerking: Alle grenswaarden in de punten 2 tot en met 8 zijn betrokken op het droge produkt.
9. Vrij N-vinylpyrrolidon - niet meer dan 0,1 %
Methode
Suspendeer 4,0 g monster in 30 ml water, roer 15 minuten, en schenk de suspensie door een filter van gesinterd glas van 9 tot 15 mm (type G 4) in een konische kolf van 250 ml. Was het residu met 100 ml water, voeg 500 mg natriumacetaat toe aan het samengevoegde filtraat en titreer met een jodiumoplossing van 0,1 N tot de kleur van jodium niet meer verdwijnt. Voeg nog eens 3 ml 0,1 N jodiumoplossing toe, laat het tien minuten staan en zet de overmaat jodium om met 0,1 N natriumhyposulfiet; voeg 3 ml amidon SE (testvloeistof) toe tot in de buurt van het omslagpunt. Ga door met toevoegen tot de oplossing kleurloos is. Het verbruik van jodium mag niet meer zijn dan 0,72 ml, wat overeenkomt met ten hoogste 0,1 % vinylpyrrolidon.
10. Vrij N,N-divinylimidazol - niet meer dan 2 mg per kg
Principe
Bepaling door gaschromatografie op een capillaire kolom van het transport in een oplosmiddel (aceton) van vrij N,N-divinylimidazolidine uit niet-oplosbaar PVP.
Interne standaardoplossing
Los 100 mg nitrilheptaanzuur, op 0,1 mg precies afgewogen, op in 500 ml aceton.
Bereiding van het monster
Weeg 2 tot 2,5 polymeer op 0,2 mg precies af en breng dit in een erlenmeyer van 50 ml. Voeg met een pipet 5 ml interne standaardoplossing toe en daarna 20 ml aceton. Schud het mengsel gedurende vier uur, laat het daarna ten minste 15 uur rustig staan om te stabiliseren en onderzoek de bovenstaande vloeistof op een gaschromatograaf.
IJkoplossing
Weeg 25 mg N,N-divinylimidazolidine op 0,2 mg precies af en breng dit in een kolf; vul met aceton aan tot 100 ml. Breng met een pipet 2,0 ml van deze oplossing over in een andere maatkolf van 50 ml en vul met aceton aan tot 50 ml. Breng 2 ml van deze oplossing over in een andere kolf, voeg 5 ml van de interne standaardoplossing (zie hierboven) toe en vul met aceton aan tot 25 ml.
Omstandigheden voor de gaschromatografie
1.2 // - Kolom: // »DB-Wax" (gesmolten kwarts) capillair (Carbowax, gecrosslinkt - 20 ml), lengte 30 m, diameter inwendig 0,25 mm, filmdikte 0,5 mm // - Temperatuurprogramma voor de kolom: // 140 tot 240 °C, 4° per minuut // - Injectiesysteem: // met splitter, 220 °C. Effluent splitter 30 ml // - Detector: // vlamionisatie-detector (optimaal ingesteld overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant), 250 °C // - Dragergas: // helium, 1 bar (overdruk) // - Ingespoten hoeveelheid: // 1 ml van de bovenstaande vloeistof van monster of ijkoplossing.
Werkwijze
Bepaal een betrouwbare ijkfactor voor de specifieke analyseomstandigheden door middel van herhaalde inspuitingen van de ijkoplossing. Onderzoek het monster. Het gehalte aan N,N-divinylimidazolidine in het niet-oplosbare PVP mag niet meer dan 0,1 % bedragen.
Berekening van de ijkfactor
1.2 // f = // WD ; ASt WSt ; AD 1.2 // sD // = ioeoeelieid gevrthikt N,N-dioinylimidazolidine (mg) // sSt // = ioeoeelieid interne standaard (mg) // sSt // = piekopperolak ooor de interne standaard // AD // = piekopperolak ooor N,N-dioinylimidazolidine.
Verekening oan iet geialte aan N,N-dioinylimidazolidine
1.2.3 // PSD = // 1 000 ; f ; AD ; WSt ASt ; WS // (mg/kg) 1.2 // PSD // = psonpsentratie N,N-dioinylimidazolidine (mg/kg // f // = ixkfapstor // AD // = piekopperolak ooor N,N-dioinylimidazolidine // sSt // = ioeoeelieid interne standaard die aan iet monster is toegeooegd (mg) // ASt // = piekopperolak ooor de interne standaard // sS // = ioeoeelieid gevrthikt monster (g).
BIJLAGE II
MELKZUURBACTERIËN
Voorschriften
De melkzuurbacteriën die mogen worden gebruikt op grond van bijlage VI, punt 1, onder q), en punt 3, onder z), van Verordening (EEG) nr. 822/87, moeten behoren tot de geslachten Leuconostoc Lactobacillus en/of Pedococcus. Zij moeten appelzuur in mout of wijn omzetten in melkzuur en mogen geen slechte smaak veroorzaken.
Zij moeten zijn geïsoleerd uit druiven, mosten, wijnen of produkten die uit druiven zijn vervaardigd. De naam van geslacht en soort, evenals de verwijzing naar de stam moeten op het etiket worden vermeld, zo ook herkomst van de stam en degene die ze heeft geselecteerd.
Voor genetische manipulatie van melkzuurbacteriën moet vooraf toestemming zijn verkregen.
Vorm
Zij moeten hetzij in vloeibare, hetzij in diepgevroren vorm, hetzij in de vorm van door vriesdrogen verkregen poeder worden toegepast als reincultuur of gecombineerde cultuur.
Geïmmobiliseerde bacteriën
Het dragermateriaal van een preparaat van geïmmobiliseerde melkzuurbacteriën moet inert zijn, en zijn toegestaan voor gebruik bij de verwerking van wijn.
Controles
- Chemisch:
dezelfde eisen voor wat betreft de op te sporen stoffen als bij de andere oenologische preparaten, in het bijzonder zware metalen.
- Microbiologisch:
- het gehalte aan levensvatbare melkzuurbacteriën moet hoger zijn dan of gelijk zijn aan 108/g of 107/ml;
- het gehalte aan melkzuurbacteriën van een andere soort dan van de aangegeven stam(men) moet minder zijn dan 0,01 % van het totaal aan levensvatbare melkzuurbacteriën;
- het gehalte aan aërobe bacteriën moet lager zijn dan 103 per gram poeder of per milliliter;
- het totaal gehalte aan gisten moet lager zijn dan 103 per gram poeder of per milliliter;
- het gehalte aan schimmels moet lager zijn dan 103 per gram poeder of per milliliter.
Toevoegingen
De toevoegingen die bij de bereiding van de melkzuurbacteriëncultures of voor de reactivering ervan te pas komen, moeten stoffen zijn die voor gebruik in levensmiddelen acceptabel zijn, en ze moeten op het etiket worden vermeld.
Produktiedatum
De datum van aflevering uit het producerende bedrijf moet op het etiket worden aangegeven.
Gebruik
De gebruiksaanwijzing of de reactiveringsmethode moet door de fabrikant worden aangegeven.
Opslag
De opslagcondities moeten duidelijk op het etiket worden aangegeven. Analysemethoden
- melkzuurbacteriën: medium A (1), B (2) of C (3) met door de producenten aangegeven methode van gebruik van de stam.
- aërobe bacteriën: Bacto-Agar-medium.
- gisten: Malt-Wickerham-medium.
- schimmels: Malt-Wickerham of Czapeck-medium.
1.2.3.4.5 // // (1) // Gistextract // 5 // g // // // Vleesextract // 10 // g // // // Peptotrypsine // 15 // g // // // Na-acetaat // 5 // g // // // NH4-citraat // 2 // g // // // Tween 80 // 1 // ml // // // MnSO4 // 0,050 // g // // // MgSO4 // 0,200 // g // // // Glucose // 20 // g // // // Water // 1 000 // ml // // // pH // 5,4 // // // (2) // Tomatensap // 250 // ml // // // Difco-gistextract // 5 // g // // // Pepton // 5 // g // // // L-appelzuur // 3 // g // // // Tween 80 // 1 // druppel // // // MgSO4 // 0,050 // g // // // MnSO4 // 0,050 // g // // // Water // 1 000 // ml // // // pH // 4,8 // // // (3) // Glucose // 5 // g // // // Difco trypton // 2 // g // // // Difco pepton // 5 // g // // // Leverextract // 1 // g // // // Tween 80 // 0,05 // g // // // Tomatensap, 4,2 maal verdund en over Whatman nr. 1 gefiltreerd // 1 000 // ml // // // pH met H3PO4 of KOH // 5,5 // g // // // Glucose // 20 // g