Home

91/408/EEG: Besluit van de Raad van 22 juli 1991 tot toekenning van financiële steun aan Israël en de Palestijne bevolking in de bezette gebieden

91/408/EEG: Besluit van de Raad van 22 juli 1991 tot toekenning van financiële steun aan Israël en de Palestijne bevolking in de bezette gebieden

BESLUIT VAN DE RAAD van 22 juli 1991 tot toekenning van financiële steun aan Israël en de Palestijne bevolking in de bezette gebieden (91/408/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Overwegende dat de Gemeenschap financiële steun wenst te verlenen aan Israël en aan de Palestijnse bevolking in de door Israël bezette gebieden van de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, hierna "bezette gebieden" genoemd, ten einde de negatieve gevolgen van de vijandelijkheden in het kader van het Golfconflict te helpen verminderen;

Overwegende dat de economische situatie en de financiële draagkracht van respectievelijk Israël en de bezette gebieden van dien aard zijn dat de financiële steun aan Israël de vorm dient aan te nemen van een lening met rentesubsidie om de betalingsbalans op middellange termijn te ondersteunen, terwijl de steun voor de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden in de vorm van een schenking zou moeten geschieden;

Overwegende dat de Gemeenschap over de nodige middelen voor de tenuitvoerlegging van deze financiële steun dient te beschikken;

Overwegende dat er met betrekking tot de rentesubsidie en de schenking een raming moet worden gemaakt van het bedrag van de communautaire financiële middelen die nodig zijn om deze actie ten uitvoer te leggen; dat de daadwerkelijk beschikbare kredieten in het kader van de begrotingsprocedure zullen worden vastgesteld met inachtneming van de financiële vooruitzichten die aan het Interinstitutioneel Akkoord van 29 juni 1988 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (3) zijn gehecht;

Overwegende dat de verdeling van de middelen tussen Israël en de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden wordt gebaseerd op een evaluatie van de respectieve behoeften aan de hand van de omvang van de sociaal-economische gevolgen van het conflict, de getroffen bevolkingsgroepen en een vergelijking van de levensstandaard;

Overwegende dat de lening aan Israël zal moeten worden gefinancierd met een door de Gemeenschap op de kapitaalmarkten opgenomen lening; dat deze lening door de Commissie zal moeten worden beheerd;

Overwegende dat de tenuitvoerlegging van bedoelde actie zal kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap;

Overwegende dat het Verdrag, afgezien van artikel 235, niet voorziet in de bevoegdheden voor de vaststelling van dit besluit,

BESLUIT:

Artikel 1

De Gemeenschap verstrekt financiële steun aan Israël en de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden, en wel als volgt:

- 160 miljoen ecu in de vorm van een lening met een rentesubsidie van 27,5 miljoen ecu,

- 60 miljoen ecu in de vorm van een schenking.

Artikel 2

1. De financiële steun aan Israël wordt ter beschikking van dat land gesteld in de vorm van een lening op middellange termijn, voor een bedrag van 160 miljoen ecu aan hoofdsom en met een looptijd van ten hoogste zeven jaar.

2. Voor deze lening wordt een rentesubsidie ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen toegekend.

Het bedrag van de communautaire uitgaven die voor de financiering van deze rentesubsidie nodig worden geacht, beloopt voor 1991 27,5 miljoen ecu.

3. De lening en de daarbij behorende rentesubsidie worden onder de voorwaarden en volgens de bepalingen van artikel 3 toegekend.

Artikel 3

1. Ten einde de in artikel 2 bedoelde lening te kunnen toekennen, wordt de Commissie gemachtigd om na raadpleging van het Monetair Comité, namens de Europese Economische Gemeenschap de nodige middelen op de kapitaalmarkt te ontlenen.

2. De Commissie wordt gemachtigd om na raadpleging van het Monetair Comité met de Israëlische autoriteiten te onderhandelen over de wijze waarop de lening wordt uitbetaald en over de aan de lening te verbinden voorwaarden, zulks ten einde er zorg voor te dragen dat de lening wordt gebruikt conform de doelstellingen van deze actie, te weten het helpen verminderen in Israël van de negatieve sociaal-economische gevolgen van het Golfconflict.

De lening wordt ter beschikking van Israël gesteld en aan de Nationale Bank van Israël betaald, zulks uitsluitend voor de in de eerste alinea vermelde doeleinden.

3. De Commissie bepaalt samen met de Israëlische autoriteiten en na raadpleging van het Monetair Comité op welke wijze de in artikel 2, lid 2, bedoelde rentesubsidie wordt uitgekeerd en neemt de passende uitvoeringsmaatregelen.

4. De in lid 1 bedoelde transacties tot het aangaan en het verstrekken van leningen worden met dezelfde valutadatum afgesloten en mogen voor de Gemeenschap geen looptijdtransformatie, wisselkoers- of renterisico of enig ander commercieel risico inhouden.

5. De Commissie neemt de nodige maatregelen om, indien Israël zulks wenst, in de leningvoorwaarden een clausule inzake vervroegde aflossing op te nemen en deze toe te passen.

6. De Commissie kan op verzoek van Israël en indien de omstandigheden een verbetering van de rentevoet op de verstrekte leningen mogelijk maken, haar oorspronkelijk opgenomen leningen geheel of gedeeltelijk herfinancieren of de desbetreffende financiële voorwaarden herstructureren. De herfinancieringen of herstructureringen geschieden onder de in lid 4 gestelde voorwaarden en leiden niet tot een verlenging van de gemiddelde looptijd van de betrokken opgenomen leningen, noch tot een verhoging van het bedrag dat, omgerekend tegen de lopende wisselkoers, op de dag van deze herfinancieringen of herstructureringen nog af te lossen is.

7. Alle kosten die de Gemeenschap bij het sluiten en uitvoeren van de in dit besluit bedoelde transacties maakt, komen ten laste van Israël.

8. Het Monetair Comité wordt op de hoogte gehouden van het verloop van de in de leden 5 en 6 bedoelde transacties.

Artikel 4

1. De financiële steun voor de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden geschiedt in de vorm van een schenking. Het bedrag van de communautaire uitgaven die voor de financiering van deze steun nodig worden geacht, beloopt voor 1991 60 miljoen ecu.

De steun is bestemd ter dekking van de uitgaven voor het bestrijden van de sociaal-economische problemen (gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting) waarmee de bevolking als gevolg van het conflict in het Golfgebied wordt geconfronteerd, met inbegrip van uitgaven voor de nodige technische bijstand voor de tenuitvoerlegging van de maatregel.

De steunverlening geschiedt aan de hand van algemene richtsnoeren die overeenkomstig de procedure van artikel 5 worden vastgesteld.

2. De Commissie ziet erop toe dat de middelen die uit hoofde van de in lid 1 bedoelde steun worden uitgekeerd, overeenkomstig de oogmerken van dit besluit worden besteed door de begunstigden, die een programma over de wijze van besteding, alsmede een a posteriori opgesteld verslag over de daadwerkelijke besteding moeten overleggen.

Artikel 5

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en dat wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het Comité een ontwerp van de te treffen maatregelen voor. Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter afhankelijk van de urgentie van het betrokken vraagstuk kan vaststellen. Het advies wordt uitgebracht met de meerderheid die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is vastgesteld voor door de Raad op voorstel van de Commissie te nemen besluiten. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten op de in voornoemd artikel vastgestelde wijze gewogen. De voorzitter neemt niet deel aan de stemming.

3. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van een termijn van twee maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 6

De Commissie legt uiterlijk op 30 juni 1992 een eerste verslag over de tenuitvoerlegging van de in dit besluit vastgestelde financiële steun aan het Europese Parlement en de Raad voor. Er zal tevens een eindverslag worden overgelegd, zodra de actie is beëindigd. Gedaan te Brussel, 22 juli 1991. Voor de Raad

De Voorzitter

P. DANKERT

(1) PB nr. C 111 van 27. 4. 1991, blz. 3. (2) PB nr. C 183 van 15. 7. 1991. (3) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988, blz. 33.