VERORDENING (EEG) Nr. 2062/91 VAN DE COMMISSIE van 12 juli 1991 tot gedeeltelijke vrijgave van de minimumvoorraad in de sector suiker #
VERORDENING (EEG) Nr. 2062/91 VAN DE COMMISSIE van 12 juli 1991 tot gedeeltelijke vrijgave van de minimumvoorraad in de sector suiker #
VERORDENING ( EEG ) Nr . 2062/91 VAN DE COMMISSIE van 12 juli 1991 tot gedeeltelijke vrijgave van de minimumvoorraad in de sector suiker
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening ( EEG ) nr . 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker ( 1 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 464/91 ( 2 ), en met name op artikel 12, lid 3,
Overwegende dat, ten einde de normale voorziening van de gehele Gemeenschap of van één van de gebieden van de Gemeenschap te waarborgen, de permanente verplichting is vastgesteld om, voor het Europese grondgebied van de Gemeenschap, voor iedere suikerproducerende onderneming of suikerraffinaderij een minimumvoorraad aan te houden;
Overwegende dat in artikel 1 van Verordening ( EEG ) nr . 1789/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de regelingen inzake een minimumvoorraad in de sector suiker ( 3 ) wordt bepaald dat minstens 5 %, naar gelang van het geval, van de produktie binnen het A-quotum of 5 % van de hoeveelheid geraffineerde suiker, tijdens de twaalf maanden welke onmiddellijk aan de betreffende maand voorafgaan, moet worden aangehouden;
Overwegende dat krachtens artikel 12, lid 1, van Verordening ( EEG ) nr . 1785/81 dit percentage kan worden verlaagd; dat in artikel 4 van Verordening ( EEG ) nr . 1789/81 is bepaald dat wanneer de voorziening van de suiker niet meer tegen normale voorwaarden is gewaarborgd, kan worden bepaald dat de betrokkene geheel of gedeeltelijk van de verplichting om de betrokken suiker in opslag te houden, wordt ontslagen;
Overwegende dat na onderzoek van de huidige bevoorradingssituatie van de Gemeenschap blijkt dat voor het verkoopseizoen 1990/1991 de consumptie aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van de vooruitzichten van de overeenkomstige balans; dat deze vaststelling nog wordt versterkt door een overdracht van consumptie naar het begin van het nieuwe verkoopseizoen 1991/1992 wegens de sedert enkele weken aanhoudende temperatuurdalingen; dat bovendien in verscheidene gebieden van de Gemeenschap de prijzen wegens de hoge vraag en de vermindering van het aanbod onder druk staan; dat bovendien door de slechte weersomstandigheden tijdens de kieming van de bieten in verscheidene gebieden van de Gemeenschap opnieuw moet worden gezaaid hetgeen voor de nieuwe produktie een vertraging van enkele weken met zich mee zal brengen; dat bijgevolg blijkt dat de normale voorziening in de Gemeenschap niet meer kan worden gewaarborgd; dat het daarom wenselijk is het daartoe bestemde deel van de minimumvoorraad vrij te geven door op gepaste wijze voor een bepaalde periode de genoemde minimumgrens te verlagen zodat de nieuwe produktie 1991/1992 van de meeste suikerproducerende ondernemingen van de Gemeenschap kan worden afgewacht om de minimumvoorraden op het gewone peil terug te brengen;
Overwegende dat het, gelet op de noodzaak om de maatregel en het mechanisme van het stelsel van de verevening van de opslagkosten in de sector suiker zo vlug mogelijk in werking te laten treden, noodzakelijk is dat onderhavige verordening met ingang van 1 juli 1991 wordt toegepast;
Overwegende dat de in deze Verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor suiker,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :
Artikel 1
Voor het tijdvak van 1 juli 1991 tot en met 30 november 1991 worden de in artikel 1, produkten a ) en b ), van Verordening ( EEG ) nr . 1789/81 vermelde percentages tot 3 % herleid .
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1991 . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .
Gedaan te Brussel, 12 juli 1991 . Voor de Commissie
Ray MAC SHARRY
Lid van de Commissie
( 1 ) PB nr . L 177 van 1. 7 . 1981, blz . 4 . ( 2 ) PB nr . L 54 van 28 . 2 . 1991, blz . 22 . ( 3) PB nr . L 177 van 1 . 7 . 1981, blz . 39 .