VERORDENING (EEG) Nr. 2164/91 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide #
VERORDENING (EEG) Nr. 2164/91 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide #
VERORDENING ( EEG ) Nr . 2164/91 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( 1 ), inzonderheid op artikel 10, lid 2,
Overwegende dat bij Verordening ( EEG ) nr. 2380/89 van de Commissie ( 2 ) de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 1697/79 zijn vastgesteld; dat deze verordening twee jaar na haar inwerkingtreding, dat wil zeggen op 1 september 1991, niet meer van toepassing zal zijn; dat de geldigheid van deze verordening in de tijd werd beperkt ten einde haar in het licht van de opgedane ervaringen te kunnen onderzoeken; dat uit dit onderzoek blijkt dat de onderscheidene procedurele voorschriften waaruit deze uitvoeringsbepalingen voornamelijk bestaan geen enkele wijziging behoeven;
Overwegende dat het om redenen van duidelijkheid dienstig is de bepalingen van Verordening ( EEG ) nr . 2380/89 in een nieuwe verordening op te nemen, zonder evenwel de geldigheid daarvan in de tijd te beperken;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douanevrijstellingen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :
Artikel 1
In deze verordening worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld van artikel 5, lid 2, van Verordening ( EEG ) nr . 1697/79, hierna "basisverordening" genoemd .
Artikel 2
De bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing welke tot de inning van een onvoldoende bedrag heeft geleid, is begaan of is vastgesteld, beslist zelf om niet over te gaan tot navordering van de niet geïnde rechten in de gevallen waarin :
a ) een preferentiële tariefregeling is toegepast in het kader van een tariefcontingent of een tariefplafond dat is verdeeld terwijl de bij dit tariefcontingent, onderscheidenlijk -plafond vastgestelde grenzen reeds waren bereikt op het ogenblik waarop de douaneaangifte werd aanvaard, zonder dat op het moment van de vrijgave van de betrokken goederen deze situatie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen was bekendgemaakt, of, wanneer een dergelijke bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen niet wordt verricht, op een passende wijze in de betrokken Lid-Staat was bekendgemaakt, waarbij de belastingschuldige zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende regeling heeft voldaan wat zijn douaneaangifte betreft;
b ) zij van mening is dat aan alle in artikel 5, lid 2, van de basisverordening bedoelde voorwaarden is voldaan en voor zover het ten gevolge van een zelfde vergissing van de betreffende persoon niet geïnde bedrag, dat in voorkomend geval uit verscheidene invoer - of uitvoerverrichtingen voortvloeit, lager is dan 2 000 ecu;
c ) de Lid-Staat waaronder genoemde autoriteit ressorteert, daartoe overeenkomstig artikel 8 is gemachtigd .
Artikel 3
1 . Iedere Lid-Staat doet de Commissie de lijst toekomen van de gevallen waarin de bepalingen van artikel 2, onder a ), b ) of c ), zijn toegepast, met een beknopte uiteenzetting van ieder geval .
2 . Het toezenden van de in lid 1 bedoelde lijst geschiedt in de loop van het eerste en het derde kwartaal van ieder jaar voor alle gevallen ten aanzien waarvan in de loop van het voorgaande halfjaar een besluit tot niet-navordering werd genomen .
3 . De Commissie doet de lijsten aan de Lid-Staten toekomen .
4 . De lijsten worden op gezette tijden in het Comité douanevrijstellingen besproken .
Artikel 4
Wanneer in de andere gevallen dan die bedoeld in artikel 2, de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing is begaan, van mening is dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening is voldaan, of twijfel heeft omtrent de juiste draagwijdte van de criteria van deze bepaling ten aanzien van het betrokken geval, draagt deze autoriteit het geval over aan de Commissie om overeenkomstig de in de artikelen 5 tot en met 7 vastgestelde procedure te worden geregeld . Het aan de Commissie toegezonden dossier dient alle gegevens te omvatten die voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijk zijn .
De Commissie bevestigt onmiddellijk de ontvangst van dit dossier aan de betrokken Lid-Staat .
Wanneer blijkt dat de door de Lid-Staat meegedeelde gegevens ontoereikend zijn om het haar mogelijk te maken zich met kennis van zaken over het haar voorgelegde geval uit te spreken, kan de Commissie verzoeken haar aanvullende inlichtingen toe te zenden .
Artikel 5
Binnen vijftien dagen volgende op de datum van ontvangst van het in artikel 4, eerste alinea, bedoelde dossier zendt de Commissie hiervan een afschrift aan de Lid-Staten .
Het onderzoek van dit dossier wordt zo spoedig mogelijk op de agenda van een vergadering van het Comité douanevrijstellingen geplaatst .
Artikel 6
Na overleg met een groep van deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten die in het kader van het Comité douanevrijstellingen zijn bijeengekomen ter behandeling van het betrokken geval, geeft de Commissie een beschikking waarin wordt vastgesteld, hetzij dat de onderzochte situatie toelaat niet tot navordering van de betrokken rechten over te gaan, hetzij dat deze dit niet toelaat .
Deze beschikking dient te worden gegeven binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het in artikel 4, eerste alinea, bedoelde dossier door de Commissie . Wanneer de Commissie de Lid-Staat aanvullende inlichtingen heeft moeten vragen om zich te kunnen uitspreken, wordt de termijn van zes maanden verlengd met de tijd die is verstreken tussen de datum van toezending van het verzoek om aanvullende inlichtingen door de Commissie en de datum van ontvangst van deze inlichtingen door de Commissie .
Artikel 7
De kennisgeving van de in artikel 6 bedoelde beschikking dient zo spoedig mogelijk aan de betrokken Lid-Staat te worden gedaan en in ieder geval binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de in artikel 6 bedoelde termijn verstrijkt .
Een afschrift van deze beschikking wordt aan de overige Lid-Staten toegezonden .
Artikel 8
Wanneer in de in artikel 6 bedoelde beschikking wordt vastgesteld dat de onderzochte situatie toelaat niet over te gaan tot navordering van de betrokken rechten, kan de Commissie, onder de voorwaarden die zij vaststelt, een of meer Lid-Staten machtigen de rechten niet na te vorderen in gevallen waarin zich feitelijk of rechtens vergelijkbare omstandigheden voordoen .
In dit geval wordt de in artikel 6 bedoelde beschikking eveneens aan iedere aldus gemachtigde Lid-Staat ter kennis gebracht .
Artikel 9
Indien de Commissie binnen de in artikel 6 bedoelde termijn geen beschikking heeft gegeven of binnen de in artikel 7 bedoelde termijn aan de betrokken Lid-Staat van geen enkele beschikking kennis heeft gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten van genoemde Lid-Staat niet tot navordering van de betrokken rechten over .
Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op 1 september 1991 . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .
Gedaan te Brussel, 23 juli 1991 . Voor de Commissie
Ray MAC SHARRY
Lid van de Commissie
( 1 ) PB nr . L 197 van 3 . 8 . 1979, blz . 1 . ( 2 ) PB nr . L 225 van 3 . 8 . 1989, blz . 30 .