Home

Verordening (EEG) nr. 319/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de tenuitvoerlegging, gedurende een proefperiode, van het financieel instrument "EC Investment Partners" ten behoeve van landen in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied

Verordening (EEG) nr. 319/92 van de Raad van 3 februari 1992 betreffende de tenuitvoerlegging, gedurende een proefperiode, van het financieel instrument "EC Investment Partners" ten behoeve van landen in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied

VERORDENING (EEG) Nr. 319/92 VAN DE RAAD van 3 februari 1992 betreffende de tenuitvoerlegging, gedurende een proefperiode, van het financieel instrument "EC Investment Partners" ten behoeve van landen in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Overwegende dat de Gemeenschap zowel op financieel en technisch als op economisch gebied met de ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied samenwerkt;

Overwegende dat, om deze samenwerking te versterken, men onder meer investeringen moet aanmoedigen die in het belang van beide partijen zijn, met name investeringen van het midden- en kleinbedrijf;

Overwegende dat de Raad een consensus heeft bereikt over het belang van de rol van de particuliere sector in het ontwikkelingsproces;

Overwegende dat gezamenlijke ondernemingen en investeringen van ondernemingen uit de Gemeenschap in ontwikkelingslanden voor deze landen bepaalde voordelen kunnen opleveren, onder meer kapitaaloverdracht, know-how, werkgelegenheid, overdracht van opleidingen en vaardigheden, meer exportmogelijkheden en bevrediging van de lokale behoeften;

Overwegende dat in 1988 een proefproject voor een periode van drie jaar werd opgezet met het oog op de bevordering - door middel van een financieel instrument "EC Investment Partners" (ECIP) - van gezamenlijke ondernemingen tussen de Gemeenschap en landen in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied;

Overwegende dat de Raad op 18 december 1990 de richtsnoeren heeft vastgesteld voor de nieuwe samenwerking met enerzijds Latijns-Amerika en Azië en anderzijds het Middellandse-Zeegebied;

Overwegende dat het, ondanks de tot dusver bereikte resultaten - waaruit blijkt dat dit instrument mogelijkheden biedt om deze doelstellingen te bereiken -, toch noodzakelijk blijft de juiste positie van het instrument te bepalen in het uitgebreide instrumentarium voor de samenwerking met Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied;

Overwegende dat de verlenging en verdieping van het instrument voor een op 1 januari 1992 ingaande proefperiode van drie jaar derhalve noodzakelijk is om het nut van dit instrument te bevestigen en de tenuitvoerlegging ervan bij te schaven ten einde de mogelijkheden voor wederzijds voordelige acties in de landen van Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied ten volle te kunnen benutten;

Overwegende dat het bedrijfsleven in alle Lid-Staten tot een zo ruim mogelijke deelneming moet worden aangemoedigd;

Overwegende dat de deelneming van alle Lid-Staten in de bevordering van hun investeringen in de landen van Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied via de in ontwikkeling gespecialiseerde financiële instellingen, dient te worden aangemoedigd;

Overwegende dat de doelstellingen en de werkingscriteria van dit instrument moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat het Verdrag slechts in artikel 235 bevoegdheden voor de aanneming van de onderhavige verordening bevat,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. In het kader van de economische samenwerking met de landen in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied hanteert de Gemeenschap voor een op 1 januari 1992 ingaande proefperiode van drie jaar bijzondere samenwerkingsvormen die gericht zijn op de bevordering van wederzijds voordelige investeringen door ondernemers uit de Gemeenschap, met name in de vorm van gezamenlijke ondernemingen met plaatselijke ondernemers uit de betrokken landen.

2. Met inachtneming van hun respectieve mogelijkheden en behoeften genieten de kleine en middelgrote ondernemingen voorrang bij de toepassing van het instrument, terwijl de grote multinationale ondernemingen er niet voor in aanmerking komen.

Artikel 2

Het financieel instrument "EC Investment Partners" (ECIP), hierna het instrument te noemen, biedt vier soorten faciliteiten voor de financiering:

1. van de aanwijzing van projecten en partners, via subsidies tot ten hoogste 50 % van de kosten van de acties, met een maximum van 100 000 ecu (faciliteit nr. 1);

2. van uitvoerbaarheidsstudies en andere acties van ondernemers die gezamenlijke ondernemingen willen oprichten of willen investeren, via renteloze voorschotten tot ten hoogste 50 % van de kosten, met een maximum van 250 000 ecu (faciliteit nr. 2);

3. van de kapitaalbehoeften van een gezamenlijke onderneming of een plaatselijke vennootschap met licentieovereenkomsten, ter dekking van de specifieke investeringsrisico's in ontwikkelingslanden, via deelneming aan de vorming van het eigen vermogen of via participatieleningen tot ten hoogste 20 % van het kapitaal van de gezamenlijke onderneming, met een maximum van 1 miljoen ecu (faciliteit nr. 3);

4. van opleiding, technische bijstand of bijstand aan het management ten behoeve van een bestaande of in oprichting zijnde gezamenlijke onderneming, c.q. een plaatselijke vennootschap met licentieovereenkomsten, via renteloze voorschotten tot ten hoogste 50 % van de kosten van de acties, met een maximum van 250 000 ecu (faciliteit nr. 4).

Voor een zelfde project mogen de bedragen van de faciliteiten nr. 2, nr. 3 en nr. 4 samen niet meer dan 1 miljoen ecu bedragen.

Artikel 3

1. De financiële instellingen worden, na advies van het in artikel 8 omschreven Comité, door de Commissie gekozen uit ontwikkelingsbanken, handelsbanken, merchant banks en instellingen ter bevordering van investeringen.

2. De financiële instelling die een voorstel heeft ingediend volgens de criteria van artikel 6, ontvangt een vergoeding volgens een door de Commissie vast te stellen regeling.

Artikel 4

1. Voor de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 1 worden de financieringsaanvragen hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van een financiële instelling, bij de Commissie ingediend door de instelling, de vereniging of het lichaam die (dat) partners en projecten aanwijst.

2. Voor de in artikel 2 bedoelde faciliteiten nr. 2, nr. 3 en nr. 4 kunnen de aanvragen van de betrokken ondernemingen slechts door bemiddeling van de in artikel 3 gedefinieerde financiële instellingen worden ingediend. De middelen van de Gemeenschap worden uitsluitend via de financiële instelling aangevraagd en aan de deelnemende ondernemingen verstrekt.

3. Voor de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 2 moeten de financiële instellingen en de ondernemingen het risico van het project delen; indien het project slaagt, kan de bijdrage van de Gemeenschap echter meer dan 50 % van de kosten bedragen.

4. Voor de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 3 moet de financiële bijdrage van de financiële instellingen ten minste gelijk zijn aan die van de Gemeenschap. Wat de Gemeenschap betreft, is deze faciliteit gereserveerd voor het midden- en kleinbedrijf; in met redenen omklede gevallen die van bijzonder belang zijn voor het ontwikkelingsbeleid, bij voorbeeld overdracht van technologie, kunnen uitzonderingen worden gemaakt.

5. Voor de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 4 moet de financiële bijdrage van de financiële instellingen in het project ten minste gelijk zijn aan die van de Gemeenschap.

6. In de door de Commissie met de financiële instellingen gesloten kaderovereenkomsten wordt uitdrukkelijk bepaald dat de Rekenkamer overeenkomstig artikel 206 bis van het Verdrag controle uitoefent op de activiteiten van deze instellingen die verband houden met de ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen komende financiële projecten.

Artikel 5

1. De in het kader van het instrument verleende bijdragen zijn - naar gelang van het geval en overeenkomstig artikel 2 - hetzij subsidies, hetzij renteloze voorschotten, hetzij deelnemingen aan de vorming van het eigen vermogen of participatieleningen.

Deelnemingen in het kapitaal worden in beginsel door de financiële bemiddelaars namens hen verkregen. Maar in uitzonderlijke gevallen, met name wanneer wegens de juridische situatie in een Lid-Staat of in andere nog nader te bepalen gevallen, een deelneming in het kapitaal namens een financiële bemiddelaar niet mogelijk is, kan de Commissie een financiële instelling opdragen om namens de Gemeenschap een deelneming te houden.

De commerciële, industriële, investerings- en financiële beslissingen van de in het kader van het instrument opgerichte gezamenlijke ondernemingen ressorteren onder de uitsluitende bevoegdheid van deze ondernemingen.

2. Wat de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 2 betreft, worden de renteloze voorschotten terugbetaald volgens een door de Commissie vast te stellen regeling, met dien verstande dat de terugbetalingstermijnen zo kort mogelijk moeten zijn en in geen geval langer dan vijf jaar mogen zijn. Deze voorschotten dienen niet te worden terugbetaald, wanneer de studies een negatief resultaat te zien geven.

3. Wat de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 3 betreft, worden de dank zij dit instrument verkregen deelnemingen zo spoedig mogelijk gecedeerd wanneer het project levensvatbaar is geworden, met inachtneming van de voorschriften inzake goed financieel beheer van de Gemeenschap.

4. Door het aflossen van leningen, het te gelde maken van deelnemingen, het betalen van rente en het uitkeren van dividenden ontstaan revolverende fondsen die voor rekening van de Gemeenschap bij financiële bemiddelaars in bewaring worden gegeven en volgens de eisen van het instrument worden beheerd overeenkomstig de beginselen van goed beheer, veiligheid en een passend rendement van de investering. Deze fondsen zijn bestemd voor de transacties van het instrument of brengen marktrente op, en worden zodanig gebruikt dat voor de transacties van het instrument zo weinig mogelijk een beroep op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen moet worden gedaan. Alle door financiële bemiddelaars gehouden tegoeden worden aan de Gemeenschap teruggestort, indien de bemiddelaar niet meer bij het instrument betrokken is of het instrument ophoudt te functioneren.

Artikel 6

1. De projecten worden geselecteerd door de financiële instelling of, wanneer het gaat om de in artikel 2 bedoelde faciliteit nr. 1, door de Commissie en de financiële instelling, naar gelang van de door de begrotingsautoriteit vastgestelde kredieten en op basis van de volgende criteria:

1. de verwachte levensvatbaarheid van de investering en de kwaliteit van de initiatiefnemers;

2. de bijdrage aan de ontwikkeling, die met name in het licht van de onderstaande elementen wordt geëvalueerd:

- effect op de lokale economie;

- toegevoegde waarde;

- creëren van lokale werkgelegenheid;

- bevordering van plaatselijk ondernemerschap;

- overdracht van technologie en know-how, alsmede exploitatie van de toegepaste technieken;

- verwerving van opleidingen en vaardigheden door de managers en het lokale personeel;

- gevolgen voor de vrouw;

- creëren van lokale werkgelegenheid zonder dat dit aanleiding geeft tot exploitatie van de werknemers;

- effect op de handels- en betalingsbalans;

- milieu-effecten;

- produktie en aanbod op de lokale markt van produkten die tot dusver moeilijk verkrijgbaar of van geringe kwaliteit waren;

- gebruik van lokale grondstoffen en hulpbronnen.

2. De Commissie neemt het definitieve financieringsbesluit en gaat na of aan de in lid 1 genoemde criteria is voldaan en of de projecten verenigbaar zijn met de verschillende aspecten van het Gemeenschapsbeleid, alsmede of de projecten in het belang van zowel de Gemeenschap als het betrokken ontwikkelingsland zijn.

Artikel 7

De landen die in aanmerking komen, zijn de ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika, Azië en het Middellandse-Zeegebied die vroeger in aanmerking zijn gekomen voor ontwikkelingssamenwerkingsacties van de Gemeenschap of die met de Gemeenschap regionale of bilaterale samenwerkings- of associatieovereenkomsten hebben gesloten.

Artikel 8

1. De Commissie legt het instrument ten uitvoer overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

2. Bij de uitvoering van haar taak wordt de Commissie naar gelang van het geval bijgestaan door het bij artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 442/81 (3) ingestelde Comité, of door het bij artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3973/86 (4) ingestelde Comité.

3. a) Volgens de procedure van lid 4 worden vastgesteld:

- de keuze van de financiële bemiddelaars, rekening houdend met hun ervaring en geschiktheid om de projecten vooraf te selecteren volgens de criteria van artikel 6;

- de beleidslijnen inzake directe deelneming.

b) Voorts kan het Comité op initiatief van de Commissie of op verzoek van een van zijn leden elke kwestie in verband met de toepassing van deze verordening behandelen, met name:

- informatie over de in het afgelopen jaar gefinancierde projecten;

- de omschrijving van de in artikel 9 beoogde onafhankelijke evaluatie;

- alle andere gegevens die de Commissie aan het Comité wil voorleggen.

4. Ten aanzien van de in lid 3, onder a), bedoelde punten legt de vertegenwoordiger van de Commissie het Comité een ontwerp van te nemen maatregelen voor. Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad binnen een maand na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

5. Het beheer van de acties die in het kader van het instrument met de landen van het Middellandse-Zeegebied worden ondernomen, zal aan de Europese Investeringsbank worden toevertrouwd zodra deze verklaart deze taak op zich te kunnen nemen.

Artikel 9

1. De Commissie legt het Europese Parlement en de Raad uiterlijk op 30 april van elk jaar een uitvoeringsverslag betreffende het voorgaande jaar voor, met inbegrip van een statistisch overzicht. Dit verslag heeft met name betrekking op de geselecteerde projecten, de verleende kredieten en de terugbetalingen aan de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

2. De Commissie legt het Europese Parlement en de Raad uiterlijk op 31 maart 1994 de resultaten van een onafhankelijke evaluatie van het instrument voor.

3. De Raad verzoekt de Rekenkamer vóór 31 december 1993 advies uit te brengen over de tenuitvoerlegging van het instrument.

Artikel 10

Voor de verlenging van het instrument na de proefperiode van drie jaar is een besluit van de Raad, op voorstel van de Commissie, na advies van het Europese Parlement en met inachtneming van de conclusies van de in artikel 9, lid 2, beoogde onafhankelijke evaluatie, noodzakelijk.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1992. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 3 februari 1992. Voor de Raad

De Voorzitter

Joao PINHEIRO

(1) PB nr. C 81 van 26. 3. 1991, blz. 6. (2) PB nr. C 183 van 15. 7. 1991, blz. 464. (3) PB nr. L 48 van 21. 2. 1981, blz. 8. (4) PB nr. L 370 van 30. 12. 1986, blz. 5.