VERORDENING (EEG) Nr. 862/92 VAN DE RAAD van 30 maart 1992 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor bereidingen en conserven van sardines, van oorsprong uit Marokko, voor het tijdvak van 1 maart tot en met 30 april 1992 #
VERORDENING (EEG) Nr. 862/92 VAN DE RAAD van 30 maart 1992 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor bereidingen en conserven van sardines, van oorsprong uit Marokko, voor het tijdvak van 1 maart tot en met 30 april 1992 #
VERORDENING (EEG) Nr. 862/92 VAN DE RAAD van 30 maart 1992 betreffende de opening, de verdeling en de wijze van beheer van een communautair tariefcontingent voor bereidingen en conserven van sardines, van oorsprong uit Marokko, voor het tijdvak van 1 maart tot en met 30 april 1992
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Overwegende dat in artikel 4 van Protocol nr. 1 bij de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij (1) is bepaald dat voor de invoer in de Gemeenschap van bereidingen en conserven van sardines van de GN-codes ex 1604 13 10 en ex 1604 20 50, van oorsprong uit Marokko, een vrijstelling van douanerechten geldt binnen de grenzen van een communautair tariefcontingent van 17 500 ton (netto); dat, om te garanderen dat dit contingent in een regelmatig tempo op de markt van de Gemeenschap wordt afgezet, in het eerste kwartaal niet meer dan 35 % van het totale contingent op die markt mag worden afgezet; dat de hoeveelheden van de betrokken produkten die op het einde van dat kwartaal niet zijn benut, automatisch naar de voor het tweede kwartaal vastgestelde hoeveelheden moeten worden overgedragen;
Overwegende dat de bovengenoemde Overeenkomst eind februari 1992 is afgelopen en dat de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig artikel 12 van die Overeenkomst onderhandelingen over de eventuele sluiting van een nieuwe overeenkomst hebben aangevat; dat door de Raad, in afwachting van de afronding van die onderhandelingen, bij Verordening (EEG) nr. 3732/91 (2) voor de betrokken produkten en voor het tijdvak van 1 januari tot en met 29 februari 1992 een eerste contingent met een omvang van 4 083 ton, berekend pro rata temporis, werd geopend;
Overwegende dat, ten einde het goede verloop van de onderhandelingen waarvan de eindfase nog niet is bereikt, niet te hinderen en tegelijkertijd de bevoorrading van de communautaire markt van de betrokken produkten niet te verstoren, de Gemeenschap bij Besluit 92/211/EEG (3) de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling heeft goedgekeurd betreffende de verlenging tot en met 30 april 1992 van de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij; dat deze Overeenkomst voorziet in de opening van een tweede communautair tariefcontingent voor het tijdvak van 1 maart tot en met 30 april 1992, waarvan de modaliteiten voor afzet en omvang werden vastgesteld op grond van de in de bovengenoemde Overeenkomst bepaalde regels, rekening houdende evenwel met de hoeveelheden waarop het eerste contingent betrekking had; dat het te openen contingent derhalve 3 500 ton (netto) moet bedragen, waarvan tot en met 31 maart 1992 slechts 2 042 ton op de communautaire markt mag worden afgezet;
Overwegende dat binnen de grenzen van dit tariefcontingent Spanje en Portugal douanerechten toepassen die worden berekend overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3189/88 van de Raad van 14 oktober 1988 tot vaststelling van de regeling die van toepassing is op het handelsverkeer van Spanje en Portugal met Marokko en Syrië (4);
Overwegende dat met name dient te worden gewaarborgd dat alle importeurs van de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate van genoemd contingent gebruik kunnen maken en dat het daaraan verbonden recht in alle Lid-Staten op alle invoer van de betrokken produkten zonder onderbreking wordt toegepast, totdat het contingent is uitgeput;
Overwegende dat de sector bereidingen en conserven van sardines in bepaalde regio's van de Gemeenschap het hoofd dient te bieden aan bijzondere economische moeilijkheden, gezien met name het belang van de sardinesproduktie in de totale produktiestructuren van de visserij, hetgeen rechtvaardigt dat aan de traditionele commerciële afzet van de producenten op de buitenlandse markten en bij voorrang op de communautaire markt geen afbreuk wordt gedaan; dat deze specifieke economische omstandigheden nopen tot handhaving, voor de periode van toepassing van deze verordening, van een verdeling van het betrokken contingent over de Lid-Staten;
Overwegende dat, gezien de traditionele ontwikkeling van het handelsverkeer, de gehandhaafde verdeling over de Lid-Staten, om zo goed mogelijk de werkelijke ontwikkeling op de markt van de bedoelde produkten weer te geven, naar verhouding van de behoeften van de Lid-Staten moet geschieden, berekend, enerzijds, op basis van de statistische gegevens betreffende de invoer van genoemde produkten uit Marokko over een representatieve referentiepriode en, anderzijds, op basis van de economische vooruitzichten voor de betrokken contingentperiodes;
Overwegende dat in de loop van de laatste drie jaren de betrokken produkten slechts door bepaalde Lid-Staten regelmatig zijn ingevoerd, terwijl in de andere Lid-Staten in het geheel geen of slechts af en toe invoer heeft plaatsgevonden; dat het, onder deze omstandigheden, derhalve juist lijkt in een eerste stadium enerzijds de aanvankelijke quota toe te wijzen aan de werkelijk invoerende Lid-Staten en anderzijds de andere Lid-Staten te waarborgen dat zij van het tariefcontingent gebruik zullen kunnen maken zodra van invoer in deze Lid-Staten melding wordt gemaakt; dat dez wijze van verdeling teven de uniformiteit van de inning van de rechten waarborgt;
Overwegende dat, ten einde rekening te houden met de eventuele ontwikkeling van de invoer van genoemde produkten in de onderscheiden Lid-Staten, het contingent in twee gedeelten moet worden gesplitst, waarbij het eerste gedeelte wordt verdeeld over bepaalde Lid-Staten en het tweede gedeelte een reserve vormt ter voorziening in de verdere behoeften van deze Lid-Staten, indien zij hun aanvankelijke quotum hebben uitgeput, alsmede in de behoeften die zich in de overige Lid-Staten zouden kunnen voordoen; dat, ten einde de importeurs van elke Lid-Staat een zekere waarborg te geven, het eerste gedeelte van het communautaire tariefcontingent zou moeten worden vastgesteld op een niveau dat in het onderhavige geval 20 % van het contingent zou kunnen bedragen, terwijl het tweede gedeelte van 80 % de reserve vormt, waarin tevens de eventuele overschotten van de bij de verdeling van het contingent voor maart en april toegewezen quota worden teruggestort;
Overwegende dat voor elk van de betrokken periodes de aanvankelijke quota meer of minder spoedig uitgeput kunnen raken; dat het, ten einde hiermee rekening te houden en elke onderbreking te voorkomen, van belang is dat elke Lid-Staat die zijn aanvankelijke quotum volledig heeft benut, overgaat tot opneming van een extra quotum uit de bij de betrokken periode behorende reserve; dat deze opneming door elke Lid-Staat moet worden verricht wanneer elk van zijn extra quota bijna volledig is benut, en wel zo vaak als de reserve voor de betrokken periode het toelaat; dat deze wijze van beheer een nauwe samenwerking vereist tussen de Lid-Staten en de Commissie, welke laatste met name de uitputtingsgraad van het contingent moet kunnen volgen en de Lid-Staten daarover moet kunnen inlichten;
Overwegende dat, indien de communautaire reserve in de loop van een van de betrokken periodes bijna volledig is benut, het absoluut noodzakelijk is dat de Lid-Staten het niet benutte gedeelte van hun aanvankelijke quotum en van de eventuele opnemingen voor de betrokken periode in zijn geheel terugstorten in genoemde reserve, ten einde te voorkomen dat een deel van het communautaire tariefcontingent in een bepaalde Lid-Staat onbenut blijft, terwijl het in andere Lid-Staten zou kunnen worden gebruikt;
Overwegende dat, aangezien het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg verenigd zijn in en vertegenwoordigd worden door de Benelux Economische Unie, elke handeling met betrekking tot het beheer van het contingent kan worden verricht door een van haar leden,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Van 1 maart tot en met 30 april 1992 wordt het bij de invoer in de Gemeenschap geldende douanerecht voor de volgende produkten, van oorsprong uit Marokko, geschorst tot het niveau en binnen de grenzen van een bij de produkten aangegeven communautair tariefcontingent:
Volg- nummer GN-code (1) Omschrijving Omvang van het contingent (in ton) Contingent- recht (in %) 09.1101 ex 1604 13 10
ex 1604 20 50 Bereidingen en conserven van sardines van de soort "Sardina pilchardus" 3 500 (nettogewicht) 0
(1) Taric-codes 1604 13 10*10 en 1605 20 50*11.
Binnen de grenzen van dit tariefcontingent passen het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek rechten toe die worden berekend overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3189/88.
Artikel 2
1. Het in artikel 1 bedoelde tariefcontingent wordt in twee gedeelten gesplitst.
2. Een eerste gedeelte van het contingent, ter grootte van 700 ton, wordt over bepaalde Lid-Staten verdeeld; de quota voor maart en april bedragen respectievelijk de onderstaand aangegeven hoeveelheden:
Lid-Staat Maart April Benelux 37 27 Denemarken - - Duitsland 88 63 Griekenland 5 3 Spanje - - Frankrijk 171 123 Ierland - - Italië 23 16 Portugal - - Verenigd Koninkrijk 84 60 408 292
3. Het tweede gedeelte van het contingent, ter grootte van 2 800 ton, dat onderverdeeld is in 1 634 en 1 166 ton voor, respectievelijk, maart en april, vormt de communautaire reserve.
4. Indien de betrokken produkten in de andere Lid-Staten worden aangeboden met een door de douanediensten aanvaarde aangifte voor het vrije verkeer, gaat de betrokken Lid-Staat door middel van een kennisgeving aan de Commissie over tot opneming van een overeenkomstige hoeveelheid op de wijze bepaald in artikel 3,
5. Onverminderd artikel 4, storten de in lid 2 genoemde Lid-Staten onmiddellijk de hoeveelheden van de hun bij de verdeling van het contingent voor het eerste en het tweede kwartaal toegekende quota die op 31 maart en op 30 april 1992 niet mochten zijn benut, in de reserve terug.
Artikel 3
Indien het aanvankelijke quotum van een Lid-Staat, zoals vastgesteld in artikel 2, lid 2, dan wel dat zelfde quotum verminderd met het bij toepassing van artikel 2, lid 5, of artikel 4 in de reserve teruggestorte gedeelte volledig is benut, gelden de hierna volgende bepalingen.
Indien een importeur in een Lid-Staat, voor een produkt bedoeld in deze verordening, een aangifte tot het in het vrije verkeer brengen indient en deze aangifte door de douaneautoriteiten wordt aanvaard, gaat de betrokken Lid-Staat, door middel van een kennisgeving aan de Commissie, over tot opneming uit de reserve bedoeld in artikel 2, lid 3, van een gedeelte dat met zijn behoeften overeenstemt.
De verzoeken tot opneming met opgave van de datum waarop de betrokken aangiften zijn aanvaard, worden onverwijld aan de Commissie meegedeeld.
De opnemingen worden door de Commissie toegestaan met inachtneming van de datum waarop de aangiften tot het in het vrije verkeer brengen door de douaneautoriteiten van de betrokken Lid-Staat zijn aanvaard, voor zover het beschikbare saldo dit toelaat.
Indien een Lid-Staat de opgenomen hoeveelheden niet benut, stort hij deze zo spoedig mogelijk in de reserve terug.
Indien de gevraagde hoeveelheden groter zijn dan het beschikbare saldo van de reserve, geschiedt de toedeling naar rata van de verzoeken. De Lid-Staten worden daarover door de Commissie ingelicht.
Artikel 4
Zodra elke van de in artikel 2, lid 3, omschreven onderverdelingen van de reserve voor minstens 80 % is uitgeput, stelt de Commissie de Lid-Staten hiervan in kennis.
Zij deelt in dit geval eveneens mee vanaf welke datum de opnemingen uit de communautaire reserve moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, tweede en vijfde alinea, voor zover deze bepalingen niet reeds van toepassing zijn.
Binnen een door de Commissie vastgestelde termijn, te rekenen vanaf de in de tweede alinea bedoelde datum, moeten de Lid-Staten hun aanvankelijke quotum dat op deze datum niet is benut, in zijn geheel terugstorten in de reserve.
Artikel 5
De Commissie houdt boek van de hoeveelheden van de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 voor de Lid-Staten geopende quota en brengt, zodra de opgaven haar bereiken, elke Lid-Staat van de uitputtingsgraad van de onderverdelingen van de reserve op de hoogte.
Zij stelt de Lid-Staten in kennis van de omvang van elke onderverdeling van de reserve na de overeenkomstig artikel 4 verrichte terugstortingen.
Artikel 6
De Lid-Staten en de Commissie werken nauw samen om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen.
Artikel 7
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van 1 maart 1992. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 30 maart 1992. Voor de Raad
De Voorzitter
Arlindo MARQUES CUNHA
(1) PB nr. L 99 van 16. 4. 1988, blz. 49. (2) PB nr. L 352 van 21. 12. 1991, blz. 1. (3) Zie bladzijde 27 van dit Publikatieblad. (4) PB nr. L 287 van 20. 10. 1988, blz. 1.