Home

Verordening (EEG) nr. 3927/92 van de Raad van 20 december 1992 tot vaststelling van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied als omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

Verordening (EEG) nr. 3927/92 van de Raad van 20 december 1992 tot vaststelling van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied als omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

VERORDENING (EEG) Nr. 3927/92 VAN DE RAAD van 20 december 1992 tot vaststelling van bepaalde maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied als omschreven in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot instelling van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (1), inzonderheid op artikel 11,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat het volgens artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 de taak van de Raad is op grond van wetenschappelijke adviezen de instandhoudingsmaatregelen uit te werken die nodig zijn om de in artikel 1 van die verordening genoemde doelstellingen te bereiken;

Overwegende dat de Gemeenschap het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties heeft ondertekend, waarin beginselen en voorschriften zijn opgenomen inzake de instandhouding en het beheer van levende rijkdommen in exclusieve economische zones van kuststaten en in volle zee;

Overwegende dat het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, hierna "NAFO-Verdrag" te noemen, door de Raad bij Verordening (EEG) nr. 3179/78 (2) is goedgekeurd en dat het op 1 januari 1979 in werking is getreden; dat het gereglementeerde gebied het deel is van het Verdragsgebied dat ligt buiten de zones waarin de kuststaten hun visserijjurisdictie uitoefenen;

Overwegende dat het NAFO-Verdrag het juiste kader vormt voor de instandhouding en het rationele beheer van de visbestanden in het gereglementeerde gebied met het oog op een optimaal gebruik ervan; dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbonden hebben hiervoor gezamenlijke acties te voeren;

Overwegende dat in het licht van de beschikbare wetenschappelijke adviezen de vangst van bepaalde soorten in bepaalde delen van het gereglementeerde gebied moet worden beperkt en dat het, overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Verordening (EEG) nr. 3760/92, de taak is van de Raad de totaal toegestane vangsten (TAC's) per bestand of groep bestanden, het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte daarvan en de bijzondere bij deze vangst in acht te nemen voorwaarden vast te stellen en het communautaire gedeelte over de Lid-Staten te verdelen;

Overwegende dat voor de instandhouding en de evenwichtige exploitatie van de visbestanden technische instandhoudingsmaatregelen moeten worden vastgesteld, met name inzake de toegestane maaswijdten, bijvangstpercentages en minimummaten;

Overwegende dat, om de vangsten uit de visbestanden in het gereglementeerde gebied te kunnen controleren en ter aanvulling van de controlemaatregelen die zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2241/87 (3), bepaalde specifieke controlemaatregelen moeten worden vastgesteld, met name inzake aangifte van de vangst, gegevensverstrekking, opberging van niet-toegestane netten en informatie over de opslag of de verwerking van de vangst,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied 1. Deze verordening is van toepassing op de activiteit van vissers uit de Gemeenschap die vis uit de bestanden van het gereglementeerde gebied vangen en aan boord hebben, en moet worden begrepen in het licht van de doelstellingen en de beginselen van het NAFO-Verdrag.

2. Om ervoor te zorgen dat de visbestanden in het gereglementeerde gebied door gezamenlijke acties van de verdragsluitende partijen in stand worden gehouden en rationeel worden beheerd met het oog op een optimaal gebruik ervan, worden in deze verordening vastgesteld:

- een aantal beperkingen van de vangst;

- een aantal technische instandhoudingsmaatregelen;

- een aantal internationale controlemaatregelen;

- een aantal bepalingen inzake de verwerking en het doorgeven van wetenschappelijke en statistische gegevens.

Artikel 2

Communautaire visserijactiviteit De Lid-Staten delen de Commissie de lijst mee van alle in hun havens geregistreerde of hun vlag voerende vaartuigen die voornemens zijn te vissen in het gereglementeerde gebied, zulks ten minste 30 dagen vóór het begin van die visserijactiviteit of, in voorkomend geval, uiterlijk twintig dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening. In deze lijst verstrekken zij de volgende gegevens:

a) de naam van het vaartuig;

b) het officiële registratienummer waaronder het vaartuig door de bevoegde nationale instanties is ingeschreven;

c) de haven waar het vaartuig is geregistreerd;

d) de naam van de eigenaar of de huurder;

e) een verklaring waaruit blijkt dat de kapitein een exemplaar van de in het gereglementeerde gebied geldende voorschriften heeft ontvangen;

f) de belangrijkste soorten waarop met het vaartuig in het gereglementeerde gebied zal worden gevist;

g) de deelgebieden waar het vaartuig zal vissen.

Artikel 3

Beperking van de visvangst In 1993 mogen de vissersvaartuigen die in de havens van de Lid-Staten zijn geregistreerd of die de vlag van een Lid-Staat voeren, in de in bijlage I vermelde sectoren van het gereglementeerde gebied slechts de in die bijlage vermelde quota van de daarin opgenomen soorten vangen.

Artikel 4

Technische maatregelen 1. Maaswijdte van de netten Bij de gerichte visserij op de in bijlage II vermelde soorten mogen geen sleepnetten worden gebruikt met waar dan ook mazen van minder dan 130 mm. Bij de gerichte visserij op kortvinnige pijlinktvissen mag de maaswijdte niet kleiner zijn dan 60 mm.

Tot 1 juni 1994 mogen echter voor het vissen op de in bijlage II vermelde soorten sleepnetten of delen van sleepnetten in hennep, polyamidevezel of polyestervezel worden gebruikt met een maaswijdte van ten minste 120 mm.

2. Voorzieningen aan netten Het is verboden andere dan de in dit lid vermelde voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen van het net versperren of waardoor de maaswijdte wordt verkleind.

Zeildoek, want of ander materiaal mag aan de onderzijde van de kuil van het net worden bevestigd om beschadiging te verminderen of te voorkomen.

Er mogen voorzieningen aan de bovenzijde van de kuil worden bevestigd, mits de mazen van de kuil daardoor niet worden versperd. Alleen de in bijlage III vermelde bovennetbeschermers zijn toegestaan.

3. Bijvangsten Bijvangsten van de in bijlage I vermelde soorten waarvoor de Gemeenschap geen quota heeft vastgesteld voor een deel van het gereglementeerde gebied en die in dit deel worden gevangen bij gerichte visserij op:

- een of meer van de andere in bijlage I opgenomen soorten, of - een of meer soorten die niet in bijlage I zijn vermeld,

mogen voor elk van de soorten aan boord van het vaartuig niet meer bedragen dan 2 500 kg of 10 % van het gewicht van de totale vangst aan boord, indien laatstgenoemde hoeveelheid de grootste is. Bijvangsten van de in bijlage I vermelde soorten in een deel van het gereglementeerde gebied waar gerichte visserij op bepaalde soorten verboden is, mogen echter niet meer bedragen dan respectievelijk 1 250 kg of 5 %.

4. Minimummaat van de vissen Vissen uit het gereglementeerde gebied die niet de in bijlage IV vermelde minimummaat hebben, mogen niet aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moeten onmiddellijk in zee worden teruggezet. Als de op bepaalde plaatsen gevangen hoeveelheid ondermaatse vis meer bedraagt dan 10 % van de totale vangst, moet het visservaartuig ten minste 5 zeemijl verder varen alvorens verder te vissen.

Artikel 5

Controlemaatregelen 1. De kapiteins van de vissersvaartuigen moeten de artikelen 5, 6, 7 en 8 van Verordening (EEG) nr. 2241/87 naleven en bovendien in hun logboek de in bijlage V opgesomde gegevens noteren.

De Lid-Staten delen de Commissie eveneens overeenkomstig artikel 9 van deze verordening mee hoeveel vis is gevangen van de soorten waarvoor geen quotum geldt.

2. Bij gerichte visserij op een of meer van de in bijlage II genoemde soorten mogen geen netten aan boord zijn waarvan de maaswijdte kleiner is dan in artikel 4, lid 1, is bepaald. Vaartuigen waarmee tijdens dezelfde visreis in andere zones dan het gereglementeerde gebied wordt gevist, mogen echter dergelijke netten aan boord hebben op voorwaarde dat deze zijn vastgesjord en dat zij niet onmiddellijk kunnen worden gebruikt. Dit houdt in dat de netten:

a) van de borden en van de sleepkabels en -lijnen moeten zijn losgemaakt;

b) indien deze zich op of boven het dek bevinden, goed aan een deel van de bovenbouw moeten zijn vastgesjord.

3. De kapiteins van de vissersvaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in een haven van een Lid-Staat, houden over de vangst van de in bijlage I opgenomen soorten:

a) een produktielogboek bij waarin zij, per soort en per verwerkt produkt, de cumulatieve produktie vermelden, of b) een plattegrond van de opslag van de verwerkte produkten per soort, waarin wordt aangegeven waar de produkten zich in het ruim bevinden.

De kapiteins moeten de nodige steun verlenen voor controle van de in het logboek aangegeven hoeveelheden en de aan boord opgeslagen verwerkte produkten.

Artikel 6

Wetenschappelijke en statistische gegevens 1. Met het oog op een advies over de concentratie, qua plaats en qua periode, van jonge Amerikaanse schol en jonge schelvis in sector 3 LNO van het gereglementeerde gebied:

a) verstrekken de Lid-Staten uitgaande van de relevante gegevens in het logboek als bedoeld in artikel 5, lid 1, per maand samengestelde statistieken over de nominale vangst en de over boord gezette vangst, die worden gespecificeerd voor gebiedseenheden met een breedte van niet meer dan één breedtegraad en een lengte van niet meer dan één lengtegraad;

b) wordt een op grond van monsters vastgesteld maandelijks overzicht verstrekt van de lengtesamenstelling van zowel de nominale vangst als de over boord gezette vangst, gespecificeerd op dezelfde schaal als vastgesteld onder a).

2. Met het oog op de evaluatie van de effecten van de bijvangst van kabeljauw bij het vissen op roodbaars en platvis in de omgeving van Flemish Cap:

a) verstrekken de Lid-Staten, uitgaande van de relevante gegevens in het logboek als bedoeld in artikel 5, lid 1, naast de normale meldingen, per maand samengestelde statistieken over de hoeveelheden kabeljauw die in bovengenoemd gebied bij het vissen op roodbaars en platvis over boord zijn gezet;

b) worden op grond van monsters vastgestelde maandelijkse overzichten verstrekt over de lengtesamenstelling van de kabeljauw die in bovengenoemd gebied is gevangen respectievelijk bij het vissen op roodbaars en het vissen op platvis en wordt voor ieder monster vermeld op welke diepte de kabeljauw is gevangen.

3. De monsters ter bepaling van de lengtesamenstelling van de vangst worden dusdanig uit alle delen van de vangst van iedere betrokken soort genomen dat minstens één statistisch significant monster wordt genomen uit de eerste trek van elke dag. De lengte van de vis wordt gemeten van de punt van de snuit tot het uiteinde van de staartvin.

Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden monsters ter bepaling van de lengtesamenstelling van de vangst die zijn genomen op de wijze die is beschreven in deze verordening, geacht representatief te zijn voor de volledige vangst van de betrokken soorten.

Artikel 7

Algemene bepalingen De Verordeningen (EEG) nr. 2622/79 (1) en (EEG) nr. 320/90 (2) worden ingetrokken.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1993.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 20 december 1992.

Voor de Raad De Voorzitter J. GUMMER

(1) PB nr. L 389 van 31. 12. 1992, blz. 1.

(2) PB nr. L 378 van 30. 12. 1978, blz. 1.

(3) PB nr. L 207 van 29. 7. 1987, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3483/88 (PB nr. L 306 van 11. 11. 1988, blz. 1).

(1) PB nr. L 303 van 29. 11. 1979, blz. 1.

(2) PB nr. L 36 van 8. 2. 1990, blz. 1.

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

TOEGESTANE BOVENNETBESCHERMERS

1. Bovennetbeschermer van het door ICNAF aanvaarde type Een rechthoekig stuk want dat aan de bovenzijde van de kuil is vastgemaakt om beschadiging te verminderen of te voorkomen en dat voldoet aan de volgende vereisten:

a) het stuk want mag geen mazen hebben die kleiner zijn dan de mazen die zijn voorgeschreven voor het net;

b) het stuk want mag slechts langs de voor- en zijkant zijn bevestigd aan de kuil en moet zodanig zijn vastgemaakt dat het niet verder naar voren kan reiken dan vier mazen vóór de vaste strop op de kuil en niet minder dan vier mazen vóór de pooklijn eindigt; indien er geen vaste strop op de kuil is, mag het stuk want niet verder reiken dan een derde van de kuil, gemeten vanaf niet minder dan vier mazen vóór de pooklijn;

c) het aantal mazen in de breedte van het stuk want moet ten minste anderhalf maal zo groot zijn als het aantal mazen in de breedte van dat beschermde gedeelte van de kuil, met dien verstande dat beide breedten loodrecht op de lengteas van de kuil worden berekend.

2. Bovennetbeschermer met meervoudige, achter elkaar geplaatste bovensleeplappen Stukken want die op al hun delen mazen hebben die, ongeacht of de stukken want droog of nat zijn, niet kleiner zijn dan de mazen van het net waaraan zij zijn vastgemaakt, op voorwaarde dat i) elk stuk want a) slechts aan de voorzijde is vastgemaakt over de kuil en loodrecht staat op de lengteas;

b) ten minste even breed is als de kuil (met dien verstande dat de breedte loodrecht op de lengteas van de kuil wordt gemeten bij het punt waar het is vastgemaakt);

c) niet langer is dan tien mazen;

ii) de totale lengte van alle aldus bevestigde stukken want niet meer bedraagt dan twee derde van de lengte van de kuil.

3. Bovennetbeschermer met grote mazen (gewijzigd Pools type) Een rechthoekig stuk want dat vervaardigd is van hetzelfde garen als de kuil, of van enkel, dik, knooploos garen, dat is vastgemaakt aan het achterste gedeelte van de bovenzijde van de kuil en dat de bovenzijde van de kuil geheel of gedeeltelijk bedekt, dat op al zijn delen, in natte toestand gemeten, mazen heeft die tweemaal zo groot zijn als die van de kuil, en dat slechts aan de voor-, zij- en achterkant van dat stuk want op zodanige wijze aan de kuil bevestigd is dat iedere maas van dat stuk want precies samenvalt met vier mazen van de kuil.

BIJLAGE IV

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>