Home

93/204/EEG: Beschikking van de Raad van 5 april 1993 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 5, lid 8, en van artikel 21, lid 1, onder a), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting

93/204/EEG: Beschikking van de Raad van 5 april 1993 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 5, lid 8, en van artikel 21, lid 1, onder a), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting

BESCHIKKING VAN DE RAAD van 5 april 1993 waarbij het Verenigd Koninkrijk wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 5, lid 8, en van artikel 21, lid 1, onder a), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting

(93/204/EEG)DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), inzonderheid op artikel 27,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat de Raad, krachtens artikel 27, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG, op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke Lid-Staat kan machtigen bijzondere, van de bepalingen van die richtlijn afwijkende maatregelen te treffen ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen;

Overwegende dat het Verenigd Koninkrijk bij Beschikking 90/127/EEG (2), volgens de procedure van artikel 27, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 77/388/EEG werd gemachtigd tot en met 31 december 1992 een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 5, lid 8, en artikel 21, lid 1, van genoemde richtlijn;

Overwegende dat het Verenigd Koninkrijk per brief van 16 november 1992, die op 18 november 1992 bij de Commissie werd geregistreerd, heeft verzocht genoemde afwijkende maatregel te mogen verlengen tot en met 31 december 1996;

Overwegende dat de andere Lid-Staten op 18 december 1992 van het verzoek van het Verenigd Koninkrijk in kennis zijn gesteld;

Overwegende dat genoemde afwijkende maatregel tot doel heeft te voorkomen dat groepen van ondernemingen die als één belastingplichtige worden beschouwd in de zin van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG en die geen recht hebben op volledige aftrek van de belasting, in aanmerking komen voor de volledige aftrek van de bij bepaalde overdrachten van activa geheven belasting, daar deze in het Verenigd Koninkrijk worden verricht onder toepassing van artikel 5, lid 8, van die richtlijn;

Overwegende dat op grond van artikel 5, lid 8, van Richtlijn 77/388/EEG de Lid-Staten in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager;

Overwegende dat het Verenigd Koninkrijk in het algemeen gebruik maakt van de mogelijkheid die voornoemd artikel 5, lid 8, biedt;

Overwegende dat dientengevolge de door het Verenigd Koninkrijk overwogen maatregel een afwijking van voornoemd artikel 5, lid 8, vormt, omdat die maatregel tot gevolg heeft dat niettemin een levering geacht wordt te hebben plaatsgevonden bij de overdracht van bepaalde goederen binnen een algemeenheid aan een vennootschap die, als lid van een groep van ondernemingen die geacht worden in de zin van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 77/388/EEG één belastingplichtige te vormen, geen recht heeft op volledige aftrek van de belasting;

Overwegende dat de door het Verenigd Koninkrijk overwogen maatregel tevens een afwijking vormt van artikel 21, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG, volgens welke bepaling in het binnenlands verkeer de belasting verschuldigd is door de belastingplichtige die de belastbare handeling verricht;

Overwegende dat genoemde afwijkende maatregel een gunstige invloed heeft op de eigen middelen van de Europese Gemeenschappen uit de belasting over de toegevoegde waarde,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

In afwijking van artikel 5, lid 8, en van artikel 21, lid 1, onder a), van Richtlijn 77/388/EEG wordt het Verenigd Koninkrijk gemachtigd tot en met 31 december 1996:

- enerzijds een bepaling toe te passen krachtens welke levering van goederen geacht wordt plaats te vinden wanneer andere activa dan de investeringsgoederen met betrekking waartoe de oorspronkelijk verrichte aftrekken worden geregulariseerd volgens de door het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 20 van Richtlijn 77/388/EEG vastgestelde wettelijke bepalingen, onderwerp vormen van een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid op een vennootschap die deel uitmaakt van een groep van ondernemingen die in de zin van artikel 4, lid 4, van die richtlijn beschouwd worden als één belastingplichtige en die als lid van deze groep geen recht heeft op volledige aftrek van de belasting;

- anderzijds een bepaling toe te passen krachtens welke de vennootschap waaraan de bij het eerste streepje bedoelde levering van activa heeft plaatsgevonden, de belasting verschuldigd is.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot het Verenigd Koninkrijk.

Gedaan te Luxemburg, 5 april 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

N. HELVEG PETERSEN

(1) PB nr. L 145 van 13. 6. 1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/111/EEG (PB nr. L 384 van 31. 12. 1992, blz. 47).

(2) PB nr. L 73 van 20. 3. 1990, blz. 32.