94/285/Euratom: Beschikking van de Commissie van 21 februari 1994 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
94/285/Euratom: Beschikking van de Commissie van 21 februari 1994 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 21 februari 1994 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (94/285/Euratom)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 53, tweede alinea,
Gezien de brief van 20 januari 1994 van de onderneming Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH,
Overwegende hetgeen volgt:
I. DE FEITEN a) Het optreden van het Voorzieningsagentschap van Euratom
(1) De Duitse onderneming Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH, hierna "KLE" genoemd, is exploitant van een kerncentrale en uit dien hoofde gebruiker van uranium. Per schrijven van 25 november 1993, dat op 29 november 1993 is ontvangen, heeft KLE aan het Voorzieningsagentschap van Euratom, hierna "het Agentschap" genoemd, krachtens artikel 52 van het Verdrag een door haar met de Britse onderneming British Nuclear Fuels plc, hierna "BNFL" genoemd, af te sluiten contract voorgelegd voor de levering van 400 ton uranium UF6.
(2) Gezien het lage prijsniveau en omdat het land van oorsprong van de te leveren stoffen niet was vermeld, heeft het Agentschap per schrijven van 10 december 1993 de contractanten verzocht de herkomst van het uranium te vermelden, waarbij het op de eisen van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid, met name met betrekking tot de leveranties uit de Republieken van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, hierna "het GOS" genoemd, heeft gewezen.
(3) In haar antwoord van 14 december 1993 deelde BNFL mede dat het volgens het contract te leveren uranium uit het GOS afkomstig zou zijn, waarschijnlijk uit Rusland.
(4) Per schrijven van 20 december 1993 heeft het Agentschap, onder verwijzing naar zijn schrijven van 10 december 1993, opnieuw de uit het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid voortvloeiende bezwaren tegen het ingediende contract uiteengezet en partijen verzocht hun eventuele opmerkingen te maken, voordat er een beschikking werd gegeven.
(5) Per schrijven van 29 december 1993 heeft KLE het Agentschap de kopie van een aan de Commissie gericht schrijven van diezelfde dag doen toekomen. In dit schrijven verwijt KLE, zich beroepend op artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag, het Agentschap dat het heeft "nagelaten een besluit te nemen".
(6) Op 6 januari 1994 ondertekende het Agentschap het hem voorgelegde leveringscontract onder toevoeging van het volgende:
"Het contract wordt met inachtneming van bijgaande beschikking nr. 1/94 van het Voorzieningsagentschap van Euratom ondertekend, onder voorwaarde dat het volgens dit contract te leveren uranium niet rechtstreeks noch onrechtstreeks uit de produktie van een tot het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) behorend land afkomstig is.".
Het ondertekende contract en de op dezelfde dag gegeven "beschikking nr. 1/94 van het Voorzieningsagentschap van Euratom betreffende een op 29 november 1993 ingediend contract voor de levering van uranium tussen de kerncentrale Lippe-Ems GmbH en British Nuclear Fuels plc" zijn KLE en BNFL al op 6 januari 1994 ter kennis gebracht. Voor nadere bijzonderheden over de juridische motivering van beschikking nr. 1/94 wordt verwezen naar de juridische beoordeling.
b) De indiening van een bezwaarschrift bij de Commissie
(7) In het in overweging 5 genoemde schrijven van 29 december 1993 heeft KLE, onder verwijzing naar artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag, aan de Commissie een in dat schrijven nader toegelichte "nalatigheid" van het Agentschap voorgelegd en heeft verzocht om haar eisen in te willigen, onder inroeping van juridische argumenten.
Als reden voor de grief dat het Agentschap nalatig is geweest, geeft KLE aan dat het Agentschap na ontvangst van het contract op 29 november 1993 zonder uitspraak te doen de termijn van tien werkdagen heeft laten verlopen welke is bepaald in artikel 5 bis, onder f), van de verordening van het Voorzieningsagentschap van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 5 mei 1960 waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen (1), gewijzigd bij de verordening van 15 juli 1975 (2), hierna "de verordening" genoemd.
(8) Per schrijven van 20 januari 1994 heeft KLE, onder verwijzing naar artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag, aan de Commissie beschikking nr. 1/94 van het Agentschap voorgelegd en verzocht:
"1. het Voorzieningsagentschap van Euratom op te dragen het op 29 november 1993 ingediende contract van 10/22 november 1993 tussen KLE en BNFL inzake de levering van 400 ton uranium (UF6) af te sluiten;
2. vast te stellen dat Euratom, indien het in punt 1 genoemde leveringscontract op grond van het niet tijdig afsluiten, onderscheidenlijk de voorwaardelijke ondertekening door het Voorzieningsagentschap van Euratom, tegenover BNFL niet meer rechtsgeldig kan worden of niet rechtsgeldig is, de rechtsgeldigheid naderhand vervalt of de contractuele aanspraken niet of niet zonder concessies afdwingbaar zijn, verplicht is KLE een schadevergoeding te betalen waarin rekening is gehouden met de hogere koopprijs, alle bijkomende uitgaven, eventuele nadelen en verdere kosten welke KLE in verband met de afsluiting van een vervangend contract of het vasthouden aan het door het Agentschap voorwaardelijk ondertekend contract ontstaan;
3. in geval van afwijzing van een eis overeenkomstig punt 1 in plaats daarvan vast te stellen dat Euratom verplicht is de schade te vergoeden die voor KLE in de vorm van een hogere koopprijs ontstaat, omdat KLE vanwege de te late uitspraak van het Agentschap over de afsluiting van het leveringsverdrag, onderscheidenlijk op grond van de door het voorwaardelijk ondertekenen ontstane rechtsonzekerheid pas later, namelijk bij de officiële bekendmaking van een, conform het verzoek van KLE, onvoorwaardelijke beschikking van het Voorzieningsagentschap van Euratom overeenkomstig artikel 5 bis, onder g), eerste zin, van de verordening of van de weigering door de Commissie om een bevel overeenkomstig punt 1 te geven, maatregelen kon nemen voor een vervangende overeenkomst;
4. het Voorzieningsagentschap van Euratom de kosten van de voorleggingsprocedure te laten betalen.".
(9) Ter motivering van haar verzoeken uitte KLE de volgende grieven:
- Bij de door het Agentschap op 6 januari 1994 gegeven beschikking is niet de geldende termijn in acht genomen.
- Schending van het Verdrag en overtreding van de bij de tenuitvoerlegging daarvan toe te passen rechtsvoorschriften, met name van artikel 5 bis van de verordening.
- Onbevoegdheid van het Agentschap en schending van de gemeenschappelijke markt.
- Schending van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.
- Misbruik van bevoegdheid door het Agentschap.
- Geen verschaffing van een "bevoorrechte positie tegenover andere gebruikers" bij een onvoorwaardelijke contractafsluiting.
Deze grieven worden weer onderverdeeld in afzonderlijke punten, waarvoor naar het schrijven van 20 januari 1994 wordt verwezen.
(10) Met de beschikking van 4 februari 1994 wees de Commissie de door KLE per schrijven van 29 december 1993 gedane verzoeken af. Voor een nadere motivering verwijst de Commissie naar de inhoud van deze beschikking.
II. JURIDISCHE BEOORDELING a) Inleidende opmerking en de niet-inachtneming van de geldende termijn
(11) Per schrijven van 20 januari 1994 heeft KLE de Commissie beschikking nr. 1/94 van het Agentschap voorgelegd en vier verzoeken gedaan. In wezen stelt KLE hier dat bij het geven van de beschikking het Agentschap zich niet aan de geldende termijn heeft gehouden en dat de beschikking zelf om een aantal redenen in strijd met het recht dient te worden beschouwd.
(12) Op het herhaalde verwijt van KLE, dat het Agentschap zich niet aan de termijn gehouden heeft, verwijst de Commissie naar haar beschikking van 4 februari 1994. Onder punt 13 van deze beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de termijn van tien dagen waarbinnen het Agentschap zich moest uitspreken inging op 15 december 1993 en eindigde met afloop van 6 januari 1994, d.w.z. de dag waarop het Agentschap de aan de Commissie voorgelegde beschikking heeft gegeven en aan KLE en BNFL heeft doen toekomen. Dat KLE dit punt opnieuw naar voren brengt, verandert niets aan deze vaststelling.
(13) Ten aanzien van het verwijt van KLE, dat beschikking nr. 1/94 in strijd met het recht is, moet worden nagegaan of de bezwaren van KLE terecht zijn.
b) Schending van het Verdrag en overtreding van de bij de tenuitvoerlegging daarvan toe te passen rechtsvoorschriften
(14) KLE ondersteunt deze grief met de bewering dat het Agentschap op grond van artikel 5 bis van de Verordening verplicht is ieder leveringscontract te sluiten dat aan de formele voorwaarden van artikel 5 bis voldoet. Een dergelijke aanspraak op contractsluiting vindt noch in het Verdrag noch in de verordening steun.
Het Agentschap is volgens artikel 61 van het Verdrag niet verplicht aan bestellingen te voldoen wanneer zich daartegen "juridische of materiële bezwaren" verzetten. Een dergelijk juridisch bezwaar is er vooral dan, wanneer het Agentschap door het voldoen aan de bestelling "bepaalde gebruikers een bevoorrechte positie verschaft" en daardoor artikel 52, lid 2, onder a), van het Verdrag zou overtreden. Het Agentschap heeft terecht op de betekenis van dit voorschrift, dat ook het Agentschap bindt, gewezen in punt 4 van zijn beschikking.
Ook artikel 5 bis van de verordening houdt geen aanspraak op contractsluiting in, aangezien het Agentschap volgens de bepalingen onder f) en g) het recht heeft om eventueel te weigeren een contract af te sluiten.
(15) KLE beweert voorts dat er zonder een uitdrukkelijk in het Gemeenschapsrecht neergelegde volmacht geen "diversifiëringsbeleid" uit de algemene voorzieningsregelingen van het Verdrag kan worden afgeleid. Het Agentschap zou geen bevoegdheid bezitten "voor een dirigistische marktregeling" of "tot de prijscontrole die de in de Gemeenschap gevestigde producenten steunt" noch een "globale volmacht" op grond van artikel 2, onder d), van het Verdrag.
Volgens de Commissie miskent deze bewering van KLE de betekenis en de omvang van de rechten die het Verdrag de Gemeenschap en met name het Agentschap toekent voor de uitvoering van een gemeenschappelijke voorzieningspolitiek in de zin van artikel 52, lid 1.
(16) Ten aanzien van de algemene doelstelling en de beginselen van diversifiëring van voorzieningsbronnen in de energiesector kan worden opgemerkt dat op dit punt in de Gemeenschap reeds lang eensgezindheid bestaat. De Raad heeft in zijn resolutie van 16 december 1986 betreffende nieuwe doelstellingen inzake het energiebeleid van de Gemeenschap voor 1995 en de convergentie van het beleid van de Lid-Staten (3) met nadruk gesteld,
"dat het energiebeleid van de Gemeenschap en de Lid-Staten gericht moet zijn op het verwezenlijken van de volgende horizontale doelstellingen:
a) meer stabiele voorzieningsvoorwaarden en vermindering van het risico van abrupte schommelingen van de energieprijzen door middel van:
. . .
- de geografische diversificatie van de externe voorzieningsbronnen van de Gemeenschap, . . .".
(17) Vooral wat de voorziening met kernmaterialen betreft moet het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid volgens artikel 52 van het Verdrag zich richten naar de doelstellingen van artikel 2 van het Verdrag. Volgens artikel 2, onder d), moet de Gemeenschap "waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap". Daarnaast moet de Gemeenschap volgens artikel 2, onder c), zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties "die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap", hetgeen betekent dat er ook rekening moet worden gehouden met de belangen van de producenten.
(18) In het licht van deze algemene energiepolitieke doelstellingen en de speciale uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen die in gelijke mate voor de Commissie en het Agentschap gelden, is het streven van het Agentschap naar een geografische diversificatie van de externe voorzieningsbronnen van de Gemeenschap volgens de Commissie niet voor kritiek vatbaar, te meer daar de huidige situatie op de wereldmarkt voor natuurlijk uranium risico's op lange termijn inhoudt, waarop het Agentschap in punt II van zijn beschikking terecht gewezen heeft.
(19) Ook wanneer KLE zich niet tegen het beginsel van diversificatie van voorzieningsbronnen verzet, maar wel bezwaar maakt tegen de manier waarop die juridisch ten uitvoer wordt gelegd, kan de Commissie het niet met KLE eens zijn wanneer die zegt dat voor een dergelijke tenuitvoerlegging een verandering van de verordening, een verordening van de Raad op grond van artikel 203 van het Verdrag of zelfs een wijziging van hoofdstuk VI van het Verdrag noodzakelijk zou zijn.
(20) Volgens artikel 52, lid 2, onder b), van het Verdrag heeft het Agentschap, in het kader van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid, het uitsluitend recht om "contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap". Artikel 64 van het Verdrag luidt als volgt:
"Het Agentschap heeft, eventueel optredend in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde staat of een internationale organisatie gesloten akkoorden, het uitsluitend recht, behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten, welke leveringen van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap, als hoofddoel hebben.".
Behoudens eventuele richtlijnen van de Commissie overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van het Verdrag, heeft het Agentschap op grond van deze voorschriften niet alleen het recht om te bepalen of, en zo ja, met welke partners, het contracten, akkoorden of overeenkomsten sluit over de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, die afkomstig zijn uit de produktie van buiten de Gemeenschap, maar is het ook bevoegd om te bepalen op welke wijze deze leveringen dienen te geschieden. Het Agentschap verliest deze volgens primair recht verleende bevoegdheden ook niet wanneer het in het kader van een vereenvoudigde procedure volgens artikel 60, zesde alinea, van het Verdrag een gemakkelijker en via directe contacten tussen producenten en gebruikers zelf verlopende voorbereiding van het contract toelaat. Het uitsluitend recht om contracten te sluiten voor leveringen vanuit landen buiten de Gemeenschap berust volgens artikel 52, lid 2, onder b), van het Verdrag nog steeds bij het Agentschap, dat daardoor evenals voorheen bevoegd is de hem door het Verdrag verleende rechten in het kader van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid uit te oefenen. De geldigheid van deze rechten hangt niet af van de verordening van het Agentschap en voor de uitoefening daarvan is ook geen verordening van de Raad op grond van artikel 203 van het Verdrag of een wijziging van hoofdstuk VI nodig.
(21) Met betrekking tot leveringen uit de Staten van de voormalige Sowjetunie wordt er verder aan herinnerd, onder verwijzing naar de artikelen 64 en 101 van het Verdrag, dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in 1990 met de Unie van de Socialistische Sowjetrepublieken een overeenkomst heeft gesloten inzake handel en commerciële en economische samenwerking (4). Volgens artikel 14 van deze overeenkomst vindt de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen plaats tegen op de markt afgestemde prijzen. Wanneer er in bepaalde gevallen in strijd met artikel 14 aanbiedingen worden gedaan tegen niet op de markt afgestemde prijzen, moet het Agentschap hiermee bij de uitoefening van zijn uitsluitend recht tot contractafsluiting rekening houden.
c) Het onbevoegd zijn van het Agentschap en de schending van de gemeenschappelijke markt
(22) De hier door KLE geuite grief is dat het Agentschap met de diversificatie van de voorzieningsbronnen handelspolitieke doeleinden nastreeft, terwijl het Agentschap niet bevoegd is tot handelspolitieke maatregelen, aangezien deze alleen op grond van artikel 113 van het EG-Verdrag genomen mogen worden.
Dit verwijt van KLE betekent in verscheidene opzichten een miskenning van de strekking en de zelfstandigheid van het Euratom-Verdrag. Als sectorgericht Verdrag met speciale regelingen voor een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid dat ook betrekking heeft op leveringen uit produktie van buiten de Gemeenschap, heeft het Euratom-Verdrag voorrang boven de algemene voorschriften van het EG-Verdrag. Deze voorrang valt niet alleen af te leiden uit het algemene rechtsbeginsel dat bijzondere voorschriften voorrang hebben boven algemene voorschriften, maar is ook uitdrukkelijk vastgelegd in artikel 232, lid 2, van het EG-Verdrag: "De bepalingen van dit Verdrag doen geen afbreuk aan die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie". Daar komt nog bij dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Economische Gemeenschap zijn opgericht als Gemeenschappen die juridisch, organisatorisch en institutioneel van elkaar onafhankelijk zijn; voor hun rechtshandelingen geldt niet het voorbehoud van besluiten van de andere Gemeenschap. Tegen deze achtergrond moet iedere poging om hoofdstuk VI van het Euratom-Verdrag als lex imperfecta voor te stellen en artikel 113 van het EG-Verdrag als voorbehoud voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid van het Euratom-Verdrag te laten gelden, worden afgewezen.
(23) Voor de rest kan de Commissie niet inzien waarom maatregelen van het Agentschap die ter uitvoering van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid zijn genomen, in strijd met artikel 2, onder g), en artikel 92 e. v. van het Verdrag zouden zijn.
d) De schending van de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht
(24) Als eerste punt voert KLE hier schending van het beginsel van rechtszekerheid aan. KLE zou zich bij haar aankoopbeleid volledig door artikel 5 bis van de verordening hebben laten leiden en aan alle daarin opgenomen juridische voorwaarden hebben voldaan. Het Agentschap heeft haar nooit leveringsquota medegedeeld, zodat er niet in voldoende mate doorzichtigheid gewaarborgd zou zijn.
Hierbij dient allereerst te worden opgemerkt dat alleen al uit de tekst van artikel 5 bis van de verordening kan worden opgemaakt dat het mededelen van de in die verordening nader aangegeven gegevens die het leveringscontract ten minste moet bevatten, op zichzelf nog geen recht op contractsluiting door het Agentschap geeft. Met name uit artikel 5 bis, onder f) en g), valt af te leiden dat het Agentschap eventueel het recht heeft te weigeren contracten af te sluiten (zie ook overweging 14).
KLE had ook op de hoogte moeten zijn van de beginselen van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid, vooral wat de geografische diversificatie van de voorzieningsbronnen betreft en het in acht nemen van op de markt afgestemde prijzen in geval van leveranties uit de landen van het GOS.
Nog afgezien van de in de overwegingen 16 en 21 geciteerde besluiten, die in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend zijn gemaakt, nemen gebruikers en producenten van kernmateriaal in de Gemeenschap via het raadgevend comité van het Agentschap deel aan de vorming en omzetting van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.
(25) Volgens artikel X van het statuut van het Voorzieningsagentschap van Euratom van 6 november 1958 (5), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal (6), waarbij het raadgevend comité van het Agentschap wordt opgericht, "benoemt de Raad op voorstel van de Lid-Staten, na advies te hebben ingewonnen van de Commissie, de leden van het raadgevend comité uit de vertegenwoordigers van producenten en gebruikers en uit uiterst bekwame deskundigen". Volgens artikel XI, lid 1, van het statuut vormt het raadgevend comité "een verbindingsorgaan tussen het Agentschap enerzijds en de gebruikers en de belanghebbenden anderzijds". Zoals uit vele verslagen blijkt, heeft het raadgevend comité de hier van belang zijnde vragen van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid meermaals besproken. Bovendien heeft het Agentschap de gebruikers over het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid geïnformeerd en daarbij zijn, zoals uit de notulen blijkt, ook vertegenwoordigers van KLE aanwezig geweest.
(26) Bovendien kan hier van tevoren vastgelegde en naar afzonderlijke gebruikers toegerekende leveringsquota geen sprake zijn. Aangezien alleen het Agentschap bevoegd is tot afsluiting van contracten voor de levering van van buiten de Gemeenschap afkomstig kernmateriaal, streeft het Agentschap er veeleer naar om in het kader van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid de hem medegedeelde bestellingen zo goed mogelijk te vervullen en alleen dan en in zoverre te weigeren een contract af te sluiten of daaraan voorwaarden te verbinden indien in het betreffende geval afsluiting van het voorgelegde contract tot een bevoorrechte positie van de betreffende gebruiker zou leiden.
(27) KLE uit verder de grief dat de beslissing van het Agentschap in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Aan de hand van een voorbeeld uit de landbouwwetgeving van de Gemeenschap is KLE van mening dat het Euratom-Verdrag niet voorziet in een bij een rechtsstaat passende, zakelijk evenwichtige, gelijkmatig toegepaste en voor de marktdeelnemers doorzichtige beheersprocedure.
De Commissie kan het hier niet mee eens zijn. De Gemeenschap geeft juist met de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening de gebruikers en producenten een maximum aan doorzichtigheid en markteconomische handelsvrijheid, en beperkt publiekrechtelijke ingrepen tot een - onder de geldende marktvoorwaarden redelijk - absoluut noodzakelijk minimum. Indien echter mocht blijken dat de gebruikers en producenten in de Gemeenschap in het kader van het raadgevend comité of ook daarbuiten overeenkomstig de zienswijze van KLE in het algemeen voorstanders zijn van afschaffing van deze vereenvoudigde procedure en van invoering van een formele quoteringsregeling naar het voorbeeld van de landbouwwetgeving van de Gemeenschap, dan bevindt het Agentschap zich in een nieuwe situatie en zal het zich op passende maatregelen dienen te bezinnen. Tot nu toe hebben het raadgevend comité en de gebruikers en producenten zich nagenoeg unaniem tegen dergelijke ideeën uitgesproken.
(28) KLE klaagt verder dat het Agentschap in strijd met het algemeen gelijheidsbeginsel handelt omdat het een "automatische quotering" voor iedere gebruiker afzonderlijk hanteert en geen rekening houdt met de omstandigheden waarin de gebruiker op dat moment verkeert of met de voorwaarden van de afzonderlijke leveringscontracten.
Zoals reeds is uiteengezet in de overwegingen 26 en 27, gaat het hier niet om de invoering van een algemene, starre quoteringsregeling voor alle gebruikers, maar om een op de omstandigheden van het afzonderlijke geval afgestemde controle door het Agentschap van de bepalingen van ieder contract (zie in dit verband punt IV van de motivering van beschikking nr. 1/94).
(29) Voorts spreekt KLE van een schending van het proportionaliteitsbeginsel. De voorwaardelijke ondertekening van het intracommunautaire leveringscontract zou niet nodig zijn, aangezien voor het bereiken van de doelstellingen van het Agentschap een optreden in het kader van het uitsluitend recht van contractsluiting inzake leveringen van buiten de Gemeenschap al voldoende zou zijn. Het weigeren van een onvoorwaardelijke contractsluiting zou ook niet proportioneel zijn, aangezien het Verdrag voorziet in minder beperkende voorzieningsbeleidsinstrumenten, zoals het aanleggen van veiligheidsvoorraden en de bevordering van de opsporing van delfstoffen. Bovendien zou het niet met de bepalingen van het Verdrag stroken om gebruikers via een diversificatiebeleid te dwingen tot het betrekken van uranium tegen te hoge prijzen. Verder was het de vraag of voor de realisering van de beoogde doelstellingen beperking van de invoer uit het GOS tot 20 à 25 % nodig was.
(30) Ten eerste is de Commissie om redenen van vertrouwen en loyaliteit tussen contractpartners niet van mening dat het Agentschap - de herkomst van de stoffen kennend - het leveringscontract tussen KLE en BNFL zonder voorwaarden te stellen had moeten afsluiten en in de plaats daarvan de afsluiting van het leveringscontract tussen BNFL en haar leveranciers weigeren.
(31) De door KLE geuite grief met betrekking tot het aanleggen van veiligheidsvoorraden volgens artikel 72, tweede alinea, en de deelname aan de opsporing van delfstoffen volgens artikel 70 van het Verdrag leent zich niet om de rechtmatigheid van de handelingen van het Agentschap in twijfel te trekken, aangezien het om bevoegdheden van de Commissie en de Raad en niet van het Agentschap gaat. Het Agentschap is volgens artikel 72, eerste alinea, alleen bevoegd tot het aanleggen van handelsvoorraden, waartoe echter, gezien de huidige situatie op voorzieningsgebied, zeker geen aanleiding bestaat.
(32) Ten aanzien van het verwijt dat het Agentschap de gebruikers dwingt tot het aankopen van uranium tegen "te hoge prijzen" behoeft alleen maar te worden opgemerkt dat in de beschikking van het Agentschap in punt II van de motivering niet de aankoop tegen te hoge prijzen wordt verdedigd, maar dat van prijzen wordt gesproken "die in verhouding tot de marktprijzen staan, d.w.z. de produktiekosten weerspiegelen en verenigbaar zijn met de prijzen die door producenten in landen met een markteconomie worden gehanteerd.".
(33) Ten slotte twijfelt KLE aan de juistheid van een aandeel van het GOS van 20 tot 25 % in de totale leveringen. De Commissie herinnert eraan dat de Gemeenschap met een aantal derde landen langlopende leveringsovereenkomsten heeft gesloten. Met de betrekkingen met deze contractpartners en andere uranium leverende landen moet in het kader van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid ook rekening worden gehouden en daarom is een verdere verhoging van het aandeel van het GOS in de leveringen in de huidige situatie moeilijk te verenigen met de belangen van de Gemeenschap op het gebied van de voorziening op lange termijn.
e) Misbruik van bevoegdheid
(34) De grief van KLE op dit punt berust op polemische insinuaties over de beweegredenen van het Agentschap, die de Commissie met stelligheid van de hand wijst. De beweringen van KLE ter zake zijn reeds in bovenstaande overwegingen weerlegd en van de hand gewezen (zie hiervoor de overwegingen 14, 15, 16 en 22).
f) Geen sprake van een "bevoorrechte positie tegenover andere gebruikers" bij een onvoorwaardelijke contractsluiting
(35) Deze laatste grief wordt door KLE onderverdeeld in een aantal punten onder de volgende hoofden:
i) Realisering van een rechtvaardige verdeling door vrijheid van contractsluiting overeenkomstig artikel 5 bis van de verordening.
ii) Geen handelingsbevoegdheid op de grondslag van onrechtmatige praktijken van het Agentschap tegenover andere gebruikers.
iii) Onjuistheid van geïsoleerde toepassing van artikel 52, lid 2, onder a), van het Verdrag.
iv) Vanuit historisch oogpunt onjuiste toepassing van artikel 52, lid 2, onder a), van het Verdrag.
v) Geen schending van het recht op gelijke toegang.
vi) Een de hele Gemeenschap omvattende uitvoering van het "diversificatiebeleid van het Agentschap" ontbreekt.
(36) De punten i) en ii) zijn in feite herhalingen van eerder gedane beweringen die in overweging 14 e.v. zijn weerlegd. Wanneer KLE echter toegeeft dat "voor artikel 52, lid 2, onder a), van het Euratom-Verdrag is, naast de in artikel 5 bis van de verordening opgesomde voorwaarden, zeker nog ruimte in de zin van een controle op misbruiken," komt KLE in de buurt van de zienswijze van het Agentschap en de Commissie op dit zeer belangrijke punt (zie overweging 26). Uit de opmerking van KLE dat het het Agentschap in het verleden mogelijkerwijs gelukt is om "bij de uitoefening van zijn recht van contractsluiting het zogenaamd door hem gevolgd "diversificatiebeleid" tegenover afzonderlijke of ook een belangrijk deel van de gebruikers door te zetten", valt op te maken dat er in de praktijk voor de "bijna notariële" functie van het Agentschap (zie punt iii)) waarvan KLE spreekt geen grondslag is. Dat deze ook juridisch geen grondslag heeft, is reeds eerder uiteengezet (zie met name overweging 14).
Of, en zo ja, in hoeverre, artikel 52, lid 2, onder a), "verdragsrechtelijk oorspronkelijk op een heel ander geval betrekking heeft", zoals KLE in punt iv) beweert, is hier irrelevant, aangezien het Verdrag volgens artikel 208 voor onbeperkte tijd gesloten is en de Verdragsbepalingen ook onder veranderende omstandigheden bindend zijn.
In punt v) wordt een reeds eerder genoemde grief herhaald, die reeds in overweging 30 is weerlegd.
In punt vi) geeft KLE ten slotte toe dat zij in zoverre een "bevoorrechte" positie zou krijgen, als het Agentschap daadwerkelijk in staat zou zijn zijn "diversificatiebeleid" met gelijkmatige belasting van alle gebruikers door te voeren. Voor zover "afzonderlijke" in de Gemeenschap gevestigde gebruikers buiten het Agentschap om handelen, zoals KLE overigens zonder enige verdere bewijsvoering beweert, kan KLE zich tegenover het Agentschap niet op een eventueel onrechtmatig handelen van derden beroepen.
Ten slotte is op het als onnauwkeurig gelaakte bereik van 20 tot 25 % aandeel van het GOS in de leveringen volgens de Commissie niets aan te merken, aangezien er op die manier beter rekening kan worden gehouden met afzonderlijke gevallen dan wanneer er één enkel vastliggend percentage is.
III. CONCLUSIE (37) Zoals blijkt uit voorgaande overwegingen is geen van de tegen beschikking nr. 1/94 van het Agentschap ingebrachte bezwaren gegrond. Aangezien de toetsing verder geen punten opgeleverd heeft op grond waarvan de rechtmatigheid van beschikking nr. 1/94 in twijfel kan worden betrokken, kunnen de verzoeken van KLE niet worden ingewilligd,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De door Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH per schrijven van 20 januari 1994 ingediende verzoeken worden afgewezen.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH, Rheinlanddamm 24, 44139 Dortmund, Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 21 februari 1994.
Voor de Commissie
Abel MATUTES
Lid van de Commissie
(1) PB nr. 32 van 11. 5. 1960, blz. 777/60.
(2) PB nr. L 193 van 25. 7. 1975, blz. 37.
(3) PB nr. C 241 van 25. 9. 1986, blz. 1.
(4) PB nr. L 68 van 15. 3. 1990, blz. 2.
(5) PB nr. 27 van 6. 12. 1958, blz. 534/58.
(6) PB nr. L 302 van 15. 11. 1985.