Verordening (EG) nr. 333/95 van de Commissie van 17 februari 1995 tot vaststelling van nadere bepalingen voor Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad wat de toepassing van een maximum betreft voor het areaal waarvoor aan de afzonderlijke producenten het compensatiebedrag voor oliehoudende zaden kan worden betaald
Verordening (EG) nr. 333/95 van de Commissie van 17 februari 1995 tot vaststelling van nadere bepalingen voor Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad wat de toepassing van een maximum betreft voor het areaal waarvoor aan de afzonderlijke producenten het compensatiebedrag voor oliehoudende zaden kan worden betaald
VERORDENING (EG) Nr. 333/95 VAN DE COMMISSIE van 17 februari 1995 tot vaststelling van nadere bepalingen voor Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad wat de toepassing van een maximum betreft voor het areaal waarvoor aan de afzonderlijke producenten het compensatiebedrag voor oliehoudende zaden kan worden betaald
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (1), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, en met name op de artikelen 12 et 16,
Overwegende dat in artikel 11, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 is bepaald dat de Lid-Staten waar het vastgestelde nationale referentieareaal aanzienlijk dreigt te worden overschreden, het areaal waarvoor aan de afzonderlijke producenten de specifieke compensatiebedragen voor oliehoudende zaden kunnen worden betaald, kunnen begrenzen; dat het bedoelde maximum op grond van objectieve criteria dient te worden berekend en in een percentage van het in aanmerking komende areaal van de producent dient te worden uitgedrukt; dat dit maximum naargelang van de regionale basisarealen kan worden gedifferentieerd; dat het maximum aan de producenten vóór een vastgestelde datum en voordat met de inzaai van de betrokken gewassen wordt begonnen, dient te worden meegedeeld; dat, indien een producent het teeltspecifieke compensatiebedrag voor een oppervlakte boven dit maximum mocht aanvragen, de extra oppervlakte voor die aanvraag niet in aanmerking behoort te worden genomen; dat het in verband daarmee nodig kan zijn de oppervlakte waarvoor de producent een braakleggingscompensatie kan krijgen, dienovereenkomstig te verminderen; dat overgangsmaatregelen moeten worden vastgesteld voor de gevallen waarin het maximum aan de producenten ter kennis is gebracht na de vastgestelde datum maar voordat met de inzaai is begonnen en voor de gevallen waarin het maximum op een andere wijze is uitgedrukt dan als percentage van het totale in aanmerking komende areaal akkerland van de producent;
Overwegende dat deze verordening de inzaai van oliehoudende zaden het uit de produktie nemen van bouwland voor het verkoopseizoen 1995/1996 raakt; dat de termijn voor het uit de produktie nemen van bouwland wat het verkoopseizoen 1995/1996 betreft, op 15 januari 1995 aanvangt; dat de bepalingen van deze verordening derhalve vóór die datum van toepassing dienen te zijn;
Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Gezamenlijk Comité van beheer voor granen, oliën en vetten en voor gedroogde voedergewassen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Bij de vaststelling van het in artikel 11, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde maximum wordt rekening gehouden met het nationale referentieareaal, met het totale areaal akkerland dat in aanmerking komt en met het feit dat moet worden voorkomen dat een areaal wordt ingezaaid dat tot een buitensporige verlaging van de teeltspecifieke compensatiebedragen voor oliehoudende zaden zou leiden.
2. Het maximum en de criteria aan de hand waarvan het maximum is bepaald, worden spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 juli van het verkoopseizoen vóór dat waarvoor het compensatiebedrag wordt aangevraagd, aan de Commissie meegedeeld.
3. Om te bepalen of een producent voor het in artikel 11, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde voorschot, in aanmerking komt, gaat de bevoegde autoriteit na of de steunaanvraag van de producent binnen het vatgestelde maximum ligt. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2294/92 van de Commissie (2), wordt de oppervlakte boven het maximum, waarvoor de producent het teeltspecifieke compensatiebedrag voor oliehoudende zaden heeft aangevraagd, niet voor de aanvraag in aanmerking genomen.
4. Indien in verband met de uitsluiting van een oppervlakte, op grond van lid 3, de door de producent uit produktie genomen oppervlakte het in artikel 7, lid 6, eerste alinea, van Verordening (EEG) 1765/92 bedoelde maximum voor de betrokken Lid-Staat overschrijdt, wordt de uit produktie genomen oppervlakte waarvoor de producent de compensatie heeft aangevraagd, dienovereenkomstig verminderd.
5. Oppervlakten waarmee, op grond van het bepaalde in de leden 3 en 4, een steunaanvraag van een producent voor een bepaald areaal wordt verminderd, worden voor de toepassing van artikel 2, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 1765/92 niet in aanmerking genomen.
Artikel 2
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1, lid 1, wordt, wanneer de bevoegde autoriteit het maximum heeft berekend op een andere manier dan als percentage van het totale in aanmerking komende areaal van een regio en zulks vóór 1 januari 1995 aan de producenten heeft meegedeeld, de Lid-Staat voor het verkoopseizoen 1995/1996 gemachtigd om in de betrokken regio het aldus berekende maximum toe te passen.
2. Voor het verkoopseizoen 1995/1996 wordt de Lid-Staat, wanneer de bevoegde autoriteit de producenten van de toepassing van het maximum in kennis heeft gesteld op of na 1 augustus 1994, maar vóór het tijdstip voor de inzaai van winterkoolzaad en -raapzaad, gemachtigd dat maximum in het betrokken gebied toe te passen, op voorwaarde dat de door die Lid-Staat getroffen maatregelen volstonden om te voorkomen dat bij een producent het gewettigde vermoeden kon ontstaan dat hij de teeltspecifieke compensatie voor oliehoudende zaden voor een grotere oppervlakte dan het beperkte areaal zou ontvangen.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1, lid 2, worden voor het verkoopseizoen 1995/1996 de vereiste gegevens uiterlijk op 28 februari 1995 aan de Commissie meegedeeld.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1995.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.
Gedaan te Brussel, 17 februari 1995.
Voor de Commissie
Franz FISCHLER
Lid van de Commissie
(1) PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 12.
(2) PB nr. L 221 van 6. 8. 1992, blz. 22.