Home

96/710/EG: Beschikking van de Commissie van 27 november 1996 ter uitvoering, op verzoek van Duitsland, van artikel 5, lid 4, van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

96/710/EG: Beschikking van de Commissie van 27 november 1996 ter uitvoering, op verzoek van Duitsland, van artikel 5, lid 4, van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 27 november 1996 ter uitvoering, op verzoek van Duitsland, van artikel 5, lid 4, van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (96/710/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (1), gewijzigd bij Richtlijn 96/39/EG van de Commissie (2), inzonderheid op artikel 5, lid 4,

Overwegende dat de reders van de in de richtlijn bedoelde schepen, om het risico van ernstige ongevallen op zee en de hieruit voortvloeiende schade te beperken, op grond van artikel 5 van Richtlijn 93/75/EEG de bevoegde instanties van de Lid-Staat in kwestie mededeling moeten doen van de in bijlage I van deze richtlijn bedoelde gegevens; dat de Lid-Staten uit hoofde van artikel 5, lid 4, kunnen afzien van de toepassing van een dergelijke aanmeldingsplicht op geregelde lijndiensten waarvan het traject minder dan een uur duurt en dat de Commissie op verzoek van een Lid-Staat met een redelijke verlenging van deze duur kan instemmen;

Overwegende dat de door Duitsland in zijn verzoek van 12 april 1994 verstrekte informatie, op grond waarvan bij Beschikking van de Commissie (3) voor geregelde diensten tussen het vasteland en de Oostfriese eilanden toestemming werd verleend om af te zien van de toepassing van artikel 5, lid 4, van Richtlijn 93/75/EEG, is aangevuld door middel van een mededeling d.d. 23 februari 1996 betreffende geregelde diensten tussen het vasteland en de Oostfriese eilanden; dat in deze mededeling Duitsland de Commissie heeft verzocht om een ontheffing voor de diensten tussen de havens van Dagebüll en Wittdün (eiland Amrum), respectievelijk Schlüttsiel en Hallig Langeness (duur van de overtocht: twee uur);

Overwegende dat de bevoegde Duitse autoriteiten geschikte maatregelen hebben getroffen om een in hoge mate veilige scheepvaart en een hoge mate van bescherming van het mariene milieu te waarborgen; dat deze maatregelen scheepvaartverkeerscontrole en het verstrekken van met de veiligheid verband houdende informatie aan schepen omvatten, alsook de verplichting de plaatselijk toepasselijke navigatievoorschriften in acht te nemen;

Overwegende dat met de betrokken schepen lokale verbindingen worden onderhouden tussen de eilanden en het vasteland; dat het risico van ongevallen en verontreiniging van de zee beperkt is wegens de lage dichtheid van het scheepvaartverkeer in het gebied en het feit dat er slechts kleine hoeveelheden verontreinigende goederen aan boord worden vervoerd;

Overwegende dat de in bijlage I van de richtlijn bedoelde gegevens te allen tijde bij de reders en de kapiteins beschikbaar zijn;

Overwegende dat het dan ook gewettigd is het door Duitsland geformuleerde verzoek in te willigen om af te zien van de toepassing van artikel 5, leden 2 en 3, van Richtlijn 93/75/EEG op bovengenoemde geregelde lijndiensten,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Duitsland mag afzien van de toepassing van artikel 5, leden 2 en 3, van Richtlijn 93/75/EEG op de geregelde lijndienst tussen Dagebüll en Wittdün en tussen Schlüttsiel en Hallig Langeness, mits hierbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- dat de wateren waarin de in deze beschikking bedoelde lijndiensten worden verzorgd behoorlijk bebakend zijn en dat zeevarenden in deze wateren over geschikte navigatiedocumenten kunnen beschikken;

- dat wordt toegezien op de inachtneming van de plaatselijk toepasselijke navigatievoorschriften;

- dat voortdurend een verbinding met de bevoegde scheepvaartverkeerscontrole in stand wordt gehouden, met name per radio;

- dat er aan boord van de schepen in kwestie alleen kleine hoeveelheden gevaarlijke of verontreinigende goederen, in de zin van Richtlijn 93/75/EEG, worden vervoerd;

- dat de in bijlage I van Richtlijn 93/75/EEG bedoelde gegevens gedurende de overtocht door de reders ter beschikking worden gehouden en te allen tijde op verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staat kunnen worden voorgelegd.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 27 november 1996.

Voor de Commissie

Neil KINNOCK

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 247 van 5. 10. 1993, blz. 19.

(2) PB nr. L 196 van 7. 8. 1996, blz. 7.

(3) PB nr. L 29 van 7. 2. 1996, blz. 8.