96/736/EG: Beschikking van de Raad van 13 december 1996 overeenkomstig artikel 109 J, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, betreffende het ingaan van de derde fase van de Economische Monetaire Unie
96/736/EG: Beschikking van de Raad van 13 december 1996 overeenkomstig artikel 109 J, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, betreffende het ingaan van de derde fase van de Economische Monetaire Unie
BESCHIKKING VAN DE RAAD van 13 december 1996 overeenkomstig artikel 109 J, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, betreffende het ingaan van de derde fase van de Economische Monetaire Unie (96/736/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
In de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 109 J, lid 3,
Gezien het verslag van de Commissie,
Gezien het verslag van het Europees Monetair Instituut,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien de aanbevelingen van de Raad van 11 november 1996, krachtens artikel 109 J, lid 2, van het Verdrag,
Overwegende dat de procedure en het tijdschema voor het nemen van besluiten over het ingaan van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU) in artikel 109 J van het Verdrag bepaald zijn; dat in artikel 109 J, lid 1, van het Verdrag bepaald is dat de verslagen die door de Commissie en het Europees Monetair Instituut worden opgesteld, tevens een onderzoek bevatten naar de verenigbaarheid van de nationale wetgeving van elke Lid-Staat, met inbegrip van de statuten van zijn nationale centrale bank, met artikel 107 en artikel 108 van het Verdrag en de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en dat in de verslagen ook wordt nagegaan of er een hoge mate van duurzame convergentie is bereikt, aan de hand van de mate waarin elke Lid-Staat voldoet aan vier criteria die betrekking hebben op prijsstabiliteit, de situatie van de overheidsfinanciën, wisselkoersen en de rente voor de lange termijn; dat in Protocol nr. 6 de in artikel 109 J van het Verdrag bedoelde convergentiecriteria nader worden uitgewerkt;
Overwegende dat overeenkomstig artikel 109 J, lid 2, van het Verdrag de Raad op 11 november 1996 aan de hand van deze verslagen voor elke Lid-Staat heeft beoordeeld of deze aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet en ook heeft beoordeeld of een meerderheid van de Lid-Staten aan die voorwaarden voldoet;
Overwegende dat overeenkomstig Protocol nr. 11, paragraaf 1, bij het Verdrag, het Verenigd Koninkrijk de Raad ervan in kennis heeft gesteld niet voornemens te zijn in 1997 naar de derde fase over te gaan;
Overwegende dat overeenkomstig Protocol nr. 12, paragraaf 1, bij het Verdrag, de Deense Regering de Raad ervan in kennis heeft gesteld niet aan de derde fase deel te zullen nemen;
Overwegende dat de Raad in zijn aanbevelingen van 11 november 1996 krachtens artikel 109 J, lid 2, van het Verdrag heeft geconcludeerd dat er momenteel geen meerderheid van Lid-Staten is die aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt voldoet en dat hij de Raad in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders, daarom heeft aanbevolen te besluiten dat er geen zodanige meerderheid van Lid-Staten is, dat de Gemeenschap derhalve in 1997 niet de derde fase van de EMU zal ingaan en dat de procedure van artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag zo vroeg mogelijk in 1998 zal worden toegepast;
Overwegende dat de nationale wetgeving van de Lid-Staten, met inbegrip van de statuten van de nationale centrale banken, wordt aangepast om te zorgen voor volledige verenigbaarheid met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag en met de statuten van het ESCB; dat deze aanpassingen ervoor moeten zorgen dat uiterlijk op de dag waarop het ESCB wordt opgericht, volledige verenigbaarheid met het Verdrag bestaat;
Overwegende dat de Lid-Staten inzake de convergentie, met name de convergentie van de inflatiepercentages en rentevoeten, de wisselkoersstabiliteit en de overige onderdelen van de voorbereidingen voor de EMU, vooruitgang hebben geboekt, hoewel meer moet worden gedaan, met name wat betreft de situatie van de overheidsfinanciën; dat overeenkomstig artikel 109 J, lid 1, tweede streepje, van het Verdrag het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinanciën blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel 104 C, lid 6, van het Verdrag; dat volgens de besluiten van de Raad van 26 september 1994, 10 juli 1995 en 27 juni 1996 krachtens artikel 104 C, lid 6, van het Verdrag in twaalf Lid-Staten een buitensporig overheidstekort bestaat; dat er geen meerderheid van Lid-Staten is die een voldoende hoge mate van duurzame convergentie bereikt heeft;
Overwegende dat in artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag is bepaald dat, indien eind 1997 de datum voor het ingaan van de derde fase niet is vastgesteld, de derde fase op 1 januari 1999 begint; dat de Europese Raad van Madrid in december 1995 bevestigd heeft dat de derde fase van de EMU aanvangt op 1 januari 1999, overeenkomstig de convergentiecriteria, het tijdschema en de procedures die in het Verdrag zijn vastgelegd; dat eveneens in december 1995 de Europese Raad bevestigd heeft dat zo vroeg mogelijk in 1998 wordt besloten welke Lid-Staten voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden voor de overgang naar de gemeenschappelijke munt; dat de Europese Raad van Florence in juni 1996 opnieuw heeft bevestigd dat de derde fase van de EMU op 1 januari 1999 zal aanvangen, zoals overeengekomen tijdens de Europese Raad van Madrid,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Uit de beoordeling voor elke Lid-Staat of deze voldoet aan de nodige voorwaarden voor de aanneming van één munt, blijkt dat er geen meerderheid van Lid-Staten is die aan de voorwaarden daarvoor voldoet.
Artikel 2
De Gemeenschap zal in 1997 de derde fase van de EMU niet ingaan.
De procedure van artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag zal zo vroeg mogelijk in 1998 worden toegepast.
Artikel 3
Deze beschikking zal in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.
Gedaan te Dublin, 13 december 1996.
Voor de Raad,in de samenstelling van de Staatshoofden en Regeringsleiders
De Voorzitter
J. BRUTON
(1) Advies van 28 november 1996 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).