Home

Verordening (EG) nr. 1822/98 van de Raad van 14 augustus 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder meer, Indonesië

Verordening (EG) nr. 1822/98 van de Raad van 14 augustus 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder meer, Indonesië

VERORDENING (EG) Nr. 1822/98 VAN DE RAAD van 14 augustus 1998 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/96 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester van oorsprong uit, onder meer, Indonesië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), inzonderheid op artikel 11, lid 4,

Gezien het voorstel dat de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft voorgelegd,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORAFGAANDE PROCEDURE

(1) Bij Verordening (EG) nr. 2160/96 (2) heeft de Raad onder meer een definitief antidumpingrecht van 20,2 % ingesteld op de invoer van getextureerd filamentgaren van polyester (hierna "betrokken product" of "PTY" (polyester textured filament yarn) genoemd) uit Indonesië. Hiervan uitgezonderd is PTY afkomstig van vier met name genoemde Indonesische exporteurs, waarop een lager recht of geen recht van toepassing is. Het betrokken product wordt momenteel onder GN-code 5402 33 00 ingedeeld.

B. ONDERHAVIGE PROCEDURE

(2) De Commissie heeft daarna het verzoek ontvangen de geldende maatregelen te herzien. De Indonesische producent PT Polyfin Canggih (hierna "onderneming" genoemd) heeft op grond van artikel 11, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "basisverordening" genoemd) om een nieuw onderzoek in verband met Verordening (EG) nr. 2160/96 verzocht ten behoeve van een nieuwe exporteur.

Deze onderneming stelde dat zij niet gelieerd was met een van de productie- of exportbedrijven in Indonesië waarop, ten aanzien van het betrokken product, antidumpingmaatregelen van toepassing waren. Voorts stelde deze onderneming dat zij het betrokken product in de oorspronkelijke onderzoekperiode (1 juli 1993 tot en met 30 juni 1994) niet naar de Gemeenschap had uitgevoerd, maar daarna wel.

(3) De Commissie was van oordeel dat het bewijsmateriaal dat de betrokken Indonesische exporteur had toegezonden, toereikend was om, overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening, een nieuw onderzoek in te stellen. Na raadpleging van het Raadgevend Comité en na de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen te maken, heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 2544/97 (3) ten behoeve van de onderneming een nieuw onderzoek geopend in verband met Verordening (EG) nr. 2160/96.

Bij de verordening waarbij het nieuwe onderzoek werd geopend heeft de Commissie tevens het antidumpingrecht ingetrokken dat bij Verordening (EG) nr. 2160/96 was ingesteld op de invoer van het door de onderneming vervaardigde en naar de Gemeenschap uitgevoerde product en heeft zij de douaneautoriteiten de opdracht gegeven deze invoer, overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening, te registreren.

(4) Dit nieuwe onderzoek heeft betrekking op hetzelfde product als het product waarop Verordening (EG) nr. 2160/96 betrekking heeft.

(5) De Commissie heeft de onderneming en de vertegenwoordigers van het exportland officieel van de opening van het nieuwe onderzoek in kennis gesteld. Voorts heeft het andere, rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en om een onderhoud te verzoeken. Geen van deze partijen heeft echter om een onderhoud verzocht.

De Commissie heeft de onderneming een vragenlijst toegezonden en heeft binnen de gestelde termijn een uitgebreid antwoord ontvangen. De Commissie heeft alle gegevens die zij in het kader van het onderzoek noodzakelijk achtte ingewonnen en geverifieerd en heeft deze onderneming een bezoek gebracht om de verstrekte gegevens te controleren.

(6) Het onderzoek naar dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 1996 tot en met 30 september 1997 (hierna "onderzoekperiode" genoemd).

(7) Bij dit nieuwe onderzoek werd dezelfde werkwijze gevolgd als bij het oorspronkelijke onderzoek.

C. REIKWIJDTE VAN HET NIEUWE ONDERZOEK

(8) Daar geen nieuw onderzoek was aangevraagd in verband met de bevindingen inzake schade werd het nieuwe onderzoek tot dumping beperkt.

D. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

1. Nieuwe exporteur

(9) Bij het onderzoek bleek dat de onderneming het betrokken product tijdens de oorspronkelijke onderzoekperiode niet had uitgevoerd. Deze onderneming was eerst in de tweede helft van 1994 met de productie van PTY en de uitvoer ervan naar de Gemeenschap begonnen.

Voorts bleek uit de voorgelegde stukken dat de onderneming geen rechtstreekse of onrechtstreekse banden had met een van de Indonesische exporteurs waarop de geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product van toepassing waren.

Bevestigd wordt dat de onderneming als een nieuwe exporteur in de zin van artikel 11, lid 4, van de basisverordening dient te worden beschouwd en dat voor deze onderneming dus een individuele dumpingmarge dient te worden vastgesteld.

2. Dumping

A. Normale waarde

(10) Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd onderzocht of de onderneming een hoeveelheid PTY op de binnenlandse markt heeft verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheid van het soortgelijke product. Een aantal opgegeven transacties bleek geen betrekking te hebben op het soortgelijke product en werd derhalve bij de berekeningen buiten beschouwing gelaten. Niettemin werd vastgesteld dat op de binnenlandse markt veel meer dan bovengenoemde 5 % van het soortgelijke product was verkocht.

Voor elke soort naar de Gemeenschap uitgevoerde PTY werd vervolgens onderzocht of een representatieve hoeveelheid identieke of rechtstreeks vergelijkbare soorten op de binnenlandse markt was verkocht.

Voor elke soort PTY bleek de in de onderzoekperiode in Indonesië verkochte hoeveelheid 5 % of meer te bedragen van de hoeveelheid van die soort die naar de Gemeenschap was uitgevoerd. De binnenlandse verkoop van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort werd derhalve geacht toereikend te zijn geweest in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening.

Om te onderzoeken of het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties was verkocht, werden de verstrekte gegevens over de productiekosten nagetrokken.

Een aantal materiële fouten in de door de onderneming opgegeven kosten werden gecorrigeerd. Ook werden correcties toegepast voor wisselkoerswinsten en -verliezen, rentekosten en renteopbrengsten.

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke soort naar de Gemeenschap uitgevoerde PTY beschouwd kon worden in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Voor elke soort PTY werd vastgesteld dat de beneden de kostprijs verkochte hoeveelheid minder dan 20 % bedroeg van de totale verkochte hoeveelheid die voor de vaststelling van de normale waarde was gebruikt.

De gehele binnenlandse verkoop werd derhalve beschouwd in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening werd de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde prijzen van de gehele binnenlandse verkoop van de soorten PTY die ook naar de Gemeenschap waren uitgevoerd.

B. Exportprijs

(11) De exportprijzen werden vastgesteld aan de hand van de voor het betrokken product werkelijk betaalde of te betalen prijzen, bij uitvoer van dit product aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening.

C. Vergelijking

(12) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per producttype, af fabriek, vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs in hetzelfde handelsstadium.

Om een billijke vergelijking mogelijk te maken werden correcties toegepast voor verschillen waarvan was aangetoond dat zij van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening werden correcties toegepast voor de kosten van commissies, vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kredietkosten en kortingen.

D. Dumpingmarge

(13) Bij deze vergelijking bleek dat de invoer van het door de onderneming vervaardigde PTY in de onderzoekperiode niet met dumping gepaard was gegaan.

E. WIJZIGING VAN DE BESTAANDE MAATREGELEN

(14) Daar bij het onderzoek werd vastgesteld dat de betrokken onderneming zich niet aan dumping schuldig had gemaakt, was de Commissie van oordeel dat het antidumpingrecht niet van toepassing moest zijn op het door de onderneming vervaardigde PTY. Verordening (EG) nr. 2160/96 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

F. MEDEDELING EN GELDIGHEIDSDUUR VAN DE MAATREGEL

(15) De onderneming werd in kennis gesteld van de feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de aanbeveling te doen Verordening (EG) nr. 2160/96 te wijzigen en werd in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

(16) Het nieuwe onderzoek heeft geen invloed op de datum waarop Verordening (EG) nr. 2160/96, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, zal vervallen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2160/96 wordt gewijzigd door het volgende toe te voegen aan het einde van het gedeelte dat op Indonesië betrekking heeft:

"noch op PT Polyfin Cangghi (aanvullende Taric-code 8885)".

Artikel 2

De douaneautoriteiten worden geïnstrueerd de registratie op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2544/97 te beëindigen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 augustus 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. SCHÜSSEL

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98 (PB L 128 van 30. 4. 1998, blz. 18).

(2) PB L 289 van 12. 11. 1996, blz. 14.

(3) PB L 347 van 18. 12. 1997, blz. 31.