Home

1999/391/EG: Beschikking van de Commissie van 31 mei 1999 betreffende de vragenlijst met betrekking tot Richtlijn 96/61/EG van de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1395) (Voor de EER relevante tekst)

1999/391/EG: Beschikking van de Commissie van 31 mei 1999 betreffende de vragenlijst met betrekking tot Richtlijn 96/61/EG van de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1395) (Voor de EER relevante tekst)

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 1999

betreffende de vragenlijst met betrekking tot Richtlijn 96/61/EG van de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC)

(kennisgeving geschied onder nummer C(1999) 1395)

(Voor de EER relevante tekst)

(1999/391/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(1), inzonderheid op artikel 16, lid 3,

Gelet op Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde Richtlijnen op milieugebied(2),

(1) Overwegende dat artikel 16, lid 3, van Richtlijn 96/61/EG bepaalt dat de verslagen over de uitvoering van de richtlijn en de doeltreffendheid ervan in vergelijking met andere Gemeenschapsinstrumenten voor milieubescherming moeten worden opgesteld volgens de procedure in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/692/EEG;

(2) Overwegende dat artikel 5 van Richtlijn 91/692/EEG bepaalt dat het verslag moet worden opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie met de hulp van het in artikel 6 van de richtlijn ingestelde comité;

(3) Overwegende dat het eerste verslag betrekking dient te hebben op de periode 2000 tot en met 2002;

(4) Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG door het comité uitgebrachte advies,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De aan deze beschikking gehechte vragenlijst, die betrekking heeft op Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

De lidstaten dienen deze vragenlijst te gebruiken als basis voor het opstellen van het verslag dat bij de Commissie moet worden ingediend ingevolge artikel 5 van Richtlijn 91/692/EEG en artikel 16, lid 3, van Richtlijn 96/61/EG.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 31 mei 1999.

Voor de Commissie

Ritt BJERREGAARD

Lid van de Commissie

(1) PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26.

(2) PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48.

BIJLAGE

VRAGENLIJST BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN RICHTLIJN 96/61/EG INZAKE GEÏNTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING (IPPC)

1. Algemeen

1.1. Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in de nationale wetgeving en het vergunningssysteem die noodzakelijk waren om te voldoen aan de algemene doelstelling van verwezenlijking van geïntegreerde preventie en bestrijding van de verontreiniging die veroorzaakt wordt door de in bijlage I van de richtlijn opgesomde activiteiten?

2. Betrokken installaties

2.1. Hoeveel installaties vallen, voor elk van de zes rubrieken van bijlage I, binnen de onderstaande categorieën?

- alle bestaande installaties in de zin van artikel 2, lid 4, die in bedrijf waren aan het einde van de verslagperiode;

- bestaande installaties waarvoor aan de bevoegde autoriteit een belangrijke wijziging werd meegedeeld en waarvoor een vergunning werd verleend tijdens de verslagperiode;

- nieuwe installaties (inclusief nog niet in bedrijf zijnde installaties) waarvoor tijdens de verslagperiode een vergunning werd verleend.

3. Fundamentele verplichtingen van de exploitant

3.1. Welke maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten verzekeren dat de installaties worden geëxploiteerd in overeenstemming met de algemene beginselen in artikel 3?

4. Bestaande installaties

4.1. Is men voornemens om de eisen als bedoeld in artikel 5, lid 1, vóór het einde van de daarin vermelde overgangsperiode op bepaalde categorieën van bestaande installaties toe te passen?

4.2. Vóór welke datum moeten nieuwe aanvragen worden ingediend of moet aanvullende informatie over bestaande installaties worden verstrekt om ervoor te zorgen dat aan de eisen als bedoeld in artikel 5, lid 1, vóór het einde van de daarin vermelde overgangsperiode wordt voldaan?

5. Vergunningsaanvragen

5.1. Hoe verzekert de nationale wetgeving dat vergunningsaanvragen alle informatie bevatten die vereist is bij artikel 6?

6. Coördinatie van de vergunningsprocedure en -voorwaarden

6.1. Welke bevoegde autoriteit of autoriteiten zijn betrokken bij de vergunningsprocedure voor IPPC-installaties?

6.2. Hoe verzekert de nationale wetgeving dat de vergunningsprocedure en -voorwaarden ten volle worden gecoördineerd wanneer er meer dan één bevoegde autoriteit in het spel is? Hoe werkt deze coördinatie in de praktijk?

7. Vergunningsvoorwaarden

7.1. Volledigheid van de vergunningsvoorwaarden

7.1.1. Op welke wijze verzekert de nationale wetgeving dat de vergunning alle eisen omvat die in artikel 9 worden genoemd? Gelieve met name nader toe te lichten op welke wijze de volgende punten zijn geregeld:

- grenswaarden voor emissies in de lucht en het water;

- minimalisatie van langeafstands- of grensoverschrijdende verontreiniging;

- bescherming van de bodem en het grondwater;

- afvalbeheer;

- lozingscontrole-eisen;

- maatregelen voor abnormale bedrijfsomstandigheden.

7.2. Toepasselijkheid en adequaatheid van de vergunningsvoorwaarden

7.2.1. Aan de hand van welke wettelijke voorschriften, procedures en criteria worden emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden op zodanige wijze vastgesteld dat zij tot een hoog beschermingsniveau voor het milieu als geheel leiden?

7.2.2. Welk soort (al dan niet bindende) richtsnoeren bestaan er in de lidstaten voor het bepalen van de beste beschikbare technieken?

7.2.3. Op welke wijze wordt met de in bijlage IV van de richtlijn vermelde overwegingen algemeen of in specifieke gevallen rekening gehouden bij het bepalen van de beste beschikbare technieken?

7.2.4. Op welke wijze wordt meer bepaald met de door de Commissie ingevolge artikel 16, lid 2, of door internationale organisaties bekendgemaakte informatie algemeen of in specifieke gevallen rekening gehouden bij het bepalen van de beste beschikbare technieken?

7.2.5. Welke maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat de emissiegrenswaarden en de gelijkwaardige parameters en technische maatregelen waarvan sprake in artikel 9, lid 3, gebaseerd worden op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven, maar rekening houdend met de technische kenmerken van de installatie, de geografische ligging en de plaatselijke milieuomstandigheden?

7.2.6. Welk soort (al dan niet bindende) richtsnoeren bestaan er in de lidstaten betreffende de in de vergunning op te nemen lozingscontrole-eisen?

7.3. Beschikbare representatieve gegevens

7.3.1. Gelieve beschikbare representatieve gegevens over de grenswaarden te verstrekken per specifieke activiteitencategorie van bijlage I en, indien van toepassing, aan te geven op welke beste beschikbare technieken deze waarden zijn gebaseerd. Hoe zijn deze gegevens gekozen en verzameld.

De Commissie kan, wat bepaalde sectoren betreft, met name op basis van de ingevolge artikel 16, lid 2, bekendgemaakte informatie, voor of gedurende de verslagperiode richtsnoeren geven voor het beantwoorden van deze vraag. Bij gebrek aan dergelijke richtsnoeren kunnen de gegevens bijvoorbeeld als marges van grenswaarden worden uitgedrukt.

7.3.2. Welke andere typen vergunningsvoorwaarden dan emissiegrenswaarden zijn er vastgesteld? Geef met name enkele voorbeelden van

- equivalente parameters en technische maatregelen die in de vergunning vastgestelde emissiegrenswaarden aanvullen;

- equivalente parameters en technische maatregelen die emissiegrenswaarden vervangen;

- voorwaarden betreffende de bescherming van de bodem en het grondwater, afvalbeheer, lozingscontrole-eisen en maatregelen voor abnormale bedrijfsomstandigheden.

8. Dwingende algemene voorschriften

8.1. Voorziet de nationale wetgeving in de mogelijkheid om bepaalde eisen voor bepaalde categorieën van installaties bij dwingende algemene voorschriften vast te stellen in plaats van deze als individuele vergunningsvoorwaarden op te nemen?

8.2. Voor welke categorieën van installaties zijn dwingende algemene voorschriften vastgesteld? Welke vorm nemen deze voorschriften aan?

9. Milieukwaliteitsnormen

9.1. Op welke wijze regelt de nationale wetgeving de situatie dat aanvullende maatregelen vereist zijn wanneer de beste beschikbare technieken ontoereikend zijn om te voldoen aan een milieukwaliteitsnorm die is neergelegd in of gedefinieerd ingevolge de communautaire wetgeving?

9.2. Hebben er zich dergelijke gevallen voorgedaan? Zo ja, welk soort aanvullende maatregelen zijn er dan genomen?

10. Ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken

10.1. Welke stappen zijn er gezet om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken volgen of daarvan op de hoogte worden gesteld?

11. Wijzigingen aan installaties

11.1. Welke wettelijke voorschriften, procedures en praktijk zijn van toepassing wanneer exploitanten wijzigingen aan de installaties hebben aangebracht?

11.2. Op welke wijze maken de bevoegde autoriteiten uit of een wijziging van de exploitatie gevolgen kan hebben voor het milieu (artikel 2, lid 10, onder a)), en/dan wel of een dergelijke wijziging significante negatieve effecten kan hebben op mens of milieu (artikel 2, lid 10, onder b))?

12. Toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden

12.1. Welke wettelijke voorschriften, procedures en praktijk zijn van toepassing betreffende toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden door de bevoegde autoriteit?

12.2. Wordt de frequentie waarmee vergunningen moeten worden getoetst en, zo nodig, bijgesteld in de nationale wetgeving geregeld, of wordt dit op andere manieren bepaald?

12.3. Op welke wijze bepalen de bevoegde autoriteiten of aan de criteria in artikel 13, lid 2, wordt voldaan?

13. Inachtneming van de vergunningsvoorwaarden

13.1. Beschrijf in algemene termen de wettelijke voorschriften, procedures en praktijk die inachtneming van de vergunningseisen verzekeren.

13.2. Welke wettelijke voorschriften, procedures en praktijk verzekeren dat de exploitanten de autoriteiten regelmatig de resultaten van de lozingscontroles meedelen en zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen van voorvallen of ongevallen die het milieu significant beïnvloeden?

13.3. Hebben de bevoegde autoriteiten krachtens de nationale wetgeving het recht en/of de plicht om inspecties ter plaatse uit te voeren?

13.4. Wat zijn de procedures en praktijk betreffende regelmatige inspecties ter plaatse door de bevoegde autoriteiten? Als er geen regelmatige inspecties ter plaatse worden uitgevoerd, hoe verifiëren de bevoegde autoriteiten dan de door de exploitant verstrekte informatie?

13.5. Welke sancties of andere maatregelen kunnen worden opgelegd bij niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden? Werden er tijdens de verslagperiode dergelijke sancties of andere maatregelen opgelegd?

14. Toegang tot de informatie en inspraak van het publiek

14.1. Op welke wijze voorziet de nationale wetgeving in toegang tot de informatie en inspraak van het publiek in de vergunningsprocedure?

14.2. Op welke wijze wordt de informatie over aanvragen, beslissingen, en de resultaten van lozingscontroles beschikbaar gesteld voor het publiek?

14.3. Welke maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat het publiek op de hoogte is van zijn recht om opmerkingen te maken over documenten waarvan sprake in artikel 15, lid 1?

14.4. Over hoeveel tijd beschikt het publiek om opmerkingen over vergunningsaanvragen te maken alvorens de bevoegde autoriteit een besluit neemt?

14.5. Op welke wijze houden de autoriteiten in hun besluitvorming rekening met de opmerkingen van het publiek?

14.6. In welke omstandigheden kunnen leden van het publiek bij een andere autoriteit of rechtbank in beroep gaan tegen een vergunning?

14.7. Welke invloed hebben de beperkingen in artikel 3, leden 2 en 3, van Richtlijn 90/313/EEG gehad op de toegang tot de informatie en de inspraak van het publiek in de vergunningsprocedure?

15. Grensoverschrijdende samenwerking

15.1. Voorziet de nationale wetgeving in grensoverschrijdende informatieverstrekking en samenwerking of wordt het onderwerp in bilaterale dan wel multilaterale betrekkingen tussen lidstaten of de administratieve praktijk afgedaan?

15.2. Hoe wordt in de praktijk uitgemaakt of de exploitatie van een installatie significante negatieve effecten kan hebben op het milieu van een andere lidstaat?

15.3. Hoe verzekert de nationale wetgeving en/of praktijk adequate toegang tot de informatie en inspraak in de vergunningsprocedure van het publiek in de bedreigde lidstaat? Bestaat er naast de mogelijkheid van inspraak een recht om in beroep te gaan?

15.4. Hoeveel dergelijke gevallen hebben er zich tijdens de verslagperiode voorgedaan?

16. Verhouding met andere communautaire instrumenten

16.1. Hoe zien de lidstaten de effectiviteit van de richtlijn, onder meer in vergelijking met andere communautaire milieu-instrumenten?

16.2. Welke maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn samenhangt met de tenuitvoerlegging van andere communautaire milieu-instrumenten?