Home

Verordening (EG) nr. 131/1999 van de Commissie van 21 januari 1999 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2249/98 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht en een voorlopig compenserend recht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen ten aanzien van bepaalde exporteurs en tot wijziging van Besluit 97/634/EG tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en antisubsidieprocedures betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen

Verordening (EG) nr. 131/1999 van de Commissie van 21 januari 1999 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2249/98 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht en een voorlopig compenserend recht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen ten aanzien van bepaalde exporteurs en tot wijziging van Besluit 97/634/EG tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en antisubsidieprocedures betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen

VERORDENING (EG) Nr. 131/1999 VAN DE COMMISSIE van 21 januari 1999 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2249/98 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht en een voorlopig compenserend recht op de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen ten aanzien van bepaalde exporteurs en tot wijziging van Besluit 97/634/EG tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en antisubsidieprocedures betreffende de invoer van gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 905/98 (2), inzonderheid op artikel 8,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (3), inzonderheid op artikel 13,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1) In het kader van de onderzoeken inzake antidumping en antisubsidie die werden ingeleid middels twee afzonderlijke berichten in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (4), heeft de Commissie bij Besluit 97/634/EG (5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 82/1999 (6), verbintenissen aanvaard die waren aangeboden door 190 Noorse exporteurs en door het Koninkrijk Noorwegen.

(2) In de verbintenis is bepaald dat het niet nakomen van de verplichting om driemaandelijks verslag uit te brengen over verkooptransacties aan de eerste niet verbonden afnemer in de Gemeenschap, binnen de hiervoor vastgestelde termijn, behalve in geval van overmacht, zal worden beschouwd als een schending van de verbintenis.

(3) Acht Noorse ondernemingen hebben niet binnen de gestelde termijn verslag uitgebracht over het eerste kwartaal van 1998 of hebben in het geheel geen verslag uitgebracht. Deze exporteurs konden evenmin aantonen dat zij door overmacht niet in staat waren geweest verslag uit te brengen of tijdig verslag uit te brengen.

(4) In de tekst van de verbintenis is ook bepaald dat het niet nakomen van de verplichting om het betrokken product op de communautaire markt te verkopen tegen de in de verbintenis vastgestelde minimumprijs of hierboven zal worden beschouwd als een schending van de verbintenis.

(5) Eén Noorse exporteur bleek het betrokken product in het vierde kwartaal van 1997 op de communautaire markt te hebben verkocht tegen een prijs die onder de in de verbintenis vastgestelde prijs lag. Eén van de Noorse exporteurs die zijn verslag voor het eerste kwartaal van 1998 niet binnen de hiervoor vastgestelde termijn had ingediend bleek het betrokken product tevens op de communautaire markt te hebben verkocht tegen een prijs die lager was dan de in de verbintenis vastgestelde prijs.

(6) De Commissie had derhalve redenen om aan te nemen dat deze negen ondernemingen de verbintenis hadden geschonden.

(7) Bij Verordening (EG) nr. 2249/98 van de Commissie (7), hierna de "verordening voorlopig recht" genoemd, stelde de Commissie derhalve voorlopige antidumpingrechten en voorlopige compenserende rechten in op de invoer van gekweekte Atlantische zalm vallende onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0304 10 13, ex 0303 22 00 en ex 0304 20 13 van oorsprong uit Noorwegen die door de negen in de bijlage bij de verordening vermelde ondernemingen werd uitgevoerd. Bij dezelfde verordening schrapte de Commissie de betrokken ondernemingen van de in de bijlage bij Besluit 97/634/EG opgenomen lijst van ondernemingen waarvan de verbintenissen waren aanvaard.

B. VERVOLG VAN DE PROCEDURE

(8) Alle negen Noorse ondernemingen die onderworpen waren aan de voorlopige rechten werden schriftelijk op de hoogte gebracht van de voornaamste feiten en overwegingen op basis waarvan deze voorlopige rechten waren ingesteld. Zij werden tevens in de gelegenheid gesteld commentaar in te dienen en te verzoeken om te worden gehoord.

(9) Slechts één van de betrokken Noorse ondernemingen diende binnen de in de verordening voorlopig recht vastgestelde termijn schriftelijk opmerkingen in. Na ontvangst van deze schriftelijke opmerkingen verzamelde de Commissie alle informatie die zij nodig achtte voor het vaststellen van definitieve conclusies inzake de klaarblijkelijke schending en onderzocht deze. Ook een onderneming die niet was onderworpen aan een verbintenis diende opmerkingen in met betrekking tot NorMan Trading Ltd AS.

(10) Van de negen ondernemingen die onderworpen zijn aan de voorlopige maatregelen diende slechts één onderneming, Norwell AS, een verzoek in om te worden gehoord.

(11) De belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de voornaamste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was de intrekking van hun verbintenis te bevestigen en aan te bevelen definitieve antidumping- en compenserende rechten in te stellen en de bedragen die uit hoofde van de voorlopige rechten zijn zeker gesteld, definitief te innen. Tevens werd een termijn vastgesteld waarbinnen zij hierover opmerkingen konden maken.

(12) De mondelinge en schriftelijke commentaren die door de partijen werden ingediend werden onderzocht en waar nodig werd hiermee rekening gehouden bij de definitieve bevindingen van de Commissie.

C. DEFINITIEVE BEVINDINGEN

(13) Tijdens de hoorzitting herhaalde Norwell AS dat de verbintenis zou zijn geschonden omdat bepaalde creditnota's in mindering werden gebracht op de verkoopprijs zodat de gemiddelde verkoopprijs naar de Gemeenschap voor het laatste kwartaal van 1997 onder de minimuminvoerprijs kwam te liggen. Als verzachtende omstandigheden voerde de onderneming echter aan dat de creditnota's waren verstrekt met betrekking tot een éénmalige klacht in verband met een zending vis die in abnormaal slechte staat bij de afnemers in de Gemeenschap aankwam. Deze slechte kwaliteit van de vis had ertoe geleid dat de onderneming belangrijke kortingen had verleend aan haar afnemers. Hoewel de gemiddelde verkoopprijs van de onderneming als gevolg van deze creditnota's onder de minimumprijs kwam te liggen, betoogde de onderneming dat bij de onderhandelingen over de verkoopprijs niet kon worden voorzien dat dergelijke creditnota's voor een dergelijk bedrag zouden worden verstrekt.

(14) Wanneer het zou gaan om een variabel recht in plaats van een verbintenis zouden creditnota's voor klachten in verband met de kwaliteit bovendien een verlaging van de douanewaarde rechtvaardigen, hetgeen een proportionele verlaging van de toe te passen rechten zou betekenen. Om er derhalve voor te zorgen dat antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen een gelijke werking hebben ongeacht het feit of deze de vorm krijgen van rechten of verbintenissen, was de Commissie van oordeel dat creditnota's voor authentieke, gerechtvaardigde klachten in verband met de kwaliteit niet zouden mogen leiden tot een vaststelling van schending.

(15) Gezien het bovenstaande en omdat voldoende bewijsmateriaal is ingediend en nagetrokken met betrekking tot het verzoek van Norwell AS inzake de abnormaal slechte kwaliteit van deze specifieke zending, wordt vastgesteld dat voor deze onderneming geen definitieve maatregelen moeten worden vastgesteld.

(16) Een andere Noorse onderneming voerde aan dat NorMan Trading Ltd AS, waartegen voorlopige rechten waren ingesteld, in september 1997 haar activiteiten had gestaakt, werd opgeheven waarbij een aantal activiteiten werden overgenomen door de onderneming die het verzoek had ingediend. Omdat geen opmerkingen waren ingediend met betrekking tot de conclusie inzake schending en de onderneming niet langer bestaat, dient de naam van deze onderneming te worden geschrapt van de lijst van Noorse exporteurs die zijn vrijgesteld van de definitieve antidumpingrechten en de definitieve compenserende rechten.

(17) Geen van de overige ondernemingen die hun verplichtingen in verband met het indienen van een verslag niet waren nagekomen konden na de bekendmaking aantonen dat zij als gevolg van overmacht hun kwartaalverslagen niet binnen de hiervoor vastgestelde termijn hadden kunnen indienen. De onderneming die niet alleen te laat een verslag had ingediend maar tevens het betrokken product naar de Gemeenschap uitvoerde tegen prijzen die onder de minimumprijs lagen, diende evenmin commentaar in. Tegen deze ondernemingen dienen derhalve definitieve maatregelen te worden ingesteld.

D. INTREKKING VAN DE VERBINTENISSEN

(18) Bij het toezicht op de door de Noorse exporteurs ingediende verbintenissen stelde de Commissie over een bepaalde periode vast dat een aantal exporteurs voor achtereenvolgende kwartalen het betrokken product niet aan de Europese Gemeenschap hadden verkocht. Na dit te hebben geverifieerd verklaarde een aantal van deze ondernemingen tevens dat zij tijdens de referentieperiode van het oorspronkelijke onderzoek die had geleid tot de huidige antidumping- en compenserende maatregelen het betrokken product niet hadden uitgevoerd en geen bindende contractuele verplichtingen hadden om dit in de nabije toekomst wel te doen.

(19) De Commissie bracht de betrokken partijen op de hoogte van haar bevindingen en wees erop dat de ondernemingen gezien deze feiten niet als exporteurs konden worden beschouwd in de zin van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna de "basisantidumpingverordening" genoemd) en Verordening (EG) nr. 2026/97 (hierna de "basisantisubsidieverordening" genoemd). Voorts werden deze ondernemingen ervan in kennis gesteld dat handhaving van de geldende verbintenissen voor de Commissie een onnodige administratieve belasting betekende, gezien het toezicht dat zij op de naleving moest uitoefenen.

Deze ondernemingen werd tevens medegedeeld dat zij, indien zij aan de voorwaarden voldeden, als nieuwe exporteur opnieuw een verbintenis konden aanbieden overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1890/97 van de Raad (8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2678/98 (9), en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1891/97 van de Raad (10), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2678/98. Bij Verordening (EG) nr. 2039/98 (11), stelde de Raad definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten in ten aanzien van 21 ondernemingen die vervolgens hun verbintenissen introkken en wijzigde de Commissie dienovereenkomstig bij Besluit 98/540/EG (12) Besluit 97/634/EG.

(20) Naar aanleiding van deze wijzigingen trokken nog eens drie ondernemingen, namelijk Hirsholm Norge As, Lorentz A. Lossius AS en Roger AS hun verbintenissen vrijwillig in. Ook een andere onderneming Fonn Egersund AS trok haar verbintenis in nadat de Commissie haar op de hoogte had gebracht van de klaarblijkelijke schending van de verplichting om verslag uit te brengen.

(21) Omdat deze vier ondernemingen hun verbintenissen hebben ingetrokken kunnen zij niet langer aanspraak maken op vrijstelling van het antidumpingrecht en het compenserend recht en dienen hun namen derhalve te worden geschrapt van de lijst van ondernemingen waarvan verbintenissen zijn aanvaard.

E. WIJZIGING VAN DE BIJLAGE BIJ BESLUIT 97/634/EG

(22) Tegelijk met deze verordening dient de Commissie een voorstel in voor een verordening van de Raad tot instelling van definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten met betrekking tot gekweekte Atlantische zalm van oorsprong uit Noorwegen die wordt uitgevoerd door de overige acht ondernemingen waarop het voorlopig dumpingrecht van toepassing is dat werd ingesteld bij de verordening voorlopig recht.

(23) De bijlage bij Besluit 97/634/EG tot aanvaarding van verbintenissen in het kader van de onderhavige antidumping- en antisubsidieprocedures dient te worden gewijzigd om rekening te houden met de bevestiging van de verbintenis die was aangeboden door Norwell AS, en waarvoor het voorlopig recht moest worden ingetrokken.

(24) Om rekening te houden met deze veranderingen en de bovengenoemde intrekking van verbintenissen dient de bijlage bij Besluit 97/634/EG die een opsomming bevat van de partijen waarvoor verbintenissen zijn aanvaard, dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 2249/98 wordt hierbij vervangen door bijlage I.

2. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van de bij die verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten en compenserende rechten op gekweekte (andere dan wilde) Atlantische zalm van de GN-codes ex 0302 12 00 (Taric-code 0302 12 00*19), ex 0304 10 13 (Taric-code 0304 10 13*19), ex 0303 22 00 (Taric-code 0303 22 00*19) en ex 0304 20 13 (Taric-code 0304 20 13*19) van oorsprong uit Noorwegen, uitgevoerd door Norwell AS, nr. van de verbintenis 128 (Aanvullende Taric-code 8316) worden vrijgegeven.

Artikel 2

De bijlage bij Besluit 97/634/EG wordt vervangen door bijlage II.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 januari 1999.

Voor de Commissie

Leon BRITTAN

Vice-Voorzitter

(1) PB L 56 van 6. 3. 1996, blz. 1.

(2) PB L 128 van 30. 4. 1998, blz. 18.

(3) PB L 288 van 21. 10. 1997, blz. 1.

(4) PB C 235 van 31. 8. 1996, blz. 18, en

PB C 235 van 31. 8. 1996, blz. 20.

(5) PB L 267 van 30. 9. 1997, blz. 81.

(6) PB L 8 van 14. 1. 1999, blz. 8.

(7) PB L 282 van 20. 10. 1998, blz. 57.

(8) PB L 267 van 30. 9. 1997, blz. 1.

(9) PB L 337 van 12. 12. 1998, blz. 1.

(10) PB L 267 van 30. 9. 1997, blz. 19.

(11) PB L 263 van 26. 9. 1998, blz. 3.

(12) PB L 252 van 12. 9. 1998, blz. 68.

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

>RUIMTE VOOR DE TABEL>