Home

2000/541/EG: Besluit van de Commissie van 6 september 2000 inzake criteria voor de beoordeling van nationale plannen overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2473)

2000/541/EG: Besluit van de Commissie van 6 september 2000 inzake criteria voor de beoordeling van nationale plannen overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2473)

Besluit van de Commissie

van 6 september 2000

inzake criteria voor de beoordeling van nationale plannen overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 1999/13/EG van de Raad

(kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 2473)

(2000/541/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties(1), en inzonderheid op artikel 6, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De lidstaten mogen nationale plannen vaststellen en uitvoeren ter vermindering van de emissies van bepaalde onder de richtlijn vallende activiteiten en installaties.

(2) Criteria voor nationale plannen zijn belangrijk om te bereiken dat deze nationale plannen resulteren in emissiereducties welke gelijkwaardig zijn aan die welke haalbaar zijn door toepassing van emissiegrenswaarden.

(3) De Commissie moet aan de hand van deze criteria besluiten of de door een lidstaat ingediende nationale plannen als toereikend of ontoereikend moeten worden beschouwd.

(4) De Commissie zal het bij artikel 13 van de richtlijn ingestelde raadgevend comité van de criteria in kennis stellen,

BESLUIT:

Enig artikel

De beoordeling van de nationale plannen in overeenstemming met artikel 6 van Richtlijn 1999/13/EG dient te geschieden op basis van de in de bijlage bij dit besluit neergelegde criteria.

Gedaan te Brussel, 6 september 2000.

Voor de Commissie

Margot Wallström

Lid van de Commissie

(1) PB L 85 van 29.3.1999, blz. 1.

BIJLAGE

CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN NATIONALE PLANNEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 6 VAN RICHTLIJN 1999/13/EG

A. CRITERIA AAN DE HAND WAARVAN MOET BLIJKEN DAT DE LIDSTAAT TOT IN DETAILS MET DE HUIDIGE EMISSIES BEKEND IS

1. In het nationale plan moet worden aangetoond dat de lidstaat tot in details met de huidige emissies bekend is.

Minimaal aanvaardbare bewijzen:

De lidstaat dient een schriftelijke verklaring over te leggen waarin de activiteit of activiteiten waarop het plan van toepassing is worden omschreven; waarin de activiteiten aan de hand van een gedocumenteerd systeem in categorieën worden ingedeeld; opgave wordt gedaan van het aantal onder het plan vallende installaties; de totale emissies van de onder het plan vallende installaties worden gekwantificeerd; de bron van eventuele emissiefactoren wordt geïdentificeerd en de voor de schatting van de emissies gebruikte activiteitsstatistieken worden opgegeven; en de methodes worden beschreven die voor de afleiding van emissiefactoren zijn gebruikt, bijvoorbeeld methodes om metingen te verrichten.

B. CRITERIA WAARMEE DE GEGRONDHEID VAN HET NATIONALE PLAN MOET WORDEN AANGETOOND

2. Het nationale plan moet van dien aard zijn dat een benadering die afwijkt van het bepaalde in artikel 5, leden 2 en 3, en in bijlage II wordt gerechtvaardigd.

Minimaal aanvaardbare bewijzen:

De lidstaat dient een schriftelijke verklaring over te leggen met een uitleg van de aan het gebruik van het nationale plan verbonden voordelen, ten opzichte van een aanpak op basis van artikel 5, leden 2 en 3, en bijlage II.

C. CRITERIA AAN DE HAND WAARVAN MOET WORDEN AANGETOOND DAT HET NATIONALE PLAN VERENIGBAAR IS MET WETGEVING EN BELEID VAN DE EUROPESE UNIE, ALSMEDE MET DE HUIDIGE INTERNATIONALE VERPLICHTINGEN

3. Het nationale plan moet aantoonbaar verenigbaar zijn met richtlijnen, gepubliceerde EU-beleidsmaatregelen, bilaterale verdragen, alsmede met internationale verdragen en overeenkomsten.

Minimaal aanvaardbare bewijzen:

De lidstaat dient een schriftelijke verklaring over te leggen waaruit blijkt dat de verenigbaarheid van het nationale plan met alle andere terzake dienende wetsteksten terdege in overweging is genomen.

D. MEER GEDETAILLEERDE CRITERIA DIE IN AANMERKING MOETEN WORDEN GENOMEN WANNEER HET NATIONALE PLAN AAN DE CRITERIA A, B EN C VOLDOET

Van de in dit verband minimaal aanvaardbare bewijzen wordt na de criteria 4 tot en met 26 hieronder, een conceptuele beschrijving gegeven.

Criteria aan de hand waarvan moet worden aangetoond dat het nationale plan met bepaalde specifieke vereisten van artikel 6 van Richtlijn 1999/13/EG in overeenstemming is

4. Het nationale plan is alleen op bestaande installaties van toepassing (artikel 6, lid 1).

5. Het nationale plan mag niet van toepassing zijn op de activiteiten 4 en 11 van bijlage II A (artikel 6, lid 1).

6. Het nationale plan mag niet van dien aard zijn dat enige in bijlage I genoemde activiteit van het toepassingsgebied van Richtlijn 1999/13/EG wordt uitgesloten (artikel 6, lid 1).

7. het nationale plan mag geen bestaande installatie uitsluiten van de in Richtlijn 96/61/EG neergelegde bepalingen (artikel 6, lid 1).

8. Het nationale plan dient een lijst te bevatten van de genomen of te nemen maatregelen waarmee moet worden bereikt dat de in artikel 6, lid 1, genoemde doelstelling wordt verwezenlijkt (artikel 6 lid 2).

9. Het nationale plan dient het mechanisme voor toezicht op de uitvoering van het voor te stellen plan in bijzonderheden te beschrijven (artikel 6, lid 2)

10. Het nationale plan dient bindende tussentijdse reductiedoelstellingen aan te geven waaraan kan worden afgemeten welke vorderingen er met de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, genoemde doelstellingen worden gemaakt (artikel 6, lid 2).

11. Het nationale plan dient de activiteit of activiteiten te noemen waarop het plan betrekking heeft (artikel 6, lid 2).

12. Het nationale plan moet de door de activiteiten in kwestie te verwezenlijken emissiereductie aangegeven die overeenstemt met de reductie die zou zijn bereikt door toepassing van de in artikel 5, leden 2 en 3, en in bijlage II bedoelde emissiegrenswaarden en/of vluchtige-emissiewaarden (artikel 6, lid 2).

13. Het nationale plan moet een opsomming geven van het aantal onder het plan vallende installaties, de totale omvang van hun emissies en de totale omvang van de emissies van elk van de activiteiten (artikel 6, lid 2).

14. Het nationale plan dient een beschrijving te bevatten van het gamma aan instrumenten waarmee aan de eisen van het plan zal worden voldaan, alsmede de nodige bewijzen dat de uitvoering van deze instrumenten afdwingbaar is, en nadere gegevens omtrent de middelen aan de hand waarvan de naleving van het plan zal worden aangetoond (artikel 6, lid 2).

Criteria aan de hand waarvan verenigbaarheid met andere desbetreffende bepalingen van Richtlijn 1999/13/EG moet worden aangetoond

15. Een nationaal plan dient de nodige genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat de onder het plan vallende installaties voldoen aan artikel 5 (uitgezonderd, voorzover het plan hierin voorziet, lid 2, en/of lid 3), aan de artikelen 8 en 9 en aan enigerlei vereisten van het plan, en zulks uiterlijk tot en met 31 oktober 2007 (artikel 4, lid 1).

16. Het nationale plan dient de genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat onder het plan vallende installaties uiterlijk op 31 oktober 2007 geregistreerd zijn of een vergunning hebben (artikel 4, lid 2).

17. Het nationale plan dient de genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat onder het plan vallende maatregelen aan de in artikel 8 vastgestelde toezichtsbepalingen voldoen.

18. Het nationale plan dient de genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat onder het plan vallende installaties aantoonbaar in overeenstemming zijn met de in het nationale plan conform artikel 9 vastgestelde emissiegrenswaarden en/of vluchtige-emissiewaarden.

19. Het nationale plan dient de genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat onder het plan vallende installaties voldoen aan het bepaalde in artikel 10, indien blijkt dat er inbreuken zijn geweest op de voorschriften van de richtlijn of van het plan.

20. Het nationale plan dient te beschrijven hoe in de door de lidstaat in overeenstemming met artikel 11 aan de Commissie toegezonden verslagen voldoende representatieve gegevens moeten worden opgenomen om aan te tonen dat aan het bepaalde in artikel 6 is voldaan (artikel 11, lid 2).

21. Het nationale plan dient de genomen of te nemen noodzakelijke maatregelen te omschrijven waarmee moet worden bewerkstelligd dat informatie betreffende onder het plan vallende installaties voor het publiek toegankelijk is, zulks in overeenstemming met artikel 12.

Criteria aan de hand waarvan moet worden aangetoond dat het plan in een gelijkwaardige vermindering van de jaarlijkse emissies resulteert

22. Het nationale plan dient te voorzien in een kwantificering van de huidige jaarlijkse emissies van onder het plan vallende installaties.

23. Het nationale plan dient te voorzien in een kwantificering van de vermindering van de jaarlijkse emissies van onder het plan vallende installaties welke verwezenlijkt zou zijn door toepassing van de in artikel 5, leden 2 en 3, en in bijlage II bedoelde emissiegrenswaarden voor afvalgassen en/of vluchtige-emissiewaarden.

24. Het nationale plan dient te voorzien in een kwantificering van de vermindering van de jaarlijkse emissies van onder het plan vallende installaties welke met de tenuitvoerlegging van het plan zal worden verwezenlijkt.

25. Het nationale plan moet aantonen dat de door middel van criterium 24 te verwezenlijken emissiereductie minstens even groot is als die welke doormiddel van criterium 23 te bereiken is.

Criteria aan de hand waarvan de middelen moeten worden gevalideerd waarmee, in overeenstemming met criterium 14 en artikel 6, lid 2, conformiteit met het plan moet worden aangetoond

26. Uit het nationale plan dient te blijken dat de methode waarmee conformiteit met het plan moet worden aangetoond degelijk genoeg is om een derde partij in staat te stellen deze conformiteit te verifiëren.

Minimaal aanvaardbare bewijzen voor de criteria 4 tot en met 26:

De door de lidstaten te verschaffen voornaamste bewijsstukken kunnen als volgt worden samengevat:

i) De lidstaat dient een lijst van onder het nationale plan vallende aangewezen installaties over te leggen, met een indeling op basis van ten minste het activiteitsniveau (als uiteengezet in bijlage II A) en bij voorkeur op basis van Corinair/EMEP SNAP niveau 2.

ii) De lidstaat dient bijzonderheden te verschaffen omtrent de wijze van uitvoering van het nationale plan door de bevoegde instantie, met inbegrip van:

- een omschrijving van de bevoegde instantie in kwestie;

- de wijze waarop de tijdschema's door de bevoegde instantie worden vastgesteld en hoe deze hierop toezicht zal houden;

- de wijze waarop de bevoegde instanties gegevensbestanden zullen bijhouden van elke onder het nationale plan vallende installatie;

- de wijze waarop, op het niveau van een installatie, in deze bestanden bijzonderheden omtrent de activiteiten in kwestie worden opgenomen; de getroffen maatregelen; de tijden gedurende welke de machinerie in bedrijf is; emissiegrenswaarden en/of waarden voor vluchtige emissies en/of bindende tussentijdse doelstellingen die moeten worden gehaald; methodes voor toezicht/het aantonen van conformiteit met grenswaarden voor emissies en waarden voor vluchtige emissies;

- methodes voor toezicht, rapportage en om conformiteit met het plan aan te tonen; de lidstaat zou òf, in overeenstemming met bijlage III, de massabalans moeten bepalen, òf massaconcentraties en volumestroomsnelheden moeten meten, dit in overeenstemming met de erkende internationale of Europese normen; indien de lidstaat alternatieve middelen voorstelt om conformiteit met het plan aan te tonen, dient het nationale plan in bewijzen van vergelijkbare degelijkheid te voorzien.

iii) De lidstaat moet een emissiebalans opmaken en indienen voor alle onder het nationale plan vallende installaties. De lidstaat dient bewijsstukken te verschaffen in de vorm van representatieve gegevens en gedocumenteerde methodes om een onafhankelijke verificatie van de gerapporteerde emissies mogelijk te maken. Aan de hand van deze emissiebalans moet gelijkwaardigheid met de richtlijn kunnen worden aangetoond en de lidstaat dient representatieve berekeningen te tonen van de onder de criteria 23 en 24 bedoelde jaarlijkse-emissiereducties, teneinde een onafhankelijke verificatie van de gebruikte berekeningsmethodes mogelijk te maken.

iv) De lidstaat dient te beschrijven hoe het publiek toegang moet krijgen tot het nationale plan, de doelstellingen ervan en de vorderingen die met afzonderlijke installaties worden gemaakt om deze doelstellingen te verwezenlijken. Er kunnen zich gevallen voordoen waarin bepaalde gegevens als vertrouwelijk worden beschouwd en derhalve niet voor het publiek toegankelijk zijn. Het betreft hier gegevens als:

- de namen van installaties voor militair gebruik;

- informatie over bepaalde installaties met productievolume-indicatoren die commercieel gevoelig liggen, zoals de toevoeging van oplosmiddelen, het aantal uren dat een installatie in bedrijf is en volumestroomsnelheden.