2001/15/EG: Besluit van de Commissie van 27 december 2000 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot opschorting van de onderzoeksprocedure betreffende belemmeringen voor het handelsverkeer in cosmetische producten in de Republiek Korea (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 4128)
2001/15/EG: Besluit van de Commissie van 27 december 2000 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot opschorting van de onderzoeksprocedure betreffende belemmeringen voor het handelsverkeer in cosmetische producten in de Republiek Korea (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 4128)
Besluit van de Commissie
van 27 december 2000
overeenkomstig Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot opschorting van de onderzoeksprocedure betreffende belemmeringen voor het handelsverkeer in cosmetische producten in de Republiek Korea
(kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 4128)
(2001/15/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 356/95(2), inzonderheid op de artikelen 11 en 14,
Na raadpleging van het raadgevend comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. ACHTERGROND VAN DE PROCEDURE
(1) Op 2 april 1998 heeft Colipa (Europees verbindingscomité van de sector parfumerieën, cosmetische producten en toiletartikelen) een klacht ingediend op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 3286/94 (hierna "de verordening" genoemd) namens zijn leden die naar de Republiek Korea uitvoeren of wensen uit te voeren.
(2) De klager betoogde dat de verkoop van cosmetische producten van communautaire producenten in de Republiek Korea gehinderd werd door drie belemmeringen voor het handelsverkeer in de zin van artikel 2, lid 1, van de verordening, dit wil zeggen "door een derde land ingestelde of gehandhaafde handelspraktijk waartegen uit hoofde van de internationale regelingen voor het handelsverkeer maatregelen kunnen worden genomen". Hij verwees daarbij naar de volgende handelsbelemmeringen:
i) conformiteitsbeoordelingsprocedure: tests op ingevoerde cosmetische producten, uitgevoerd door de Koreaanse overheid in Korea, waarbij het vaak drie maanden duurde om de verschillende stadia van de procedure te voltooien;
ii) bijhouden van registers met administratieve gegevens over de producten: de verplichting voor de invoerders om gedurende drie jaar registers aan te houden met douane-, handels- en kwaliteitsgegevens over alle door hen ingevoerde cosmetische producten. Voorts dienden de invoerders de vereniging van Koreaanse producenten van cosmetische producten (KCIA) ieder jaar een verslag voor te leggen met gevoelige commerciële informatie;
iii) procedure voor de goedkeuring van reclame: leidde volgens de klacht tot discriminatie.
(3) De klager stelde dat de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de administratieve verplichting om registers bij te houden, zwaar en overbodig waren, en dat de procedures voor het testen van ingevoerde producten verschilden van die voor binnenlandse producten en daarom discriminerend waren. Hij betoogde ook dat de flexibele interpretatie van de Wet Farmaceutica ten aanzien van reclame tot discriminatie tegen ingevoerde producten leidde. De klager was van oordeel dat de bovengenoemde Koreaanse praktijken in strijd waren met de artikelen 5.1.1 en 5.1.2 van de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen en artikel III, lid 4, van GATT 1994.
(4) Voorts betoogde de klager dat zijn leden nadelige gevolgen voor het handelsverkeer ondervonden als bedoeld in artikel 2, lid 4, van de verordening en dat zij in de nabije toekomst vermoedelijk nog ernstiger zouden worden benadeeld. Hij voerde aan dat de strenge eisen die aan de invoer van cosmetische producten in Korea werden gesteld, extra kosten veroorzaakten in de orde van grootte van 1,5 % van de netto-omzet van de in Korea ingevoerde producten. Deze extra kosten waren het gevolg van een zwaardere werkbelasting van het administratief en technisch personeel, de bijkomende kosten in verband met de tests zelf en de kosten van opslag en behandeling van de voorraden tijdens de duur van deze tests. Ten slotte voerde de klager aan dat de discriminatie ten aanzien van de reclame voor ingevoerde producten het moeilijker maakte voor de communautaire producenten om hun marktaandeel te verhogen en zo de extra kosten te helpen compenseren die zij door de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de buitensporige administratieve verplichtingen opliepen.
(5) In het licht van het bovenstaande en na raadpleging van het bij de verordening ingestelde raadgevend comité besloot de Commissie dat er voldoende bewijsmateriaal was om een onderzoek te openen naar de wettelijke en feitelijke elementen van deze zaak. Daarom heeft zij op 19 mei 1998(3) een onderzoeksprocedure ingeleid.
B. BIJ HET ONDERZOEK GEDANE VASTSTELLINGEN
(6) In het kader van het onderzoek, dat zich op de Koreaanse markt toespitste, hebben ambtenaren van de Commissie gesproken met invoerders in Korea, de Koreaanse vereniging van cosmeticaproducenten en de Koreaanse overheid. Daarnaast hebben zij gesproken met producenten in de Gemeenschap en wetenschappelijke experts van Colipa over het testen van producten en de wetgeving inzake de productie en het op de markt brengen van cosmetica in de Gemeenschap.
(7) Het onderzoek heeft aangetoond dat de conformiteitsbeoordelingsprocedure discriminerend en zwaarder dan nodig was en derhalve inbreuk maakte op de artikelen 5.1.1 en 5.1.2 van de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen. Verder is gebleken dat de eis tot het bijhouden van gegevens, die de invoerders onnodig verplichtte tot dubbel administratief werk, in strijd was met artikel 5.1.2 van de WTO-overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen. Ten slotte is vastgesteld dat de wetgeving die de reclame voor cosmetische producten regelt, niet discriminerend was.
C. REACTIE VAN DE KOREAANSE OVERHEID OP DE INLEIDING VAN DE ONDERZOEKSPROCEDURE
(8) De Koreaanse overheid heeft haar medewerking verleend en de door de Commissie gevraagde gegevens verstrekt.
(9) De Koreaanse overheid heeft ook haar bereidheid te kennen gegeven om via onderhandelingen met de Commissie tot een overeenkomst te komen die een oplossing moet bieden voor de problemen bij de invoer van cosmetische producten, en om, met het oog daarop, te overleggen over wijzigingen in het Koreaanse wettelijke kader voor cosmetische producten.
D. UITKOMST VAN HET ONDERZOEK
(10) Een reeks besprekingen tussen de Commissie en de Koreaanse overheid hebben geresulteerd in een overeenkomst dat de Koreaanse wetgeving inzake cosmetische producten zou worden gewijzigd met betrekking tot het testen van dergelijke in de Republiek Korea ingevoerde producten. Deze overeenkomst is bevestigd in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Commissie en de vertegenwoordiging van de Republiek Korea bij de Europese Unie. Zij voorziet in een vrijstelling van tests bij invoer voor cosmetische producten die worden vervaardigd door producenten van wie de bevoegde Koreaanse instanties hebben bevestigd dat zij aan de Koreaanse norm inzake goede fabricagemethoden (GMP) voldoen of deze overtreffen. Deze vrijstelling geldt niet voor de eerste invoer van een product, maar wel voor iedere daaropvolgende invoer.
(11) In overeenstemming met de overeenkomst heeft Korea een wijziging in zijn wetgeving doorgevoerd, die op 24 januari 2000 van kracht is geworden. Voorts hebben in februari en juli 2000 Koreaanse functionarissen bij verschillende communautaire producenten in situ inspecties uitgevoerd en de vereiste goedkeuringen afgeleverd. Ten slotte heeft Korea op 1 juli 2000 een wet uitgevaardigd met betrekking tot cosmetische producten, waarin de productie, invoer en verkoop van "cosmetica" en "cosmeceutica" (een speciale categorie cosmetica die zonnebeschermings- en antirimpelproducten omvat) worden geregeld. De nieuwe Wet Cosmetische Producten moet worden geïmplementeerd via uitvoeringsbesluiten, met name mededeling nr. 163 van het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn, die op 19 juli 2000 van kracht is geworden.
E. AANBEVELING
(12) De diensten van de Commissie zijn van oordeel dat de overeenkomst tussen de Commissie en de Koreaanse overheid op hoofdlijnen ten uitvoer is gelegd. De diensten van de Commissie willen de uitvoeringsrichtsnoeren, die in 2000 zijn uitgevaardigd, en de implementatie ervan volgen teneinde zich ervan te overtuigen dat deze in generlei wijze in tegenspraak zijn met de overeenkomst. De onderzoeksprocedure betreffende maatregelen van de Republiek Korea ten aanzien van de invoer en distributie van en reclame voor cosmetische producten, parfumerieën en toiletartikelen dient te worden opgeschort voor een periode van zes maanden, zodat een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden. Aan het einde van deze periode zullen de diensten van de Commissie verslag uitbrengen bij de lidstaten over hun conclusies inzake de uitvoeringsrichtsnoeren en de verenigbaarheid ervan met de overeenkomst. Indien alle belanghebbende partijen er dan van overtuigd zijn dat er geen reden tot bezorgdheid meer is, zal de onderzoeksprocedure worden beëindigd,
BESLUIT:
Enig artikel
De op 19 mei 1998 ingeleide onderzoeksprocedure betreffende maatregelen van de Republiek Korea ten aanzien van de invoer en distributie van en reclame voor cosmetische producten, parfumerieën en toiletartikelen wordt opgeschort.
Gedaan te Brussel, 27 december 2000.
Voor de Commissie
Pascal Lamy
Lid van de Commissie
(1) PB L 349 van 31.12.1994, blz. 71.
(2) PB L 41 van 23.2.1995, blz. 3.
(3) PB C 154 van 19.5.1998, blz. 12.