2001/342/EG: Beschikking van de Commissie van 19 april 2001 betreffende het door Nederland ingediende verzoek om ontheffing uit hoofde van artikel 8, lid 2, onder c), van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1092)
2001/342/EG: Beschikking van de Commissie van 19 april 2001 betreffende het door Nederland ingediende verzoek om ontheffing uit hoofde van artikel 8, lid 2, onder c), van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1092)
Beschikking van de Commissie
van 19 april 2001
betreffende het door Nederland ingediende verzoek om ontheffing uit hoofde van artikel 8, lid 2, onder c), van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan
(kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1092)
(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)
(2001/342/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad(2), en met name op artikel 8, lid 2, onder c),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Het op 8 januari 2001 door Nederland ingediende en op 10 januari 2001 door de Commissie ontvangen verzoek om ontheffing bevat alle krachtens artikel 8, lid 2, onder c), van Richtlijn 70/156/EEG vereiste informatie. Dit verzoek heeft betrekking op de uitrusting van drie voertuigtypes van categorie M1 met een installatie voor vloeibaar petroleumgas (LPG).
(2) De in het verzoek aangevoerde redenen, namelijk dat dergelijke installaties niet beantwoorden aan de vereisten van de toepasselijke richtlijnen, met name van Richtlijn 70/221/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/8/EG van het Europees Parlement en de Raad(4), zijn gegrond.
(3) Uit de tests die overeenkomstig reglement 67.01 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties zijn uitgevoerd om zich te vergewissen van de veiligheid van het geïnstalleerde systeem en reservoir voor LPG, is gebleken dat deze een aanvaardbaar veiligheidsniveau hebben.
(4) Om het veiligheidsniveau van de in gebruik zijnde voertuigen te garanderen, mogen de lidstaten periodiek proeven uitvoeren waarbij de dichtheid van de installatie wordt nagegaan bij een druk die minstens gelijk is aan de bedrijfsdruk.
(5) De desbetreffende communautaire richtlijnen zullen worden gewijzigd teneinde de productie van op LPG lopende voertuigen mogelijk te maken.
(6) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Richtlijn 70/156/EEG ingestelde Comité voor de aanpassing aan de vooruitgang van de techniek,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
Het door Nederland ingediende verzoek om ontheffing ten behoeve van de productie en het op de markt brengen van drie op vloeibaar petroleumgas lopende voertuigtypes van categorie M1, wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.
Gedaan te Brussel, 19 april 2001.
Voor de Commissie
Erkki Liikanen
Lid van de Commissie
(1) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.
(2) PB L 203 van 10.8.2000, blz. 9.
(3) PB L 76 van 6.4.1970, blz. 23.
(4) PB L 106 van 3.5.2000, blz. 7.