Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie van 2 februari 2001 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije en tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door bepaalde exporteurs in Tsjechië en Turkije
Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie van 2 februari 2001 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije en tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door bepaalde exporteurs in Tsjechië en Turkije
Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie
van 2 februari 2001
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije en tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door bepaalde exporteurs in Tsjechië en Turkije
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000(2), en met name op artikel 7,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Inleiding
(1) Op 5 mei 2000 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(3) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit de Republiek Korea (hierna "Korea" genoemd), Maleisië, Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije.
(2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die in maart 2000 werd ingediend door het "Liaison Committee of European Union Wire Rope Industries (EWRIS)" namens producenten die tezamen goed zijn voor een groot deel, namelijk 76 %, van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal betreffende de dumping van het betrokken product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om tot de inleiding van een procedure over te gaan.
(3) De Commissie heeft de haar bekende belanghebbende producenten/exporteurs, exporteurs en importeurs alsmede de organisaties van producenten/exporteurs, exporteurs en importeurs en de vertegenwoordigers van de betrokken exportlanden, de Associatieraden EU-Tsjechië en EG-Turkije, de indiener van de klacht en alle haar bekende producenten in de Gemeenschap, leveranciers van grondstoffen voor en gebruikers van het betrokken product officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Zij werden in de gelegenheid gesteld binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en een onderhoud aan te vragen.
(4) Een aantal producenten/exporteurs in de betrokken landen, producenten in de Gemeenschap en importeurs hebben hun standpunt schriftelijk uiteengezet. Alle partijen die dit binnen de gestelde termijn hadden aangevraagd en die konden aantonen dat er bijzondere redenen waren om hen te horen, werden gehoord.
(5) De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de haar bekende belanghebbenden en aan alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn bij haar hadden aangemeld. Antwoorden werden ontvangen van 19 EG-producenten, elf producenten/exporteurs in de betrokken landen, alsmede van importeurs in de Gemeenschap die banden hadden met die producenten/exporteurs, van een onafhankelijke importeur in de Gemeenschap en van een toeleverancier. Geen enkele gebruiker van het betrokken product heeft een vragenlijst beantwoord.
(6) De Commissie heeft de haar bekende belanghebbende producenten/exporteurs in Rusland formulieren toegezonden met behulp waarvan deze om de toekenning van de status van marktgericht bedrijf of een individuele behandeling konden verzoeken. Geen andere onderneming heeft zich binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn bij de Commissie aangemeld. Twee ondernemingen hebben op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van Verordening (EG) nr. 384/96 (hierna "de basisverordening" genoemd) verzocht als marktgericht bedrijf te worden behandeld of, indien bij het onderzoek zou blijken dat zij niet aan de daarvoor geldende criteria voldoen, een individuele behandeling te verkrijgen.
(7) De Commissie heeft alle gegevens die zij voor haar voorlopige bevindingen inzake dumping, schade en belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte ingewonnen en geverifieerd. Voorts heeft zij bij de volgende ondernemingen een onderzoek ter plaatse ingesteld:
a) Producenten in de Gemeenschap
- BTS Drahtseile GmbH, Gelsenkirchen, Duitsland
- Randers Rebslaaeri A/S, Randers, Denemarken
- Redaelli Tecna Cordati SpA, Gardone V.T., Italië
- Trefileurope, Bourg-en-Bresse, Frankrijk
- Trenzas y Cables, SL, Barberà del Vallès, Spanje
b) Producenten/exporteurs
Tsjechië
- ZDB a.s., Bohumín en de daarmee gelieerde exporteur, Praag
Korea
- Kiswire Ltd, Seoel en Pusan
- Chung Woo Rope Co., Pusan
- DSR Wire Corp., Suncheon
Maleisië
- Kiswire Sdn. Bhd., Johor Bahru
Rusland (om te onderzoeken of de onderneming op marktvoorwaarden werkte)
- Cherepovetsky Staleprokatny Zavod, Cherepovets
Thailand
- Usha Siam Steel Industries plc
Turkije
- Celik Halat ve Tel Sanayii A.S, Istanboel/Izmit
- Has Celik ve Halat Sanayi Ticaret A.S, Kayseri
c) Gelieerde importeurs in de Gemeenschap
Verenigd Koninkrijk
- Usha Martin UK Ltd, Clydebank
Denemarken
- Usha Martin Scandinavia A/S, Vallensbaek Strand
Nederland
- Kiswire Europe BV, Dongen.
(8) Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2000 (het "onderzoektijdvak"). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 1997 tot het einde van het onderzoektijdvak ("schadebeoordelingsperiode").
2. Betrokken product en soortgelijk product
a) Betrokken product
(9) Het onderzoek heeft betrekking op ijzeren of stalen kabels, gesloten kabels daaronder begrepen, met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings). Dit product wordt door de industrie doorgaans "staalkabel" genoemd. Bij het onderzoek bleek overigens dat ijzer niet als grondstof voor de productie van kabel kan dienen. Staalkabel wordt momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7312 10 82, 7312 10 84, 7312 10 86, 7312 10 88 en 7312 10 99.
(10) Staalkabel bestaat uit drie basiscomponenten: de staaldraad die de streng vormt, de strengen die rond een kern worden gewikkeld en de kern zelf. De vorm van deze componenten varieert en is afhankelijk van de fysieke eisen die aan staalkabel worden gesteld. Er zijn verschillende soorten staaldraad met uiteenlopende treksterkte en diameter. Staaldraad kan gegalvaniseerd zijn (d.w.z. bekleed met zink) of glanzend. De streng wordt verkregen door verschillende draden strak samen te vlechten, waarbij verschillende geometrische patronen of formaties ontstaan (standaard, seale, filler en warrington). Het aantal, de afmetingen en de kwaliteit van de staaldraden alsmede de specifieke constructie bepalen de eigenschappen van elke soort staalkabel. De strengen worden gewoonlijk samengevoegd en rond een kern gewikkeld die van natuurlijke of synthetische vezel, staal of een combinatie van beide is vervaardigd. De technische specificatie van staalkabel omvat nog andere elementen zoals de slagrichting, al dan niet voorgevormd of met andere bijzondere kenmerken (bijvoorbeeld verdichting, kabelslag, rotatieweerstand). Staalkabel heeft meestal een ronde dwarsdoorsnede, maar kan ook vierkant zijn. Staalkabel kan in de lengte worden versneden of een andere vorm hebben (haken, ringen) en met plastic zijn bekleed.
(11) Staalkabel wordt gebruikt in diverse sectoren van de industrie, zoals de visserij, de scheepvaart, de olie- en gasnijverheid, de mijnbouw, de bosbouw, de luchtvaart, de civiele techniek, de bouw en voor de constructie van liften. Alle staalkabel bleek in wezen dezelfde fysieke kenmerken te hebben (namelijk de staaldraad die de strengen vormt, de strengen die rond de kern zijn gewikkeld en de streng zelf).
(12) Meerdere belanghebbenden waren van mening dat in het staalkabelassortiment twee verschillende producten kunnen worden onderscheiden, namelijk staalkabel voor algemene doeleinden en staalkabel die aan hoge eisen moet voldoen (met inbegrip van gesloten kabel). Zij voerden aan dat staalkabel die aan hoge eisen moet voldoen, of althans gesloten kabel(4), van de procedure moet worden uitgesloten omdat deze staalkabel wezenlijk verschilt van staalkabel voor algemene doeleinden, met name wat de fysieke kenmerken, het productieproces, het eindgebruik, de eindgebruikers en de prijzen betreft.
(13) Uit het onderzoek bleek dat het staalkabelassortiment uit een groot aantal verschillende soorten bestaat die bepaalde fysieke en technische verschillen vertonen en dat de diverse soorten staalkabel op grond van hun fysieke en technische kenmerken in een aantal productgroepen kunnen worden onderverdeeld. Er werd echter eveneens vastgesteld dat al deze soorten staalkabel in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken hebben en dat, hoewel staalkabel uit het onderste en het bovenste marktsegment niet onderling verwisselbaar is, staalkabel uit naast elkaar liggende groepen dit wel is. Geconcludeerd werd derhalve dat de soorten uit de verschillende groepen elkaar tot op zekere hoogte overlappen en met elkaar concurreren. Bovendien kunnen producten uit dezelfde groep voor verschillende doeleinden worden gebruikt. Bij gebrek aan een duidelijk onderscheid tussen de verschillende soorten staalkabel en gezien het feit dat alle soorten in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken hebben, worden alle soorten staalkabel als één enkel product beschouwd.
b) Soortgelijk product
(14) Een aantal belanghebbenden nam het standpunt in dat het betrokken product en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en in de Gemeenschap verkochte product verschillend zijn, omdat eerstgenoemd product vooral staalkabel voor algemene doeleinden is, terwijl laatstgenoemd product aan hoge eisen moet voldoen. Dit argument kon om de in overweging 13 genoemde redenen niet worden aanvaard.
(15) De Commissie stelde vast dat er geen verschillen van betekenis waren tussen de fundamentele fysieke en technische kenmerken van de diverse soorten staalkabel (zie bovenstaande omschrijving). Wat de verschillende toepassingsmogelijkheden van staalkabel betreft, werd geconstateerd dat, hoewel de gebruikers in de meest uiteenlopende sectoren werkzaam zijn, alle soorten staalkabel in wezen voor hetzelfde doel, namelijk krachtoverbrenging, bestemd zijn. Bovendien bleken de verschillende soorten onderling verwisselbaar te zijn. In Korea, Maleisië, Thailand, Tsjechië en Turkije vervaardigde staalkabel die op de binnenlandse markt van deze landen wordt verkocht, staalkabel die uit die landen naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd en door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en verkochte staalkabel bleken dezelfde fysieke en technische kenmerken en gebruiksdoeleinden te hebben. Dit bleek eveneens het geval te zijn voor staalkabel die uit Rusland naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd en voor die welke door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd en verkocht.
(16) Geconcludeerd werd derhalve dat door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en in de Gemeenschap verkochte staalkabel vergelijkbaar was in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening met staalkabel die uit de betrokken landen naar de Gemeenschap werd uitgevoerd. Tevens werd geconcludeerd dat in Korea, Maleisië, Thailand, Tsjechië en Turkije vervaardigde en op de binnenlandse markt van die landen verkochte staalkabel vergelijkbaar was met staalkabel die uit de betrokken landen naar de Gemeenschap werd uitgevoerd. In Korea vervaardigde en op de binnenlandse markt van dat land verkochte staalkabel was bovendien vergelijkbaar met in Rusland vervaardigde en naar de Gemeenschap uitgevoerde staalkabel.
B. DUMPING
1. Algemene werkwijze
(17) De hierna uiteengezette algemene werkwijze werd voor alle betrokken exportlanden toegepast. In de bevindingen inzake dumping voor elk van de zes betrokken landen zijn derhalve enkel de elementen aangegeven die specifiek zijn voor elk exportland.
a) Normale waarde
(18) Wat de vaststelling van de normale waarde betreft, heeft de Commissie in eerste instantie voor elke producent/exporteur bepaald of diens totale verkoop van staalkabel op de binnenlandse markt representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. De verkoop op de binnenlandse markt werd representatief geacht in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening wanneer de in omvang uitgedrukte totale verkoop op de binnenlandse markt van elke producent/exporteur minstens 5 % van zijn totale in omvang uitgedrukte uitvoer naar de Gemeenschap bedroeg.
(19) Vervolgens heeft de Commissie voor de ondernemingen die het product in representatieve hoeveelheden op hun binnenlandse markt hadden verkocht, vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte soorten staalkabel identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten. Staalkabelsoorten met dezelfde diameter en constructie, met hetzelfde aantal strengen en draden per streng, dezelfde kern, waarvan de draad van hetzelfde materiaal vervaardigd was, met dezelfde kenmerken, bekleding, oppervlaktebehandeling en treksterkte, al dan niet met aangehechte hulpstukken, werden in het algemeen als rechtstreeks vergelijkbaar beschouwd. Een producent/exporteur stelde dat bij de afbakening van rechtstreeks vergelijkbare soorten tevens rekening moest worden gehouden met de volgende elementen: treksterkte, diametertolerantie, toepassingen, elongatiefactor, corrosiebestendigheid, buitengewone lengte en gewicht, bijzondere draadsoorten. Bij de door deze producent/exporteur voorgestelde alternatieve indeling van vergelijkbare soorten werd met slechts enkele van deze bijkomende factoren rekening gehouden en uit de analyse van de door deze producent/exporteur toegepaste prijzen bleek niet dat de prijzen door deze bijkomende factoren werden beïnvloed. Dit verzoek werd derhalve van de hand gewezen. Geen enkele andere belanghebbende betwistte de door de Commissie voorgestelde criteria.
(20) Voor elk van de door de producenten/exporteurs op hun binnenlandse markt verkochte soort waarvan werd vastgesteld dat hij rechtstreeks vergelijkbaar was met een naar de Gemeenschap uitgevoerde soort werd bepaald of de verkoop op de binnenlandse markt voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De verkoop op de binnenlandse markt van een bepaalde soort werd als voldoende representatief beschouwd wanneer de omvang van de verkoop van die soort op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak 5 % of meer bedroeg van de totale omvang van de uitvoer van die soort naar de Gemeenschap.
(21) Voorts werd nagegaan of de verkoop op de binnenlandse markt van elke soort in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden. Hiertoe werd de omvang van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers van de betrokken soort vastgesteld. Wanneer 80 % of meer van de totale verkochte hoeveelheid verkocht was tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger dan de berekende productiekosten ("winstgevende verkoop" genoemd) en de gewogen gemiddelde prijs van die soort gelijk was aan of hoger dan de productiekosten werd de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde prijs van de gehele in het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid, zelfs indien niet de gehele verkoop met winst was geschied. Wanneer de met winst verkochte hoeveelheid minder dan 80 %, doch meer dan 10 % van de totale verkochte hoeveelheid bedroeg, werd de normale waarde uitsluitend op de gewogen gemiddelde prijs van de met winst verkochte producten gebaseerd.
(22) Wanneer de met winst verkochte hoeveelheid van een bepaalde soort minder dan 10 % van de totale verkochte hoeveelheid bedroeg, werd ervan uitgegaan dat deze soort niet in voldoende hoeveelheden was verkocht om de binnenlandse prijs als een passende grondslag voor de vaststelling van de normale waarde te beschouwen.
(23) Wanneer geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijzen van een bepaalde door een producent/exporteur verkochte soort, werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde prijs die door andere producenten in het betrokken land in het onderzoektijdvak was aangerekend voor producten die in het kader van normale handelstransacties in representatieve hoeveelheden waren verkocht, voorzover dergelijke gegevens beschikbaar waren.
(24) Wanneer van een bepaalde soort onvoldoende hoeveelheden waren verkocht en de andere producenten in het betrokken land evenmin representatieve hoeveelheden op hun binnenlandse markt hadden verkocht, werd de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, berekend door de, zo nodig gecorrigeerde, fabricagekosten van de uitgevoerde soorten te verhogen met een redelijk percentage voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en een redelijke winstmarge. De Commissie heeft te dien einde onderzocht of de VAA-kosten en de winstmarge van elke betrokken producent/exporteur op de binnenlandse markt betrouwbare gegevens waren.
(25) De VAA-kosten op de binnenlandse markt werden betrouwbaar geacht wanneer de door de betrokken onderneming op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheden van het soortgelijke product als representatief konden worden beschouwd. De winstmarge op de binnenlandse markt werd vastgesteld aan de hand van de binnenlandse verkoop van het betrokken product in het kader van normale handelstransacties als omschreven in overweging 21.
b) Exportprijs
(26) In alle gevallen waarin staalkabel naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was uitgevoerd, werd de exportprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen vastgesteld.
(27) Wanneer de staalkabel aan gelieerde importeurs was verkocht, werd de exportprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, berekend aan de hand van de prijs waartegen dit product voor het eerst aan een onafhankelijke koper was wederverkocht. In dergelijke gevallen werden correcties toegepast voor alle kosten tussen invoer en wederverkoop en voor winst. Omdat de informatie die de enige medewerkende onafhankelijke importeur had verstrekt onvolledig was, werd de winstmarge van de importeur vastgesteld aan de hand van de gegevens die medewerkende onafhankelijke importeurs van het betrokken product in het kader van een eerdere procedure in verband met hetzelfde product(5) hadden verstrekt en die redelijk werden geacht voor de werkzaamheden die deze partijen verrichten. De aldus vastgestelde winstmarge bedraagt 5 %.
c) Vergelijking
(28) Teneinde een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de exportprijs mogelijk te maken, werden correcties toegepast voor verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.
d) Dumpingmarge voor de onderzochte ondernemingen
(29) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werden de dumpingmarges vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde per soort staalkabel met de gewogen gemiddelde exportprijs af fabriek in hetzelfde handelsstadium. Wanneer voor verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken systematisch andere exportprijzen werden vastgesteld en de bovenomschreven methode niet de volledige dumpingmarge weergaf, werd de gewogen gemiddelde normale waarde met de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap vergeleken.
e) Residuele dumpingmarge
(30) Voor producenten/exporteurs die de vragenlijst niet hadden beantwoord noch zich anderszins kenbaar hadden gemaakt, werd de dumpingmarge, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening, op basis van de beschikbare gegevens vastgesteld.
(31) Voor alle bij het onderzoek betrokken landen werden de uitgevoerde hoeveelheden, zoals door de medewerkende producenten/exporteurs opgegeven, vergeleken met de overeenkomstige gegevens van Eurostat om te bepalen in hoeverre medewerking was verleend.
(32) Voor landen waarvan de exporteurs veel medewerking hadden verleend, werd besloten als residuele dumpingmarge de hoogste dumpingmarge aan te houden die voor een medewerkende producent/exporteur was vastgesteld.
(33) Voor landen waarvan de exporteurs weinig medewerking hadden verleend of waarvan het de Commissie was gebleken dat de haar bekende exporteurs bewust geen medewerking aan het onderzoek hadden verleend, werd eveneens gebruikgemaakt van informatie van de medewerkende producent/exporteur met de hoogste dumpingmarge. In dit geval werd als residuele dumpingmarge evenwel de hoogste dumpingmarge aangehouden die was vastgesteld voor in representatieve hoeveelheden verkochte soorten van die medewerkende producent/exporteur. Deze werkwijze werd gevolgd omdat er geen reden is om aan te nemen dat niet-medewerkende producenten/exporteurs in het betrokken land zich in mindere mate aan dumping schuldig hebben gemaakt dan medewerkende producenten/exporteurs in hetzelfde land.
(34) Voorts werd het noodzakelijk geacht deze werkwijze ten aanzien van niet-medewerkende producenten/exporteurs te volgen om te voorkomen dat het niet-verlenen van medewerking zou worden beloond.
2. Tsjechië
(35) Twee ondernemingen hebben de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Het antwoord van één producent/exporteur in Tsjechië was evenwel te onvolledig om de Commissie in staat te stellen redelijk nauwkeurige conclusies te trekken. Zo heeft deze producent/exporteur geen gecontroleerde rekeningen noch andere financiële staten overgelegd en geen informatie verstrekt over de productiekosten of, behoudens globale cijfers, de uitvoer naar de Gemeenschap en de verkoop op de binnenlandse markt van het betrokken product. Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening werd de betrokken onderneming ervan in kennis gesteld dat de door haar verstrekte informatie ontoereikend was en in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Deze onderneming heeft de ontbrekende gegevens evenwel niet verstrekt en werd daarom medegedeeld dat de voorlopige bevindingen voor haar, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening, op de beschikbare gegevens zouden worden gebaseerd. De Commissie heeft overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de basisverordening afgezien van een controlebezoek bij deze producent/exporteur. Voor deze onderneming werd een residuele dumpingmarge vastgesteld als omschreven in overweging 33.
a) Normale waarde
(36) Voor de soorten die in de Gemeenschap en op de binnenlandse markt in representatieve hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties waren verkocht, werden de normale waarden, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening, vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoopprijzen.
(37) Omdat vergelijkbare soorten op de binnenlandse markt in onvoldoende hoeveelheden waren verkocht en een andere producent/exporteur in Tsjechië geen medewerking verleende, werden de normale waarden voor de meeste soorten berekend, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. De fabricagekosten van deze uitgevoerde soorten werden verhoogd met de eigen VAA-kosten van de onderneming en haar winstmarge op de binnenlandse verkoop van het betrokken product in het kader van normale handelstransacties.
b) Exportprijs
(38) Alle door de betrokken producent/exporteur naar de Gemeenschap uitgevoerde producten werden hetzij rechtstreeks hetzij via diens gelieerde exporteur aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap verkocht. Dientengevolge werd als exportprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, de werkelijk betaalde of te betalen prijs aangehouden bij uitvoer naar de Gemeenschap.
c) Vergelijking
(39) Voorzover toepasselijk en gerechtvaardigd werden correcties toegestaan voor verschillen in handelsstadia en in de kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van verpakking en kredietverlening.
(40) Omdat een gelieerde exporteur dezelfde functie vervult als een tussenpersoon die op commissiebasis werkt, werd een correctie van 5 % voor VAA-kosten en winst in mindering gebracht op de prijzen die de gelieerde tussenpersoon aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap in rekening had gebracht. Dit cijfer werd geraamd op basis van de commissies die twee Koreaanse producenten/exporteurs bij transacties met het betrokken product aan niet-gelieerde vertegenwoordigers hadden betaald. Dit cijfer werd redelijk geacht gezien de mate van betrokkenheid van de gelieerde handelaar bij de verkoopactiviteiten van de exporteur.
d) Dumpingmarge
(41) De gewogen gemiddelde normale waarde van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort van het betrokken product werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening met de gewogen gemiddelde exportprijs van de overeenkomstige soort vergeleken. Hoewel was gebleken dat voor verschillende afnemers, gebieden en tijdvakken verschillende prijzen waren aangerekend, gaf deze methode de volledige omvang van de dumping weer.
(42)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(43) Omdat een bekende producent/exporteur bewust geen medewerking verleende aan het onderzoek, werd de voorlopige residuele dumpingmarge voor Tsjechië vastgesteld volgens de in overweging 33 uiteengezette methode voor landen waarvan de producenten/exporteurs weinig medewerking verleenden. De aldus berekende residuele dumpingmarge is 66 %.
3. Republiek Korea
(44) Gezien het grote aantal Koreaanse producenten/exporteurs dat in de klacht was vermeld en de bij artikel 6, lid 9, van de basisverordening vastgestelde termijnen was de Commissie aanvankelijk voornemens de dumping voor Korea overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening op basis van een steekproef van exporteurs te onderzoeken. Slechts drie producenten/exporteurs hebben evenwel, binnen de in het bericht van inleiding gestelde termijn van 15 dagen na publicatie van het bericht, de gevraagde informatie verstrekt. Het werd daarom niet nodig geacht van een steekproef gebruik te maken. Deze drie ondernemingen hebben de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Een importeur die banden had met een van de producenten/exporteurs heeft bovendien de vragenlijst voor gelieerde importeurs beantwoord.
a) Normale waarde
(45) Een Koreaanse producent/exporteur die de grondstof (draad) van een gelieerde onderneming betrekt, verzocht de Commissie bij de berekening van de productiekosten van het betrokken product gebruik te maken van de kosten die de gelieerde onderneming bij de productie van de grondstof maakt. Dit verzoek werd afgewezen omdat deze kosten in de rekeningen van de onderneming waren geboekt tegen een aankoopprijs die een prijs tussen niet-gelieerde partijen bleek te zijn en waarvan dus redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze de productiekosten weergeeft.
(46) Een andere producent/exporteur heeft niet alle VAA-kosten in verband met de productie en de verkoop van het betrokken product opgegeven. Omdat deze onderneming naar best vermogen had gehandeld en de medegedeelde gegevens verifieerbaar waren, was de Commissie in staat de in de vragenlijst medegedeelde gegevens te corrigeren aan de hand van de ter plaatse verkregen en geverifieerde informatie.
(47) Voor de meeste naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoopprijs van vergelijkbare soorten.
(48) Voor andere naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten staalkabel werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde prijzen van andere producenten in het betrokken land bij de verkoop van die soort in representatieve hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties.
(49) Voor de overige soorten werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening.
b) Exportprijs
(50) Een groot deel van de naar de Gemeenschap uitgevoerde staalkabel werd rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers verkocht. Voor deze producten werd de exportprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de prijzen die bij uitvoer naar de Gemeenschap daadwerkelijk waren of dienden te worden betaald.
c) Vergelijking
(51) Voorzover toepasselijk en gerechtvaardigd, werden correcties toegestaan voor verschillen in fysieke kenmerken, invoerheffingen, kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kosten voor kredietverlening en commissielonen.
(52) Een producent/exporteur verzocht om een correctie voor verschillen in handelsstadium. Volgens deze onderneming dienden, bij de berekening van de normale waarde, de indirecte kosten bij verkoop op de binnenlandse markt op dezelfde wijze op de binnenlandse prijs in mindering te worden gebracht als, bij de berekening van de exportprijs, de kosten bij verkoop in mindering worden gebracht op de wederverkoopprijs voor zijn gelieerde importeur in de Gemeenschap. Als alternatieve oplossing stelde deze onderneming de Commissie voor de uitgevoerde hoeveelheden die via zijn gelieerde importeur in de Gemeenschap waren verkocht buiten beschouwing te laten.
(53) Deze verzoeken konden niet worden ingewilligd. Het optreden van een gelieerde importeur is op zich geen reden om bepaalde kosten in mindering te brengen bij de vaststelling van de normale waarde. De vaststelling van de exportprijs en de vergelijking van de exportprijs met de normale waarde, zijn twee afzonderlijke berekeningen waarvoor specifieke regels gelden. In het kader van de voorlopige bevindingen werden geen verschillen in handelsstadia vastgesteld tussen de verkoop voor uitvoer en de verkoop op de binnenlandse markt. Ten slotte wordt erop gewezen dat de via de gelieerde importeur naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden aanzienlijk waren.
(54) Dezelfde onderneming verzocht om een correctie van zowel de binnenlandse prijs als de exportprijs voor verschillen met betrekking tot andere factoren, zoals de door de onderneming gemaakte kosten van inspecties en uitbestede werkzaamheden (voor lengtesnijden van kabels of bevestigen van hulpstukken) om aan de wensen van bepaalde afnemers te voldoen. Het leek dienstig deze correctie voor verschillen in fysieke kenmerken toe te staan. De toegestane correctie is gebaseerd op een redelijke raming van de marktwaarde van het door de Commissie vastgestelde verschil.
d) Dumpingmarge
(55) De gewogen gemiddelde normale waarde van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort van het betrokken product werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening met de gewogen gemiddelde exportprijs van die soort vergeleken.
(56)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(57) De drie producenten/exporteurs zijn volgens de invoercijfers van Eurostat goed voor de volledige uitvoer van het betrokken product uit Korea naar de Gemeenschap. Om te bepalen of de dumpingmarge voor het gehele land minimaal was, werd een gewogen gemiddelde dumpingmarge vastgesteld. Deze bedroeg 1,2 %.
4. Maleisië
(58) Een onderneming heeft de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Een onderneming in de Gemeenschap die banden heeft met deze producent/exporteur heeft bovendien de vragenlijst voor gelieerde importeurs beantwoord.
a) Normale waarde
(59) Voor de meeste naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten van het betrokken product werd de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening, vastgesteld aan de hand van de verkoopprijs op de binnenlandse markt van de vergelijkbare soort.
(60) Voor de overige soorten werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening.
b) Exportprijs
(61) Een groot deel van de uitvoer naar de Gemeenschap verliep via een gelieerde exporteur. Voor de aldus uitgevoerde producten werd de exportprijs berekend overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening.
c) Vergelijking
(62) Voorzover toepasselijk en gerechtvaardigd, werden correcties toegestaan voor verschillen in fysieke kenmerken, invoerheffingen, kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van verpakking en kredietverlening en voor commissielonen.
(63) De medewerkende producent/exporteur verzocht om dezelfde reden als een van de medewerkende Koreaanse producenten/exporteurs om een correctie voor verschillen in handelsstadium. Er bleken evenwel geen verschillen in handelsstadium te zijn bij de verkoop op de binnenlandse markt en de uitvoer. Dit verzoek kon om de in overweging 53 uiteengezette redenen niet worden ingewilligd.
d) Dumpingmarge
(64) De gewogen gemiddelde normale waarde van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort van het betrokken product werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs van de overeenkomstige soort.
(65)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(66) Bij vergelijking met de gegevens van Eurostat blijkt dat deze producent/exporteur goed is voor de volledige uitvoer van het betrokken product uit Maleisië naar de Gemeenschap. De voor deze producent/exporteur vastgestelde voorlopige dumpingmarge geldt derhalve voor het gehele land.
5. Thailand
(67) Eén onderneming heeft de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Twee ondernemingen in de Gemeenschap die banden hebben met deze producent/exporteur hebben bovendien de vragenlijst voor gelieerde importeurs beantwoord.
a) Normale waarde
(68) De Thaise producent/exporteur, die zijn grondstof (staaldraad) eveneens van een gelieerde onderneming in India aankoopt tegen een prijs die hoger is dan de geldende marktprijs, verzocht de Commissie bij de berekening van de fabricagekosten zoveel mogelijk de prijs aan niet-gelieerde partijen te gebruiken en dit zowel bij het onderzoek naar de vraag of de verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden als bij de berekening van de normale waarde. Dit verzoek werd ingewilligd omdat de aankoopprijs een interne verrekenprijs bleek te zijn die niet louter overeenstemde met de kosten van productie en verkoop.
(69) Voor de meeste naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de verkoopprijs van vergelijkbare soorten op de binnenlandse markt.
(70) Voor de overige soorten werd de normale waarde berekend, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening.
b) Exportprijs
(71) De gehele verkoop van staalkabel in de Gemeenschap verliep via gelieerde importeurs. Overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werden de exportprijzen daarom berekend.
c) Vergelijking
(72) Voorzover toepasselijk en gerechtvaardigd, werden correcties toegestaan voor verschillen in fysieke kenmerken, invoerheffingen, kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van verpakking, kredietverlening en commissielonen.
(73) De producent/exporteur verzocht om een correctie van de normale waarde voor de financieringskosten van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening. Volgens deze producent zou de overheid de BTW met aanzienlijke vertraging terugbetalen waardoor hij bijkomende financieringskosten diende te maken voor de niet-terugbetaalde BTW. Dit verzoek kon niet worden ingewilligd omdat de onderneming niet kon aantonen dat deze factor van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen en met name dat de prijzen op de binnenlandse markt als gevolg van deze factor voortdurend verschillen van de prijzen bij uitvoer. De financieringskosten voor de BTW zijn immers gewone bedrijfskosten.
d) Dumpingmarge
(74) De dumpingmarge werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening vastgesteld door de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs te vergelijken.
(75)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(76) Omdat weinig medewerking was verleend (de medewerkende producenten/exporteurs vertegenwoordigden minder dan 80 % van de uitvoer van het betrokken product uit Thailand naar de Gemeenschap) werd als voorlopige residuele dumpingmarge de hoogste dumpingmarge aangehouden die voor representatieve transacties van de medewerkende producent/exporteur was vastgesteld. Deze marge is 42,8 % van de prijs franco grens Gemeenschap, voor inklaring.
6. Turkije
(77) Twee ondernemingen hebben de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord.
a) Normale waarde
(78) Voor sommige soorten kon de normale waarde, volgens de gebruikelijke methode, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening aan de hand van de binnenlandse prijs van vergelijkbare soorten worden vastgesteld. Het onderzoek naar de representativiteit van de verkoop en ter beantwoording van de vraag of de verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden werd, gezien de hoge inflatie in Turkije in het onderzoektijdvak, op maandbasis uitgevoerd.
(79) Voor alle andere soorten van het betrokken product die door de medewerkende ondernemingen naar de Gemeenschap waren uitgevoerd, werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. De fabricagekosten werden verhoogd met de eigen VAA-kosten van de ondernemingen op hun binnenlandse markt en de winstmarge op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties. Gezien de hoge inflatie werden de normale waarden in het onderzoektijdvak per maand berekend.
b) Exportprijs
(80) Het betrokken product werd door de medewerkende ondernemingen uitsluitend aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap verkocht. De exportprijs werd derhalve, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.
c) Vergelijking
(81) Voorzover toepasselijk en gerechtvaardigd, werden correcties toegestaan voor verschillen in invoerheffingen en indirecte belastingen, kortingen, rabatten en hoeveelheden, kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van kredietverlening, technische bijstand en commissielonen.
(82) Een producent/exporteur verzocht, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening, om een correctie van de normale waarden voor een belasting van 3 % op de invoer van grondstoffen die met uitstel van betaling waren aangekocht, daar deze belasting niet zou worden geheven van grondstoffen waarvan voor uitvoer bestemde staalkabel wordt gemaakt. Bij het onderzoek ter plaatse bleek dat ondernemingen aan het begin van het jaar een vergunning krijgen om een bepaalde hoeveelheid grondstoffen vrij van deze belastingen in te voeren, op basis van de uitvoer van het eindproduct in het afgelopen jaar, ongeacht of deze grondstoffen in producten voor de binnenlandse markt dan wel in uitvoerproducten worden verwerkt. Er kon dus niet worden vastgesteld of deze belasting was betaald bij de invoer van grondstoffen die fysiek in op de binnenlandse markt verkochte staalkabel zijn verwerkt. Dit verzoek werd derhalve afgewezen.
(83) Een producent/exporteur verzocht, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening, om een correctie op de binnenlandse prijs voor verschillen in handelsstadium met het argument dat bij uitvoer naar de Gemeenschap aan kleinhandelaren werd verkocht, terwijl op de binnenlandse markt zowel aan kleinhandelaren als aan eindgebruikers werd verkocht. Deze correctie werd niet toegestaan omdat de onderneming niet kon aantonen dat er steeds duidelijke verschillen in prijzen en functies waren op de binnenlandse markt voor de beweerde verschillen in handelsstadia. De andere producent/exporteur gaf een beschrijving van zijn distributiekanalen in de Gemeenschap en op de binnenlandse markt en verzocht om een correctie zonder evenwel uiteen te zetten hoe een en ander de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloedde. Bovendien bleek uit de toelichting die ter plaatse werd verstrekt dat zijn distributiekanaal in de Gemeenschap niet met de oorspronkelijk gegeven beschrijving overeenstemde. Dientengevolge werd in dit stadium van het onderzoek geen correctie toegepast.
(84) De door één producent/exporteur gevraagde correctie voor verschillen in de directe kosten voor het verstrekken van garanties werd ten dele geweigerd voor het bedrag dat in werkelijkheid overeenstemde met de uitgaven voor bankgaranties. Dergelijke kosten zijn normale bedrijfskosten waarvoor geen correctie kan worden toegepast. Dit verzoek had bovendien ook betrekking op teruggezonden producten, waarvan de prijs reeds in mindering was gebracht op de prijs van de desbetreffende transacties.
(85) Beide producenten/exporteurs verzochten overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder j), om twee correcties voor de omrekening van valuta's. Deze verzoeken werden als volgt gemotiveerd: i) de exportprijzen, uitgedrukt in euro of in de valuta's van de lidstaten die van de euro gebruikmaken, dienen eerst in US-dollar te worden omgezet omdat de prijzen op de binnenlandse markt in dollars luiden. Hiervoor dient de wisselkoers van 60 dagen voor de factuurdatum (of bij voorkeur, voor een producent/exporteur, het begin van het onderzoektijdvak) te worden gebruikt vanwege de voortdurende waardevermindering van de euro ten opzichte van de US-dollar; ii) vervolgens dienen de exportprijzen volgens de op de betaaldatum geldende wisselkoers van US-dollar in Turkse lire te worden omgezet.
(86) Wat het eerste verzoek betreft, wordt opgemerkt dat zelfs indien de prijslijst voor de binnenlandse markt in US-dollar luidt om te voorkomen dat deze, gezien de hoge inflatie, voortdurend moet worden herzien, de Turkse lire werd gebruikt voor de facturering en bij betalingen op de binnenlandse markt. Daar de euro voor de prijsvergelijking in Turkse lire moest worden omgezet, was de Commissie van oordeel dat voor de vergelijking van de exportprijzen en de binnenlandse prijzen de wisselkoers Turkse lire/euro moest worden gebruikt en dat het eerste verzoek derhalve niet kon worden ingewilligd. De Commissie kon het tweede verzoek van de ondernemingen evenmin inwilligen. Artikel 2, lid 10, onder j), van de basisverordening laat exporteurs enige tijd om hun exportprijzen aan duurzame veranderingen van de wisselkoersen aan te passen. Dit artikel voorziet evenwel niet in een correctie voor wisselkoersschommelingen die zich na de verkoopdatum voordoen.
(87) Beide producenten/exporteurs verzochten om een correctie van de normale waarden, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening, voor de kosten in verband met de financiering van de BTW vanaf de datum waarop deze verschuldigd wordt (25e van de maand volgende op de verkoop) tot de datum waarop deze door de binnenlandse afnemer moet worden voldaan. Dit verzoek kon niet worden ingewilligd omdat de betrokken ondernemingen niet konden aantonen dat deze factor van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen en in het bijzonder dat op de binnenlandse markt als gevolg van deze factor steeds andere prijzen waren betaald dan bij uitvoer. De financieringskosten van de BTW behoren tot de normale bedrijfskosten.
(88) Een producent/exporteur verzocht ten slotte om correctie van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k), met het argument dat in tegenstelling tot de uitvoer naar de Gemeenschap, de verkoop op de binnenlandse markt onregelmatig en in kleine hoeveelheden plaatsvond. Dit verzoek werd voorlopig afgewezen omdat de betrokken onderneming dit verschil niet kon kwantificeren en niet kon aantonen dat deze factor van invloed was op de vergelijkbaarheid van de prijzen en in het bijzonder dat op de binnenlandse markt als gevolg van deze factor steeds andere prijzen waren betaald dan bij uitvoer.
d) Dumpingmarge
(89) De gewogen gemiddelde normale waarde van elke naar de Gemeenschap uitgevoerde soort van het betrokken product werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening met de gewogen gemiddelde exportprijs van de overeenkomstige soort vergeleken. Hoewel volgens beide producenten/exporteurs verschillende prijzen waren toegepast voor de verschillende afnemers, gebieden en tijdvakken, is de Commissie van oordeel dat de aldus berekende dumpingmarge de dumping geheel weergeeft.
(90)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(91) Omdat veel medewerking werd verleend (de medewerkende producenten/exporteurs waren goed voor meer dan 80 % van de uitvoer van het betrokken product uit Turkije naar de Gemeenschap) werd als voorlopige residuele dumpingmarge de hoogste dumpingmarge aangehouden die voor een medewerkende onderneming was vastgesteld, namelijk 58,1 %.
7. Rusland
a) Algemene aspecten
i) Onderzoek of ondernemingen op marktvoorwaarden werkten
(92) Twee Russische ondernemingen verzochten overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening om toekenning van de status van marktgerichte onderneming. Eén van deze Russische ondernemingen heeft het antwoord op de vragenlijst voor producenten/exporteurs in de betrokken landen na de gestelde termijn ingediend zonder daarvoor enige aanvaardbare reden op te geven en nadat tweemaal een verlenging van een week was toegestaan. Bovendien was het antwoord duidelijk ontoereikend. Deze onderneming heeft namelijk geen opgave gedaan van haar uitvoer naar de Gemeenschap of van haar verkoop op de binnenlandse markt noch heeft zij de vereiste informatie betreffende de productiekosten verstrekt. Deze onderneming werd derhalve als een niet-medewerkende onderneming beschouwd en werd ervan in kennis gesteld dat de bevindingen wat haar betreft (als onderdeel van de vaststelling van het residuele recht) overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening op de beschikbare gegevens gebaseerd zouden worden. Het verzoek om toekenning van de status van marktgerichte onderneming/individuele behandeling werd derhalve afgewezen. Voorts heeft deze onderneming geen gehoor gegeven aan het verzoek om aanvullende informatie en toelichting op haar verzoek ter verkrijging van de status van marktgerichte onderneming/een individuele behandeling.
(93) Voor de andere onderneming die een verzoek om toekenning van de status van marktgerichte onderneming heeft ingediend, heeft de Commissie alle noodzakelijk geachte informatie ingewonnen en ter plaatse geverifieerd.
(94) Deze onderneming bleek niet te voldoen aan meerdere in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening neergelegde criteria. Zij had een aantal met elkaar strijdige basisboekhoudingen, sommige kosten stemden niet grotendeels overeen met de marktwaarde en sommige betalingen werden via schuldcompensatie verricht.
(95) Beide ondernemingen werden dientengevolge, na raadpleging van het Raadgevend Comité, ervan in kennis gesteld dat hun verzoeken om toekenning van de status van marktgerichte onderneming niet konden worden ingewilligd.
ii) Keuze van een referentieland
(96) Omdat geen enkele Russische producent/exporteur aan de criteria voldeed om als marktgerichte onderneming te worden beschouwd, dienden de exportprijzen van deze producenten/exporteurs, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, met de normale waarden in een vergelijkbaar land met markteconomie te worden vergeleken.
(97) De indiener van de klacht stelde voor Tsjechië als referentieland te nemen. De Commissie had in het bericht van inleiding Tsjechië of Brazilië voorgesteld. Twee Russische producenten/exporteurs verklaarden zich binnen de gestelde termijn voorlopig akkoord met de voorgestelde landen en deelden mede dat zij ook ZuidKorea als referentieland zouden kunnen aanvaarden. De indiener van de klacht had enige bedenkingen bij Brazilië als referentieland omdat dit land zeer hoge douanerechten kent. De indiener van de klacht bevestigde dat Tsjechië naar zijn oordeel een passende keuze was en stelde ook Canada als alternatief voor.
(98) Geen enkele van de Braziliaanse producenten met wie de Commissie contact heeft opgenomen, heeft het verzoek om medewerking beantwoord. De Commissie heeft eveneens, doch zonder succes, getracht de Canadese producenten tot medewerking te bewegen. Andere bekende producerende landen kwamen niet in aanmerking, hetzij omdat de invoer van het betrokken product uit deze landen momenteel aan antidumpingmaatregelen onderworpen is, hetzij omdat bij het vorige onderzoek was vastgesteld dat deze landen om redenen die nog steeds golden niet geschikt waren als referentieland (d.w.z. weinig mededinging in Noorwegen, geen samenwerking in de Verenigde Staten van Amerika)(6).
(99) De medewerkende producent/exporteur in Tsjechië verkocht op de binnenlandse markt meestal andere soorten van het betrokken product dan de Russische producenten naar de Gemeenschap uitvoerden.
(100) De Commissie heeft daarom onderzocht of een van de andere bij het onderzoek betrokken landen als referentieland kon worden gebruikt. De Republiek Korea werd geacht het meest geschikte referentieland te zijn, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Ten eerste is de Zuid-Koreaanse markt een van de grootste in omvang en wordt zij gekenmerkt door een groot aantal concurrerende lokale producenten en ten tweede is de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt van Zuid-Korea het best vergelijkbaar met de uitvoer uit Rusland naar de Gemeenschap wat soorten en hoeveelheden betreft. De belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening ervan in kennis gesteld dat de Republiek Korea als referentieland zou worden genomen. Hiertegen werden geen bezwaren gemaakt.
iii) Individuele behandeling
(101) Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening behoort het tot de normale praktijk van de instellingen van de Gemeenschap om voor landen zonder markteconomie een voor het gehele land geldend recht vast te stellen, tenzij de producenten/exporteurs kunnen aantonen dat zij rechtens en feitelijk een mate van onafhankelijkheid genieten die vergelijkbaar is met die in een land met markteconomie, in welke gevallen het gerechtvaardigd wordt geacht geen voor het gehele land geldend recht vast te stellen. In dit verband werd een aantal gerichte vragen opgenomen in het formulier voor het aanvragen van de status van marktgerichte onderneming dat bij de inleiding van de procedure aan de belanghebbenden werd gezonden.
(102) De twee producenten/exporteurs die de status van marktgerichte onderneming hebben aangevraagd, verzochten bovendien om een individuele behandeling, voor het geval dat de eerstgenoemde aanvraag zou worden afgewezen.
(103) Het verzoek om een individuele behandeling van een van de ondernemingen werd geweigerd omdat deze geen medewerking had verleend, waardoor de bevindingen wat haar betreft (als onderdeel van de vaststelling van een residuele recht), overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening, op de beschikbare gegevens zouden worden gebaseerd (zie overweging 92).
(104) Wat de andere aanvrager betreft, heeft de Commissie alle noodzakelijk geachte informatie ingewonnen, de door deze aanvrager verstrekte gegevens ter plaatse geverifieerd en geanalyseerd aan de hand van de hiernavolgende criteria voor de individuele behandeling(7):
- het eerste criterium (mogelijkheid kapitaal en winst te repatriëren) is in dit geval niet relevant omdat de vennootschap op aandelen Cherepovetsky Staleprokatny Zavod (JSC CHSPZ) geheel in Russische handen is;
- de exportprijzen en de hoeveelheden bleken vrij te kunnen worden vastgesteld; de meerderheid van de aandelen van de onderneming die de aanvraag had ingediend en van de moedermaatschappijen tot twee niveaus hoger zijn in handen van particulieren;
- JSC CHSPZ past de wisselkoers van de Centrale Bank van de Russische Federatie toe die door de internationale valutamarkt van Moskou wordt vastgesteld;
- de overheid heeft geen bemoeienis met het beheer van de onderneming, de moedermaatschappij of de belangrijkste aandeelhouder van de moedermaatschappij.
(105) Aan deze onderneming wordt derhalve een individuele behandeling toegekend.
b) Normale waarde
(106) De normale waarde voor de Russische producenten/exporteurs werd volgens de in de overwegingen 47, 48 en 49 omschreven methode berekend op basis van de normale waarden die voor de medewerkende Koreaanse ondernemingen waren vastgesteld. Deze berekening werd gemaakt voor de op de binnenlandse markt van Korea verkochte soorten die vergelijkbaar bleken te zijn met de uit Rusland naar de Gemeenschap uitgevoerde soorten.
c) Exportprijs
(107) Voor de medewerkende producent/exporteur werd de exportprijs op basis van de betaalde of te betalen prijzen vastgesteld.
d) Vergelijking
(108) Indien van toepassing werd de exportprijs gecorrigeerd voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van verpakking, kredietverlening en commissielonen. Omdat de kosten in een land zonder markteconomie niet kunnen worden gebruikt voor het vaststellen van de prijzen, op basis waarvan de exportprijzen en de normale waarde met elkaar worden vergeleken, werd de correctie van de exportprijzen voor verschillen in de kosten van vervoer en aanverwante kosten (op- en overslag en aanverwante kosten) in Rusland, op de kosten in het referentieland gebaseerd.
(109) Teneinde een billijke vergelijking op het niveau af-fabriek mogelijk te maken, werden bovendien correcties op de normale waarden toegepast die waren vastgesteld op basis van de normale waarden van de medewerkende Koreaanse ondernemingen, namelijk voor fysieke kenmerken (met inbegrip van de geraamde marktwaarde van de algemene kwaliteitsverschillen tussen het in Korea vervaardigde en op de binnenlandse markt van dat land verkochte product en het in Rusland vervaardigde en naar de Gemeenschap uitgevoerde product), invoerheffingen, vervoer, verzekering, op- en overslag en aanverwante kosten, kosten van verpakking, kredietverlening en commissielonen.
e) Dumpingmarge
(110) Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het betrokken product die naar de Gemeenschap was uitgevoerd, vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs van de overeenkomstige soort.
(111)
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
(112) Omdat een bekende producent/exporteur bewust geen medewerking verleende aan het onderzoek werd de voorlopige residuele dumpingmarge voor Rusland vastgesteld volgens de in overweging 33 omschreven methode voor landen waarvan de ondernemingen weinig medewerking hebben verleend. De aldus vastgestelde residuele dumpingmarge bedraagt 50,7 %.
8. Conclusie inzake dumping
(113) De Commissie heeft aanzienlijke dumpingmarges vastgesteld voor alle medewerkende ondernemingen in Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije. Voor de Republiek Korea en Maleisië werden minimale dumpingmarges vastgesteld.
C. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP
1. Productie van de Gemeenschap
(114) Het betrokken product wordt in de Gemeenschap vervaardigd door:
- producenten namens wie de klacht is ingediend of deze steunden en die medewerking verleenden aan het onderzoek (zie overweging 118 hieronder);
- producenten namens wie de klacht is ingediend, maar die in het kader van deze procedure niet als medewerkende ondernemingen konden worden beschouwd (zie overweging 120 hieronder);
- andere producenten namens wie geen klacht was ingediend, maar die wel algemene informatie hebben verstrekt of die zich niet tegen de procedure hebben verzet.
(115) De Commissie stelde vast dat acht klagende/de klacht steunende EG-producenten in het onderzoektijdvak staalkabel bij verscheidene leveranciers buiten de Gemeenschap hadden aangekocht, ook in de betrokken landen. In vergelijking met de omvang van de productie was de totale omvang van de invoer evenwel te verwaarlozen (in het onderzoektijdvak namelijk minder dan 1 % van de geproduceerde hoeveelheid), terwijl de invoer uit de betrokken landen in het onderzoektijdvak minder dan 0,5 % bedroeg van de productie van staalkabel van de klagende/de klacht steunende EG-producenten. De Commissie was daarom van oordeel dat deze aankoop in overeenstemming was met normale handelspraktijken van producenten die hun eigen reeks producten met kleine aangekochte hoeveelheden aanvullen. Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat er geen redenen waren één van deze EG-producenten van de totale productie van de Gemeenschap uit te sluiten.
(116) De door al deze ondernemingen geproduceerde staalkabel is daarom de productie van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.
2. Omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap
(117) Na onderzoek of de medewerkende EG-producenten die de klacht hadden ingediend of deze steunden een groot deel vertegenwoordigden van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap is de Commissie tot de conclusie gekomen dat deze in het onderzoektijdvak goed waren voor 70,6 % van de totale productie van staalkabel in de Gemeenschap. De Commissie is daarom van oordeel dat de medewerkende EG-producenten die de klacht steunen de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Zij worden hierna "de bedrijfstak van de Gemeenschap" genoemd.
(118) De volgende EG-producenten vormen de bedrijfstak van de Gemeenschap:
- Bridon International, Retford, Verenigd Koninkrijk
- BTS Drahtseile GmbH, Duitsland
- Cables y Alambres Especiales, SA, Spanje
- CASAR Drahtseilwerk Saar GmbH, Duitsland
- Cordoaria Oliveira Sá - Manuel Rodrigues de Oliveira Sá & Filhos, SA, Portugal
- Drahtseilerei Gustav Kocks GmbH & Co., Duitsland
- Drahtseilwerk GmbH, Duitsland
- Drahtseilwerk Hemer GmbH & Co. KG, Duitsland
- Hamburger Drahtseilerei A. Steppuhn GmbH, Duitsland
- Metal Press SRL, Italië
- Randers Rebslaaeri A/S, Denemarken
- Redaelli Tecna Cordati SpA, Italië
- Trefileurope, Frankrijk
- Trenzas y Cables, SL, Spanje
- Vereinigte Drahtseilwerke GmbH, Duitsland
- Voest-Alpine Austria Draht GmbH, Oostenrijk
- Wadra GmbH, Duitsland.
(119) Drahtseilwerk Hemer GmbH & Co. KG is eerst in januari 2000 met de productie van staalkabel begonnen en kon daarom geen gegevens verstrekken over de schadebeoordelingsperiode. De door deze onderneming verstrekte informatie werd daarom buiten beschouwing gelaten.
3. Andere EG-producenten
(120) Vijf producenten die lid waren van de organisatie, EWRIS, die de klacht heeft ingediend, maar die geen medewerking hebben verleend (Iscar SRL, Metalcalvi Wire Ropes SRL, Midland Wire Cordage Co. Ltd, Teufelberger Seil GmbH en Westfälische Drahtindustrie GmbH - Seilfabrik Zwickau) alsmede andere producenten die niet hebben geklaagd maar wel algemene informatie hebben verstrekt of die zich niet tegen de procedure hebben verzet, worden hierna de "andere EG-producenten" genoemd.
D. SCHADE
1. Opmerkingen vooraf
(121) Daar de dumpingmarges voor Korea en Maleisië minimaal bleken te zijn, heeft de analyse van de schade en de oorzaken van de schade betrekking op de andere onderzochte landen, namelijk Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije ("de betrokken landen").
(122) De schadeanalyse moet worden gezien in het licht van de antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1769/1999(8) ten aanzien van het betrokken product werden genomen. Bij genoemde verordening werden definitieve antidumpingrechten ingesteld op het betrokken product uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne.
2. Inwinning van gegevens over schade
(123) De Commissie heeft bij de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap gegevens opgevraagd over de productie, productiecapaciteit, capaciteitsbenutting, verkoop, voorraden en werkgelegenheid in verband met het betrokken product. Gezien het grote aantal producenten die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormden en de bij artikel 6, lid 9, van de basisverordening vastgestelde termijnen, heeft de Commissie de analyse van de overige schade-indicatoren gebaseerd op een steekproef van ondernemingen die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen. Wanneer de genoemde schade-indicatoren uit gegevens van de steekproef zijn afgeleid, wordt dit in deze verordening uitdrukkelijk vermeld. Indien dit niet het geval is, hebben de schade-indicatoren betrekking op informatie die werd ingewonnen bij alle EG-producenten die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormen.
(124) Bij het samenstellen van de steekproef werd rekening gehouden met de plaats van vestiging van de onderneming en de omvang in termen van productie. De steekproef omvatte middelgrote en grote EG-producenten uit zes lidstaten: BTS Drahtseile GmbH, Randers Rebslaaeri A/S, Redaelli Tecna Cordati SpA, Trefileurope, Trenzas y Cables, SL, en Teufelberger Seil GmbH. Laatstgenoemde onderneming verleende echter geen medewerking en werd uit de steekproef verwijderd.
(125) De medewerkende in de steekproef opgenomen ondernemingen waren in 1999 goed voor 51 % van de omvang van de productie van het betrokken product door de bedrijfstak van de Gemeenschap.
3. Zichtbaar verbruik in de Gemeenschap
(126) Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de antwoorden op de vragenlijsten (omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap), de gegevens van Eurostat (omvang van de invoer) en van gegevens die van de indiener van de klacht afkomstig waren (omvang van de verkoop van de andere EG-producenten).
(127) De ontwikkeling van het zichtbare verbruik wordt sterk beïnvloed door het gedrag van importeurs/handelaars (belangrijke voorraadhouders) in de Gemeenschap die als tussenpersonen tussen de producenten en de gebruikers van staalkabel optreden. Het cijfer van het zichtbare verbruik geeft daarom voor een groot deel de aankoop door importeurs/handelaars in de schadebeoordelingsperiode weer en niet noodzakelijkerwijze de aankoop door gebruikers.
(128) Het aldus berekende zichtbare verbruik in de Gemeenschap daalde in de schadebeoordelingsperiode met 6 %, namelijk van 156658 ton in 1997 tot 147963 ton in het onderzoektijdvak. Daar dit verbruik in 1998 met 9 % tot 170922 ton was gestegen, kan de daling tot 147104 ton in 1999 worden verklaard door de verkoop uit de voorraden die de importeurs/handelaars in 1998 hadden opgebouwd. In 1998 is de invoer uit landen die in het daaropvolgende jaar aan antidumpingrechten werd onderworpen met 28 % gestegen, terwijl deze in 1999 en het onderzoektijdvak aanzienlijk daalde. Deze verklaring lijkt overeen te stemmen met het feit dat de sectoren die de voornaamste gebruikers van staalkabel zijn (visserij, mijnbouw en de off-shore-olie- en gaswinning, bouw en liftenbouw) in de schadebeoordelingsperiode een geringe groei hebben gekend, terwijl de visserijsector zelfs is achteruitgegaan.
4. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer
(129) De Commissie heeft onderzocht of de invoer van staalkabel uit de betrokken landen cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.
(130) De dumpingmarge die voor elk van de betrokken landen werd vastgesteld, bleek meer dan minimaal te zijn in de zin van artikel 9, lid 3, van de basisverordening en de omvang van de invoer uit elk van deze landen was niet te verwaarlozen.
(131) Wat de concurrentievoorwaarden betreft bleek bij het onderzoek dat staalkabel uit de betrokken landen, bij een vergelijking per soort, in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken had. Deze staalkabel was onderling verwisselbaar en was in de schadebeoordelingsperiode via vergelijkbare verkoopkanalen en handelsvoorwaarden in de Gemeenschap verkocht. De staalkabel uit de betrokken landen werd daarom geacht met elkaar en met de in de Gemeenschap geproduceerde staalkabel te concurreren.
(132) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is voldaan om de invoer uit de betrokken landen cumulatief te beoordelen.
5. Invoer uit de betrokken landen
a) Omvang van de invoer en marktaandeel van staalkabel uit de betrokken landen
(133) De invoer met dumping van staalkabel uit de betrokken landen in de Gemeenschap steeg voortdurend, namelijk van 5100 ton in 1997, 7233 ton in 1998, 13644 ton in 1999 tot 16052 ton in het onderzoektijdvak, hetgeen neerkomt op een stijging van 215 % in die periode.
(134) Het marktaandeel van staalkabel uit de betrokken landen steeg in de schadebeoordelingsperiode met 7,5 procentpunten, namelijk van 3,3 % in 1997, 4,2 % in 1998, 9,3 % in 1999 tot 10,8 % in het onderzoektijdvak. De grootste stijging vond plaats in 1999 (+ 5,1 procentpunten), in welk jaar antidumpingmaatregelen werden genomen ten aanzien van staalkabel uit sommige andere derde landen.
b) Prijzen van staalkabel uit de betrokken landen
i) Prijsontwikkeling
(135) Volgens Eurostat daalden de prijzen van staalkabel uit de betrokken landen, in euro per kg, in de periode 1997-1998 met 16 % en waren zij daarna min of meer stabiel.
ii) Prijsonderbieding
(136) Om de prijsonderbieding vast te stellen, werd de bedrijfstak van de Gemeenschap en de betrokken producenten/exporteurs verzocht informatie te verstrekken over de verkoopprijzen van verschillende soorten staalkabel die volgens de volgende criteria waren ingedeeld: aantal strengen, aantal draden per streng, ordening van de draden in de streng, kern, materiaal waarvan het draad is gemaakt, treksterkte, draadkenmerken, kabelkenmerken, kabelbedekking en diameter van de kabel.
(137) Gezien het grote aantal EG-producenten in de steekproef en de vele verschillende soorten staalkabel die zowel door de producenten/exporteurs als de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap worden verkocht, heeft de Commissie de soorten gegroepeerd aan de hand van criteria die in de Gemeenschap het meest bepalend waren voor de prijs. Treksterkte werd in dit verband niet in aanmerking genomen, omdat deze factor op zich geen invloed bleek te hebben op de verkoopprijzen.
(138) Voorts werden de prijzen van de producenten/exporteurs gecorrigeerd voor de kosten na invoer (douanerechten, kosten voor binnenlands vervoer en voor op- en overslag), op grond van de met bewijsmateriaal gestaafde gegevens die een onafhankelijke importeur had verstrekt. Voorts werden de prijzen gecorrigeerd voor verschillen in handelsstadium, gezien de kosten die onafhankelijke importeurs moeten maken tussen de invoer en de verkoop af fabriek.
(139) Voor elke soort staalkabel heeft de Commissie de gemiddelde nettoverkoopprijzen (zonder rekening te houden met eventuele kortingen en heffingen) van de producenten/exporteurs en de bedrijfstak van de Gemeenschap vergeleken, berekend aan de hand van de verkoop aan de eerste onafhankelijke importeur in hetzelfde handelsstadium.
(140) De aldus berekende prijsverschillen, in procenten van de gewogen gemiddelde prijs af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat wil zeggen de prijsonderbiedingsmarges, zijn als volgt:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
6. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap
a) Productie, capaciteit en benutting van de capaciteit
(141) De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de schadebeoordelingsperiode met 8 %, namelijk van 107735 ton in 1997 tot 99588 ton in het onderzoektijdvak. In 1998 nam de productie met 6 % toe, maar de verkoopprognoses bleken hoger te zijn dan de daadwerkelijke verkoop waardoor de voorraden toenamen (+ 19 %), terwijl importeurs aanzienlijk meer invoerden, voornamelijk uit de landen die thans aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen. In 1999 daalde de productie met ongeveer 15000 ton gezien de opgebouwde voorraden en de daling van de verkoop. Na het nemen van antidumpingmaatregelen in 1999 is de productie rond de 100000 ton min of meer stabiel gebleven.
(142) De capaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode met 7 % toegenomen, namelijk van 203319 ton in 1997, 209313 ton in 1998, 213984 ton in 1999 tot 216904 ton in het onderzoektijdvak. De capaciteit nam toe door investeringen in nieuwe machines.
(143) De aanschaf van nieuwe machines, gekoppeld aan de aanwezigheid van oude, maar nog bruikbare machines (die soms al volledig waren afgeschreven) en optimale insteltijden en ploegindelingen leidden tot een lage bezettingsgraad in de gehele schadebeoordelingsperiode (53 % in 1997, 55 % in 1998 en 46 % in 1999 en het onderzoektijdvak). Zelfs indien de bedrijfstak van de Gemeenschap ook de hoeveelheden zou produceren die nu vanuit de betrokken landen in de Gemeenschap worden ingevoerd, zou de bezettingsgraad toch slechts ongeveer 55 % bedragen.
b) Voorraden
(144) De eindvoorraad van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode toegenomen van 26136 ton in 1997 tot 29660 ton in het onderzoektijdvak. De voorraden zijn echter na een maximumhoeveelheid van 31208 ton in 1998 gedaald tot 30050 ton in 1999.
c) Groei, omvang van de verkoop en marktaandeel
(145) De vooruitzichten op groei in de Gemeenschap worden beïnvloed door de bescheiden vooruitzichten op groei van de sectoren die staalkabel gebruiken en het vermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met goedkoop staalkabel uit derde landen te concurreren. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon niet geheel profiteren van de daling van de invoer van staalkabel uit landen ten aanzien waarvan in 1999 antidumpingmaatregelen waren genomen, want deze invoer werd grotendeels vervangen door de invoer met dumping uit de bij deze procedure betrokken landen.
(146) De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode met 5 % gedaald, namelijk van 71125 ton in 1997 tot 67671 ton in het onderzoektijdvak (de verkoop was in 1998 tot 72676 ton gestegen alvorens in 1999 tot 66331 ton terug te lopen), ofschoon er tekenen van herstel waren na de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999.
(147) Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode met 0,6 procentpunten gedaald, namelijk van 55,2 % in 1997 tot 50,5 % in 1998 en is in 1999 en het onderzoektijdvak stabiel gebleven (respectievelijk 54,3 % en 54.6 %) - in welke periode het marktaandeel van staalkabel uit de betrokken landen is gestegen. De stijging van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in 1999 werd grotendeels veroorzaakt door een daling van het verbruik na de opbouw van voorraden die juist voor de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999 had plaatsgevonden.
d) Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen - op de steekproef gebaseerde gegevens
(148) De gewogen gemiddelde prijs van staalkabel bij verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode met 8 % gestegen. De prijzen stegen het sterkst in 1999, namelijk met 6 %. De prijsstijging van 1 % in het onderzoektijdvak is bescheiden, gelet op het niveau van de in 1999 genomen antidumpingmaatregelen. De prijs van de grondstof (staaldraad), die 50 % van de fabricagekosten kan uitmaken, daalde in 1999 en is in het onderzoektijdvak gelijk gebleven.
e) Winstgevendheid, rendement op geïnvesteerd vermogen en cash flow - op de steekproef gebaseerde gegevens
(149) De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in de schadebeoordelingsperiode op de verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap voortdurend verliezen voor belasting geleden (- 1,4 % in 1997, - 1,5 % in 1998 en - 0,6 % in 1999), behalve in het onderzoektijdvak, in welke periode de kosten gedekt konden worden. Deze slechte financiële resultaten vielen samen met de druk die in de schadebeoordelingsperiode door de met dumping ingevoerde producten werd uitgeoefend.
(150) Wat het rendement op het geïnvesteerde vermogen en cash flow betreft, hadden alle in de steekproef opgenomen ondernemingen slechts cijfers voor de gehele onderneming. Daar het betrokken product slechts één van de producten is die door deze ondernemingen worden gemaakt, kunnen deze indicatoren niet als maatgevend worden beschouwd voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met het betrokken product. Het is evenwel duidelijk dat het uitblijven van winst op het betrokken product geen gunstige invloed heeft gehad op het - lage - rendement op het geïnvesteerde vermogen of de inkomsten uit de bedrijfsactiviteiten.
f) Investeringen en vermogen kapitaal aan te trekken - op de steekproef gebaseerde gegevens
(151) De investeringen zijn in de schadebeoordelingsperiode toegenomen van 5,8 miljoen EUR in 1997, 11,6 miljoen EUR in 1998, 22,3 miljoen EUR in 1999 tot 21,5 miljoen EUR in het onderzoektijdvak. Er werden grotendeels investeringen gedaan in machines, namelijk voor ongeveer 95 % in 1997 tot 44 % in het onderzoektijdvak. Het resterende bedrag werd in de schadebeoordelingsperiode grotendeels in gebouwen geïnvesteerd. Het is voor de bedrijfstak van de Gemeenschap essentieel in fabrieksuitrusting en machines te investeren om op lange termijn concurrerend te zijn. Zelfs in perioden waarin er weinig of geen winsten worden gemaakt, moeten investeringen worden gedaan.
(152) De gevolgen van deze investeringen op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap worden berekend aan de hand van afschrijvingen en betaalde interesten. Daar grotendeels in fabrieksuitrusting en machines (die over een periode van ongeveer 10 jaar worden afgeschreven) en in gebouwen (die over een periode van ongeveer 25 jaar worden afgeschreven) is geïnvesteerd, hebben deze investeringen slechts geringe gevolgen voor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de schadebeoordelingsperiode.
(153) De bedrijfstak van de Gemeenschap schijnt niet te zijn gehinderd in zijn vermogen kapitaal te verkrijgen bij moedermaatschappijen of banken.
g) Werkgelegenheid
(154) Het aantal arbeidsplaatsen ging voortdurend achteruit, namelijk van 2226 in 1997 tot 2045 in het onderzoektijdvak, dat wil zeggen met 8 %. Deze daling van de werkgelegenheid was voornamelijk het gevolg van de herstructurering die de bedrijfstak van de Gemeenschap in deze periode doormaakte.
h) Productiviteit
(155) De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap, in ton per werknemer, is in de schadebeoordelingsperiode slechts met 1 % gestegen. In 1998 steeg de productiviteit door een toename van de productie, terwij1 de productiviteit in 1999 daalde omdat de productie sneller afnam dan het aantal arbeidsplaatsen. De productiviteit is in het onderzoektijdvak enigszins gestegen, omdat de productie omhoog ging terwijl het aantal arbeidsplaatsen nog enigszins terugliep.
i) Loonkosten - op de steekproef gebaseerde gegevens
(156) De loonkosten, per eenheid product, in euro per kg, zijn in de schadebeoordelingsperiode ongeveer gelijk gebleven.
j) Omvang van de dumpingmarge
(157) De gevolgen van de vastgestelde dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen niet als te verwaarlozen worden beschouwd, gezien de omvang van de invoer en de prijzen van de ingevoerde producten uit de betrokken landen.
k) Conclusie inzake schade
(158) In de schadebeoordelingsperiode steeg de omvang van de invoer uit de betrokken landen met 215 %, terwijl het marktaandeel van staalkabel uit de betrokken landen steeg van 3,3 % tot 10,8 %.
(159) Na de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999 werd de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap stabieler, hoewel zij nog zwak bleef: de productie en de capaciteitsbenutting bleven ongeveer gelijk, terwijl de voorraden enigszins afnamen, namelijk van 30050 tot 29660 ton. Hoewel de verkoop enigszins steeg, namelijk van 66331 ton in 1999 tot 67671 ton in het onderzoektijdvak, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn marktaandeel niet vergroten, ondanks het feit dat deze bedrijfstak niet langer te lijden had van oneerlijke concurrentie uit de landen ten aanzien waarvan antidumpingmaatregelen waren genomen.
(160) De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de schadebeoordelingsperiode enigszins gestegen, namelijk van - 1,4 % tot 0 %, maar met een dergelijke winstgevendheid kan deze bedrijfstak op langere termijn niet voortbestaan. Tegen de verwachting in zijn de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak niet gestegen, ondanks de antidumpingmaatregelen die in 1999 werden genomen. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft daarom nauwelijks baat gehad bij die antidumpingmaatregelen omdat de omvang van de invoer uit de bij deze procedure betrokken landen is gestegen en deze invoer tegen prijzen plaatsvond die aanzienlijk onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen.
(161) Gezien het bovenstaande is de voorlopige conclusie dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening.
E. OORZAKELIJK VERBAND
1. Opmerkingen vooraf
(162) Om een voorlopige conclusie te bereiken over het feit of er een oorzakelijk verband is tussen de invoer met dumping en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, heeft de Commissie de gevolgen onderzocht van de invoer met dumping uit de betrokken landen voor de situatie van die bedrijfstak.
(163) Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening werden andere factoren, zoals de ontwikkeling van het verbruik, de situatie van de andere EG-producenten, de exportprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de ontwikkeling en de gevolgen van de invoer uit derde landen en de gevolgen van wijzigingen in de grondstofkosten onderzocht, zoals hieronder beschreven, ten einde te kunnen vaststellen of het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden door andere factoren dan de invoer met dumping kon zijn verbroken.
2. Gevolgen van de betrokken invoer
(164) In de eerste plaats wordt erop gewezen dat op de markt voor staalkabel, waar het overgrote deel van de producten in hoge mate zijn gestandaardiseerd, voornamelijk op prijs wordt geconcurreerd.
(165) Er is een duidelijk verband tussen de stijging van de invoer met dumping uit de betrokken landen en het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap geen redelijk voordeel kon verkrijgen uit de in 1999 genomen antidumpingmaatregelen. Voorts bleek staalkabel uit de betrokken landen in het onderzoektijdvak aanzienlijk goedkoper te zijn dan door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerd staalkabel.
(166) Na de instelling van antidumpingmaatregelen in 1999 ten aanzien van staalkabel uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne was de bedrijfstak van de Gemeenschap weliswaar in staat haar situatie te stabiliseren of licht te verbeteren in termen van productie, capaciteitsbenutting, voorraden en omzet, maar het marktaandeel bleef ontoereikend en de winstgevendheid duidelijk onvoldoende.
(167) De invoer uit de betrokken landen is in 1999 en het onderzoektijdvak sterk gestegen. Deze invoer is niet alleen in de plaats getreden van de invoer uit de landen waartegen antidumpingmaatregelen zijn genomen, maar is zelfs gestegen ten koste van de bedrijfstak van de Gemeenschap (en ook van de andere EG-producenten). Staalkabel uit de betrokken landen was aanzienlijk goedkoper dan de in de Gemeenschap geproduceerde staalkabel. Deze factoren hebben er rechtstreeks toe bijgedragen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet werkelijk baat had bij de genomen antidumpingmaatregelen en er niet in slaagde zijn onbenutte capaciteit in te zetten, grotere hoeveelheden te verkopen en aldus zijn slechte financiële situatie te verbeteren (in het onderzoektijdvak kon de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts de kosten dekken).
(168) Derhalve kan worden geconcludeerd dat de invoer uit de betrokken landen de gevolgen van de in 1999 genomen antidumpingmaatregelen grotendeels hebben teniet gedaan en dat de stagnatie van het marktaandeel, het prijsniveau en de slechte situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, met name op het gebied van de winstgevendheid, aan de invoer met dumping uit de betrokken landen kan worden toegeschreven.
3. Gevolgen van andere factoren
a) Ontwikkeling van het zichtbare verbruik
(169) De Commissie heeft onderzocht of de ontwikkeling van het zichtbare verbruik een aanmerkelijke oorzaak van de achteruitgang van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap kon zijn.
(170) Hoewel het zichtbare verbruik in 1998 sterk toenam (met 9 %), bleef de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap ongeveer gelijk. De stijging van het verbruik is uitsluitend ten goede gekomen aan de landen die nu aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen, de betrokken landen alsmede Korea en Maleisië. Het marktaandeel van het staalkabel uit deze landen nam toe, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in dezelfde periode met 4,7 procentpunten achteruit ging. Deze ontwikkeling viel samen met de inleiding van de vorige antidumpingprocedure en kan worden verklaard door de opbouw van voorraden door importeurs van staalkabel. In 1999 nam het zichtbare verbruik af, hetgeen samenviel met de instelling van antidumpingmaatregelen in het kader van de vorige procedure en met de verkoop uit de voorraden van de importeurs. In deze periode daalde de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap sterk (van 72676 ton in 1998 tot 66331 ton in 1999), terwijl de invoer uit de betrokken landen bleef toenemen, ondanks de inkrimping van het zichtbare verbruik. In 1999 en het onderzoektijdvak is het verbruik ongeveer gelijk gebleven, terwijl de invoer uit de betrokken landen steeg van 13644 ton tot 16052 ton en het verkoopcijfer van de bedrijfstak van de Gemeenschap iets omhoog ging, namelijk van 66331 tot 67671 ton.
(171) Het is daarom onwaarschijnlijk dat de ontwikkeling van het zichtbare verbruik mede de oorzaak is geweest van de achteruitgang van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
b) Situatie van de andere EG-producenten
(172) Bij het onderzoek is ook nagegaan of de situatie van de andere EG-producenten, die in het onderzoektijdvak goed waren voor 29,4 % van de totale productie in de Gemeenschap, de oorzaak kon zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden. In dit verband wordt erop gewezen dat de Commissie haar conclusies heeft gebaseerd op de in de klacht vervatte gegevens en op aanvullende informatie die sommige andere EG-producenten hebben verstrekt over hun productie en verkoop. Zowel de omvang van de verkoop als de productie van die andere producenten waren in de schadebeoordelingsperiode gedaald (respectievelijk met 4 % en 5 %); deze cijfers gaven dus dezelfde ontwikkeling te zien als die van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
(173) Daarom kan niet worden gesteld dat de prestaties van de andere EG-producenten de oorzaak waren van de stagnatie in productie en verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
c) Invoer uit andere derde landen
(174) Het marktaandeel van staalkabel uit andere derde landen, zowel uit derde landen die niet bij deze procedure zijn betrokken als uit Korea en Maleisië, ging achteruit, namelijk van 27 % in 1997 tot 19,7 % in het onderzoektijdvak.
i) Korea
(175) Bij het onderzoek werd vastgesteld dat de dumpingmarges van de producenten/exporteurs in Korea minimaal waren. Niettemin is de invoer uit dit land in de schadebeoordelingsperiode sterk toegenomen (met 299 %), terwij1 het marktaandeel van staalkabel uit dat land steeg van 1,9 % in 1997 tot 8,2 % in het onderzoektijdvak. De prijzen van staalkabel uit Korea waren in het onderzoektijdvak lager dan de prijzen van door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigd staalkabel.
(176) Daarom wordt geoordeeld dat de invoer van staalkabel uit Korea negatieve gevolgen had voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
ii) Maleisië
(177) Bij het onderzoek werd vastgesteld dat de dumpingmarge van de producent/exporteur in Maleisië minimaal was. Niettemin is de invoer uit dit land in de schadebeoordelingsperiode sterk toegenomen (met 244 %), terwijl het marktaandeel van staalkabel uit dat land steeg van 0,5 % in 1997 tot 1,8 % in het onderzoektijdvak. De prijzen van staalkabel uit Maleisië waren in het onderzoektijdvak lager dan de prijzen van door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigd staalkabel.
(178) Daarom wordt geoordeeld dat de invoer van staalkabel uit Maleisië negatieve gevolgen had voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
iii) Andere derde landen dan Korea en Maleisië
(179) De Commissie stelde vast dat het marktaandeel van staalkabel uit andere dan de bij deze procedure betrokken landen in de schadebeoordelingsperiode met 63 % was gekrompen, hetgeen voornamelijk het gevolg was van de daling van de invoer uit aan antidumpingmaatregelen onderworpen landen. Gezien het feit dat de invoer uit andere derde landen voor een groot deel aan antidumpingmaatregelen is onderworpen en de sterke daling van de omvang van die invoer, kan niet worden geconcludeerd dat deze mede de oorzaak was van de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.
iv) Grondstoffen
(180) De Commissie heeft onderzocht of de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade aan een stijging van de grondstofkosten kon worden toegeschreven.
(181) Vastgesteld werd dat de prijzen van de grondstoffen die gewoonlijk bij de productie van het betrokken product worden gebruikt (stalen staven en staaldraad, afhankelijk van de productiestructuur in de Gemeenschap) in de schadebeoordelingsperiode waren gedaald.
(182) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de grondstofprijzen niet mede de oorzaak waren van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.
4. Conclusie
(183) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat andere factoren, zoals de invoer uit Korea en Maleisië, in het onderzoektijdvak negatieve gevolgen kunnen hebben gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, maar dat deze gevolgen niet zodanig waren dat zij het oorzakelijk verband hebben verbroken tussen de invoer met dumping en de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Vastgesteld werd dus dat de invoer uit de betrokken landen, op zich, de oorzaak is geweest van de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.
F. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP
1. Algemene overwegingen
(184) De Commissie heeft, aan de hand van de verstrekte informatie, voorlopig onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake dumping en schade, dwingende redenen zijn die tot de conclusie kunnen leiden dat het in onderhavig geval niet in het belang van de Gemeenschap is maatregelen te nemen.
(185) Te dien einde heeft de Commissie overwogen wat de gevolgen van eventuele maatregelen zullen zijn voor alle partijen bij deze procedure en wat de gevolgen voor deze partijen zullen zijn indien geen voorlopige maatregelen worden genomen.
2. Inwinning van gegevens
(186) Om de gevolgen van eventuele maatregelen te kunnen beoordelen, heeft de Commissie vragenlijsten betreffende het belang van de Gemeenschap toegezonden aan alle haar bekende bedrijven die ten tijde van de inleiding van de procedure leverancier of afnemer waren van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De Commissie heeft eveneens gegevens inzake het belang van de Gemeenschap bij de bedrijfstak van de Gemeenschap opgevraagd. Slechts een leverancier van grondstoffen, twee EG-producenten die geen klacht hadden ingediend, een importeur en de bedrijfstak van de Gemeenschap hebben de vragenlijst beantwoord. Geen enkele gebruiker van het betrokken product heeft de vragenlijst beantwoord.
3. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap
a) Aard en structuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap
(187) De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat uit kleine, middelgrote en twee grote ondernemingen in acht lidstaten (Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Portugal, Spanje en het VK). Gezien het grote aantal producenten in de Gemeenschap, heerst er op de markt van de Gemeenschap veel concurrentie.
(188) De productie van staalkabel is kapitaalintensief: de bedrijfstak van de Gemeenschap moet in nieuwe machines en in onderzoek en ontwikkeling investeren om zijn comparatieve voordeel in het hoogste marktsegment te behouden, met name om het aanbod van op specificatie van de klant vervaardigd staalkabel te verbeteren. Door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigd staalkabel wordt vaak verder bewerkt, soms door gelieerde bedrijven - het wordt gesneden of van hulpstukken voorzien waardoor waarde wordt toegevoegd. Staalkabel wordt gebruikt door diverse sectoren die eindgebruiker zijn van dat product en het als dusdanig voor vele doeleinden gebruiken. De bedrijfstak van de Gemeenschap, die in het onderzoektijdvak ongeveer 2000 werknemers telde, koopt de grondstoffen bij leveranciers in de Gemeenschap, hetgeen van invloed is op de werkgelegenheid bij die leveranciers.
(189) Naast standaardstaalkabel vervaardigt de bedrijfstak van de Gemeenschap ook een breed gamma aan speciaal staalkabel, waaronder staalkabel voor bepaalde projecten zoals de bouw van hangbruggen en off-shoreolieplatforms. De productie van staalkabel voor bijzondere projecten heeft het voordeel van hogere winstmarges, lagere opslagkosten (omdat het staalkabel op bestelling wordt gemaakt) en een meer doelmatige capaciteitsbenutting daar de instelling van de machines niet zo vaak gewijzigd behoeft te worden als bij de productie van kleinere hoeveelheden. Voor een dergelijke productie zijn zeer geavanceerde machines nodig, investeringen in onderzoek en ontwikkeling (dat dikwijls door gelieerde bedrijven wordt uitgevoerd) en een goede planning om ervoor te zorgen dat het voor het project bestemde staalkabel binnen de doorgaans contractueel vastgestelde termijnen klaar is. Projectwerk is in de afgelopen jaren een belangrijke bron van inkomsten geworden voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Daar orders voor projecten gewoonlijk een nauwe technische samenwerking met de afnemer en bijkomende diensten vergen, niet alleen bij de installatie van de staalkabel, maar ook bij reparatie en onderhoud, is de bedrijfstak van de Gemeenschap nagenoeg de enige leverancier in de Gemeenschap van voor projecten bestemd staalkabel.
(190) Met uitzondering van projectstaalkabel en ander staalkabel voor de hogere marktsegmenten zijn de verschillende soorten staalkabel evenwel zeer gestandaardiseerd en zowel de bedrijfstak van de Gemeenschap als de producenten/exporteurs in de betrokken landen vervaardigen staalkabel die aan de overeengekomen normen voldoet. Gezien de hoge mate van standaardisering en het onderhandelingsvermogen van de grote importeurs/handelaars in de Gemeenschap, waarvan sommige zowel importeur van staalkabel uit derde landen als aankoper van in de Gemeenschap vervaardigd staalkabel zijn, wordt vooral op prijs geconcurreerd. De meest gebruikelijke soorten zijn daarom zeer gevoelig voor invoer met dumping.
(191) Voorts zet de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de productie van speciaal staalkabel dezelfde machines en dezelfde arbeidskrachten in als voor de productie van standaard staalkabel van gelijke afmetingen; de productie van speciaal staalkabel kan daarom niet los worden gezien van de productie van standaard staalkabel, daar laatstgenoemde soort nodig is voor de spreiding van de vaste kosten. De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat voor het overgrote deel uit standaard en speciaal staalkabel, en niet uit projectstaalkabel.
b) Gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap
(192) Daar de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade bestaat uit een onvoldoende stijging van zowel de omvang van de verkoop als de verkoopprijzen, hetgeen tot een geringe winstgevendheid heeft geleid, wordt verwacht dat antidumpingrechten tot een stijging van de verkoop en, in zekere mate, tot een stijging van de prijzen van staalkabel in de Gemeenschap zullen leiden. Hierdoor zal de bedrijfstak van de Gemeenschap weer voldoende winst kunnen maken. Het is echter onwaarschijnlijk dat de prijzen met het volledige bedrag van het recht zullen stijgen, gezien de concurrentie tussen de EG-producenten en de aanwezigheid van goedkope staalkabel uit landen die niet aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen.
(193) De lage winstmarges van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn voor een groot deel het gevolg van de concurrerentie met het met dumping ingevoerde product uit de betrokken landen. Indien antidumpingmaatregelen worden genomen, is het waarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap grotere hoeveelheden kan verkopen en dus meer inkomsten zal verwerven om zijn vaste kosten te dekken. De door de betrokken landen vervaardigde soorten staalkabel die in de afwezigheid van dumping door de bedrijfstak van de Gemeenschap op economische wijze kunnen worden geproduceerd, worden geraamd op meer dan 70 % van de totale invoer uit de betrokken landen te bedragen. Gezien de verwachte stijging van de productiviteit en de waarschijnlijke groei van het verbruik is het onwaarschijnlijk dat er door de instelling van maatregelen meer werkgelegenheid zal worden gecreëerd.
(194) Het voordeel van de antidumpingmaatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap zal waarschijnlijk niet leiden tot een stijging van de verkoop van die bedrijfstak in het laagste marktsegment. Gezien de kostenstructuur van de bedrijfstak van de Gemeenschap, en met name de variabele kosten, zullen de producenten/exporteurs in dat segment een comparatief voordeel behouden. Dit segment bleek goed te zijn voor iets minder dan 30 % van de totale invoer uit de betrokken landen.
(195) Indien geen maatregelen worden genomen zal de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk achteruit gaan, daar hij niet zal kunnen concurreren met de goedkope, met dumping ingevoerde staalkabel uit de betrokken landen. De herstructureringsmaatregelen die de bedrijfstak van de Gemeenschap in de afgelopen jaren heeft genomen zouden dan nutteloos zijn geweest. Op middellange termijn zou het zelfs mogelijk zijn dat sommige fabrieken gesloten moeten worden, waardoor nog meer arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Voorts zou de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt, wat de soorten kabel betreft die uit de betrokken landen worden ingevoerd, nadelige gevolgen kunnen hebben voor zijn vermogen projectstaalkabel te produceren, indien belangrijke producenten van dit soort staalkabel de productie zouden staken.
(196) De conclusie is dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, indien maatregelen worden genomen, in de gelegenheid zal zijn zich geheel te herstellen van de schade die hij door dumping heeft geleden, zoals bij dit onderzoek en het vorige onderzoek werd vastgesteld.
4. Belang van de toeleveranciers
a) Situatie van de leveranciers van grondstoffen
(197) De voornaamste grondstof voor de productie van staalkabel is industrieel staaldraad (dat uit stalen staven wordt gemaakt), met name staaldraad met een hoog koolstofgehalte dat kan worden gegalvaniseerd of op andere wijze van een deklaag voorzien. Enkele EG-producenten van staalkabel maken zelf hun eigen staaldraad en kopen dus stalen staven als grondstof aan. Er zijn andere grondstoffen, zoals synthetische vezels en smeervet, die ook van belang zijn voor de productie van staalkabel. Het staaldraad wordt in rollen geleverd. Het staaldraad en de stalen staven die door de bedrijfstak van de Gemeenschap worden gebruikt, worden door de belangrijkste staalproducenten in Europa vervaardigd die alle grondstoffen leveren die door de in de steekproef opgenomen EG-producenten worden gebruikt. Voor de productie van staalkabel worden bepaalde kwaliteiten en diameters staaldraad gebruikt. De producenten van staaldraad in de Gemeenschap produceren alle soorten die nodig zijn voor de productie van staalkabel.
(198) Slechts een medewerkende leverancier van grondstoffen (producent van staaldraad), bij wie in 1999 589 personen in dienst waren, heeft de vragenlijst beantwoord. In de schadebeoordelingsperiode heeft deze producent [24 à 26 %](9) minder staaldraad aan de EG-producenten van staalkabel geleverd. De winstmarge van deze onderneming in haar geheel was van 1997 tot 1999 [met 1 à 2 procentpunten] gestegen en de omzet van de betrokken grondstof maakte in 1999 [22 à 26 %] uit van de totale omzet van de onderneming.
b) Gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen
(199) Op grond van de door deze onderneming verstrekte informatie kan worden geconcludeerd dat de betrokken leveranciers van grondstoffen in de Gemeenschap meer dan twee derde van hun producten in de Gemeenschap aan producenten van staalkabel verkopen.
(200) Daar de totale productie van de betrokken grondstoffen in de Gemeenschap goed is voor [15 à 20 %] van de totale omzet van en de werkgelegenheid bij de grondstoffenleveranciers, kan worden aangenomen dat de omvang van de verkoop van deze leveranciers zal stijgen indien maatregelen worden genomen.
(201) Worden geen maatregelen genomen, dan zullen de omvang van de verkoop en de omzet van de betrokken grondstoffen waarschijnlijk blijven dalen.
5. Belang van de importeurs/handelaars
a) Structuur van de invoer en distributiekanalen
(202) De distributie van staalkabel in de Gemeenschap wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een groot aantal importeurs/handelaars die grote voorraden van het betrokken product aanhouden. In wezen zijn de importeurs/handelaars tussenpersonen tussen de producenten (in en buiten de Gemeenschap) en de gebruikers van staalkabel en hun marktgedrag is van grote invloed op de prijzen van staalkabel. De importeurs beïnvloeden de omvang van het zichtbare verbruik en dus de prijzen door hun toegang tot met dumping ingevoerde producten en hun onderhandelingsvermogen ten opzichte van leveranciers in derde landen en de bedrijfstak van de Gemeenschap. Vastgesteld werd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog voor ongeveer 15 % van zijn verkoop in de Gemeenschap afhankelijk is van dit gevestigde distributienetwerk.
b) Economische situatie van de importeurs
(203) De enige importeur die de vragenlijst heeft beantwoord, vermeldde dat hij in de schadebeoordelingsperiode lage winsten voor belasting heeft gemaakt, hoewel uit het antwoord niet viel op te maken hoe groot de winstgevendheid was op het betrokken product (staalkabel was in 1999 goed voor 32 % van zijn totale verkoop). Deze importeur voerde ongeveer 6,5 % van de staalkabel uit de bij deze procedure betrokken landen in. Bij het vorige onderzoek bleek dat de winstmarge van de importeurs 3 % à 18 % bedroeg.
c) Gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen
(204) De importeurs handelen ook in een groot aantal artikelen die niet bij deze procedure zijn betrokken. Bij het vorige antidumpingonderzoek stelde de Commissie vast dat het betrokken product goed was voor 40 à 80 % van de totale omzet van de importeurs. Voorts kan het betrokken product uit andere derde landen worden betrokken waarop geen antidumpingmaatregelen van toepassing zijn; staalkabel uit die andere derde landen was in het onderzoektijdvak goed voor ongeveer 15 % van het totale verbruik in de Gemeenschap.
(205) De Commissie heeft ook de gevolgen onderzocht van antidumpingmaatregelen voor de economische situatie van importeurs in het licht van de maatregelen die in het kader van de vorige antidumpingprocedure werden genomen. In dit verband dient erop te worden gewezen dat slechts één importeur in het kader van de onderhavige procedure de vragenlijst heeft beantwoord, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat de in 1999 genomen antidumpingmaatregelen geen belangrijke gevolgen voor de importeurs hadden. In ieder geval dienen de gevolgen van een eventueel antidumpingrecht voor de situatie van de importeurs ook te worden bezien in het licht van het feit dat deze ook andere producten verhandelen. Het is tevens van belang erop te wijzen dat de importeurs extra inkomsten verwerven uit de verkoop van staalkabel dat volgens de eisen van de afnemer, bijvoorbeeld inzake lengte en hulpstukken, wordt vervaardigd.
(206) De Commissie is van oordeel dat antidumpingmaatregelen de prijzen van staalkabel in de Gemeenschap waarschijnlijk zullen doen stijgen. Hoewel de prijzen van met dumping ingevoerd staalkabel waarschijnlijk met het volledige bedrag van het recht zullen stijgen, wordt niet verwacht dat de prijzen van in de Gemeenschap vervaardigd staalkabel in dezelfde mate zullen stijgen. De prijsstijging zal wellicht nadelig zijn voor de importeurs, omdat hun winstmarges daardoor waarschijnlijk kleiner zullen worden. De importeurs, die in hoge mate ook als handelaars optreden, kunnen echter besluiten meer staalkabel bij de bedrijfstak van de Gemeenschap aan te kopen of uit andere landen die niet aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen en kunnen wellicht kortingen krijgen voor grotere hoeveelheden. Voorts kunnen de importeurs/handelaars de prijsstijgingen ook aan klanten doorberekenen voor wie het betrokken product slechts een te verwaarlozen kostenpost is.
(207) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat het niet waarschijnlijk is dat de situatie van importeurs aanmerkelijk slechter zal worden indien antidumpingmaatregelen worden genomen.
6. Belang van de gebruikers
a) Aard en structuur van bedrijven die het betrokken product gebruiken
(208) Daar bedrijven die gebruiker zijn van het betrokken product in het kader van deze procedure geen medewerking hebben verleend, werden de gevolgen van eventuele antidumpingmaatregelen onderzocht aan de hand van de bevindingen van het vorige onderzoek.
(209) Staalkabel kent vele toepassingsmogelijkheden: het wordt gebruikt in de visserij- en scheepvaartsector, de mijnbouw (zowel boven- als ondergronds), de off-shore olie- en gaswinning, de bosbouw, de bouw van liften (ook skiliften en kabelbanen), de civiele techniek (hangbruggen, torens, overspanningen) en de bouwsector (bouwkranen en -liften). Gezien de soort gebruikers en in overeenstemming met de gegevens die deze in het kader van de vorige procedure hebben verstrekt, is het niet onjuist te concluderen dat staalkabel slechts een klein deel uitmaakt van de totale kosten van de eindproducten. Bij het vorige onderzoek werd vastgesteld dat de kosten voor het betrokken product 0,01 à 3 % uitmaakten van de omzet van de gebruikers, hetgeen betekent dat staalkabel slechts minieme gevolgen heeft voor de activiteiten van de gebruikers in het algemeen.
b) Gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen
(210) Daar de gebruikers in het kader van deze procedure geen medewerking hebben verleend en gezien de leveringskanalen en de soort gebruikers zullen de gevolgen van een eventueel antidumpingrecht voor de gebruikers waarschijnlijk zeer miniem zijn, daar de kosten van staalkabel slechts een zeer klein deel van de productiekosten van het eindproduct uitmaken, zoals bij het vorige onderzoek werd aangetoond.
(211) Voorts is het onwaarschijnlijk dat er een tekort aan staalkabel zal ontstaan, indien antidumpingmaatregelen worden genomen, daar er andere leveringsbronnen zijn die niet aan antidumpingmaatregelen zijn onderworpen, met inbegrip van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
7. Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap
(212) Bij het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, indien antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, waarschijnlijk zijn prijzen en verkoopvolume zal kunnen verhogen, waardoor de winsten zullen toenemen. Deze maatregelen zullen ook gunstige gevolgen hebben voor de concurrentievoorwaarden in de Gemeenschap. Naar verwachting zullen ook de toeleveranciers van de bedrijfstak van de Gemeenschap baat hebben bij de instelling van antidumpingrechten.
(213) De importeurs zullen door de verwachte prijsverhogingen wellicht enige nadelige gevolgen ondervinden, maar zij kunnen hun winstmarges verkleinen of de prijsverhogingen doorberekenen aan de gebruikers.
(214) De bedrijven die staalkabel gebruiken zullen waarschijnlijk geen ernstig nadeel ondervinden van een prijsverhoging, gezien de geringe invloed van de prijzen van staalkabel op hun eindproducten.
(215) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat er geen dwingende redenen zijn geen maatregelen te nemen en dat de instelling van antidumpingrechten in het belang van de Gemeenschap is.
G. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
1. Schademarge
(216) Na te hebben vastgesteld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden door betrokken invoer met dumping en dat er geen dwingende redenen zijn geen maatregelen te nemen, is de conclusie dat rechten moeten worden vastgesteld die hoog genoeg zijn om verdere schade te voorkomen zonder dat deze de vastgestelde dumpingmarges overschrijden.
(217) Bij de berekening van het recht dat hoog genoeg is om verdere schade door invoer met dumping te voorkomen, werd geoordeeld dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belasting te maken die redelijkerwijze, in normale concurrentieomstandigheden, op de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap kan worden gemaakt, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping.
(218) Op grond van de door belanghebbenden verstrekte gegevens werd voorlopig vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet het minimum is dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in afwezigheid van invoer met dumping kan maken. Tevens werd geoordeeld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap bij een dergelijke winstmarge de nodige investeringen kan doen.
(219) Op deze grondslag werden de gewogen gemiddelde exportprijzen van staalkabel, gecorrigeerd op de in de overwegingen 138 en 139 hierboven omschreven wijze, vergeleken met de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, gecorrigeerd met een redelijke winstmarge van 5 %. Het resultaat, in procenten van de exportprijzen, cif grens Gemeenschap, van de producenten/exporteurs, is de schademarge.
2. Voorlopige antidumpingmaatregelen
(220) Gezien het bovenstaande werd geoordeeld dat de voorlopige antidumpingrechten moeten worden afgestemd op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges. Voor een onderneming in Turkije dient het recht evenwel, overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening, op de schademarge te worden afgestemd omdat deze lager is dan de dumpingmarge.
(221) De in deze verordening genoemde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen in het kader van deze procedure. Zij weerspiegelen de situatie die tijdens het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het residuele recht dat "voor alle ondernemingen" in het land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit het betrokken land die door de genoemde ondernemingen (rechtspersonen) zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.
(222) Aanvragen om de toepassing van een specifiek voor een bepaalde onderneming geldend antidumpingrecht (bv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie(10) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houden met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.
3. Maatregelen ten aanzien van Korea en Maleisië
(223) Gezien de resultaten van het onderzoek betreffende Korea en Maleisië waarbij voor elk van deze twee landen een dumpingmarge werd vastgesteld die lager is dan de in artikel 9, lid 3, van de basisverordening vermelde drempelwaarde van 2 %, behoeven ten aanzien van Korea en Maleisië geen voorlopige maatregelen te worden genomen. De Commissie zal het onderzoek voortzetten en eventueel nieuw bewijsmateriaal onderzoeken. Indien de voorlopige bevindingen in het definitieve stadium worden bevestigd, wordt de procedure ten aanzien van de invoer uit deze landen beëindigd.
4. Verbintenissen
(224) De producenten/exporteurs in Tsjechië en Turkije hebben overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening prijsverbintenissen aangeboden. Zij hebben erin toegestemd het betrokken product tegen of boven een prijsniveau te verkopen waarop geen schade ten gevolge van dumping zal ontstaan. De ondernemingen zullen de Commissie ook regelmatig gedetailleerde informatie doen toekomen over hun uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap, zodat de Commissie het nodige toezicht kan uitoefenen. Voorts is het risico dat de verbintenissen niet worden nageleefd in dit geval klein, gezien de aard van het product en de structuur en de verkooppatronen van de ondernemingen.
(225) Gelet op het bovenstaande worden de aangeboden verbintenissen aanvaardbaar geacht en de betrokken ondernemingen zijn in kennis gesteld van de voornaamste feiten, overwegingen en verplichtingen waarop de aanvaarding is gebaseerd.
(226) Om de Commissie voorts in staat te stellen na te gaan of de ondernemingen hun verbintenissen naleven, dient, wanneer de aangifte voor het vrije verkeer bij de douane wordt ingediend, vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk te worden gesteld van de overlegging van een handelsfactuur die ten minste de in bijlage genoemde gegevens bevat. Aan de hand van deze gegevens kunnen de douaneautoriteiten tevens nagaan of de zendingen met de handelsdocumenten overeenstemmen. Wanneer een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, of wanneer deze niet met de aangeboden goederen overeenstemt, is het antidumpingrecht van toepassing.
(227) Indien een verbintenis niet wordt nageleefd of wordt ingetrokken of indien het vermoeden rijst dat de verbintenis niet wordt nageleefd, kan een antidumpingrecht worden ingesteld ingevolge artikel 8, leden 9 en 10, van de basisverordening.
(228) Voorts zal het onderzoek naar dumping, schade en belang van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de basisverordening, ten aanzien van de betrokken landen worden voltooid, ondanks het feit dat tijdens het onderzoek verbintenissen zijn aanvaard.
H. SLOTBEPALING
(229) Gelet op de beginselen van een behoorlijk bestuur, dient een periode te worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen worden gehoord. Voorts dient erop te worden gewezen dat alle bevindingen in het kader van deze verordening voorlopig zijn en herzien kunnen worden voordat de Commissie eventueel definitieve maatregelen voorstelt,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er worden voorlopige antidumpingrechten ingesteld op de invoer van ijzeren of stalen kabels, gesloten kabels daaronder begrepen, met uitzondering van roestvrijstalen kabels, met een grootste afmeting der dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, al dan niet voorzien van hulpstukken (fittings), ingedeeld onder de GN-codes 7312 10 82, 7312 10 84, 7312 10 86, 7312 10 88 en 7312 10 99, van oorsprong uit Rusland, Thailand, Tsjechië en Turkije.
2. Deze rechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
3. Deze rechten zijn niet van toepassing op producten die vervaardigd zijn door de hieronder genoemde ondernemingen, waarvoor de volgende rechten gelden:
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
4. In afwijking van artikel 1, lid 1, is het voorlopige recht niet van toepassing op producten die overeenkomstig artikel 2 in het vrije verkeer worden gebracht.
5. Tenzij anders vermeld zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
6. De in lid 1 bedoelde producten kunnen in de Gemeenschap uitsluitend in het vrije verkeer worden gebracht, nadat daarvoor een zekerheid is gesteld ter hoogte van het bedrag van het voorlopige recht.
Artikel 2
1. De door ondergenoemde ondernemingen aangeboden verbintenissen worden aanvaard.
>RUIMTE VOOR DE TABEL>
2. De onder opgave van de aanvullende Taric-codes A216, A219, A220 voor het vrije verkeer aangegeven producten zijn vrijgesteld van de bij artikel 1 vastgestelde antidumpingrechten wanneer zij door een in artikel 2, lid 1, genoemde onderneming zijn vervaardigd en rechtstreeks uitgevoerd (dat wil zeggen gefactureerd en verzonden) naar een importeur in de Gemeenschap. Deze producten gaan vergezeld van een handelsfactuur die ten minste de in de bijlage genoemde gegevens bevat.
3. De vrijstelling is afhankelijk van de voorwaarde dat de goederen die worden aangegeven en bij de douane aangeboden nauwkeurig overeenstemmen met de beschrijving op de handelsfactuur.
Artikel 3
1. Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening de Commissie verzoeken in kennis te worden gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.
2. Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening om een onderhoud verzoeken betreffende de analyse van het belang van de Gemeenschap en kunnen zij opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 2 februari 2001.
Voor de Commissie
Pascal Lamy
Lid van de Commissie
(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.
(2) PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2.
(3) PB C 127 van 5.5.2000, blz. 12.
(4) Gesloten staalkabel bestaat uit een aantal lagen in elkaar grijpende draden rond een ronde kerndraad. De bijzondere vorm van de draden voorkomt dat gesloten staalkabel rafelt wanneer één draad breekt en heeft tot gevolg dat deze soort technisch gezien deel uitmaakt van het staalkabelassortiment.
(5) Verordening (EG) nr. 362/1999 van de Commissie van 18 februari 1999 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Mexico, Zuid-Afrika en Oekraïne en tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door bepaalde exporteurs in Hongarije en Polen (PB L 45 van 19.2.1999, blz. 8).
(6) Verordening (EG) nr. 362/1999 (zie voetnoot 5) en Verordening (EG) nr. 1796/1999 van de Raad (PB L 217 van 17.8.1999, blz. 1).
(7) Herziening van de antidumpingregeling ten aanzien van China en Rusland (COM(2000) 363 def.).
(8) Zie voetnoot 6.
(9) Daar het om vertrouwelijke gegevens gaat, worden slechts approximatieve percentages vermeld.
(10) Europese Commissie Directoraat-generaal Handel
Directoraat C
TERV 0/12
Wetstraat 200 B - 1049 Brussel
BIJLAGE
Gegevens die moeten worden vermeld op handelsfacturen die behoren bij goederen waarop een verbintenis van toepassing is
1. Het factuurnummer.
2. De aanvullende Taric-code waaronder de op de factuur vermelde goederen aan de grens van de Gemeenschap kunnen worden ingeklaard.
3. Een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van:
- het "productcodenummer" of PCN, zoals vermeld in de door de producent/exporteur aangeboden verbintenis,
- de GN-code,
- de hoeveelheid (in kg).
4. De verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:
- de prijs per kilo,
- de betalingsvoorwaarden,
- de leveringsvoorwaarden,
- het totaal van de kortingen.
5. De naam van de importeur die de rechtstreekse ontvanger is van de factuur.
6. De naam van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring:
"Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Gemeenschap van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die werd aangeboden door ... (naam van de onderneming) en door de Europese Commissie bij Verordening (EG) nr. 230/2001 werd aanvaard. Ik verklaar dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.".