Home

Verordening (EG) nr. 1563/2001 van de Commissie van 31 juli 2001 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

Verordening (EG) nr. 1563/2001 van de Commissie van 31 juli 2001 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

Verordening (EG) nr. 1563/2001 van de Commissie

van 31 juli 2001

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1520/2000 tot vaststelling van de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen voor de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 3448/93 van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2580/2000(2), en met name op artikel 8, lid 3, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Sommige bepalingen betreffende de restitutiecertificaten alsmede sommige bepalingen betreffende de toepassing van bijlage D, waarin wordt voorzien door Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie(3), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2390/2000(4), moeten worden verduidelijkt en gepreciseerd.

(2) Teneinde het gebruik van de restitutiecertificaten doeltreffender te maken, dient te worden voorzien in de overdraagbaarheid van deze certificaten, zonder dat evenwel de toename van het aantal aanvragen voor speculatieve doeleinden in de hand wordt gewerkt. Daarom lijkt het dienstig te voorzien in de aanwijzing van de cessionaris voordat het certificaat wordt aangevraagd.

(3) Er moet worden gepreciseerd dat een marktdeelnemer zijn recht op restitutie behoudt als hij de geldende voorschriften heeft nageleefd en geen specifieke restitutieaanvraag heeft ingediend binnen een termijn van drie maanden na de datum van aanvaarding van de uitvoeraangifte door de douaneautoriteiten. Voorts dient te worden gepreciseerd dat in dit geval de zekerheid die of het zekerheidsgedeelte dat met het restitutiecertificaat overeenkomt, wordt ingehouden.

(4) Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor de restitutiecertificaten bij openbare inschrijvingen in een derde land, teneinde de Europese marktdeelnemers in staat te stellen onder concurrerende voorwaarden een offerte in te dienen. Ter vereenvoudiging van de procedure is het echter dienstig grotendeels voort te bouwen op de procedure waarin wordt voorzien door artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer-, en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten(5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2001(6).

(5) Met het oog op administratieve vereenvoudiging lijkt het wenselijk te voorzien in bijzondere bepalingen betreffende het vrijgeven van de zekerheid. Het is met name noodzakelijk de voorwaarden voor het gedeeltelijk vrijgeven van de zekerheid nader te omschrijven en een minimumdrempel vast te stellen waaronder de zekerheid die zou moeten worden ingehouden, kan worden vrijgegeven.

(6) Teneinde ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden voor de uitvoer van landbouwproducten die voor restituties in aanmerking komen, dient te worden voorzien in soortgelijke bepalingen als die van artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 en gedurende de gehele begrotingsperiode te worden aangespoord tot het snel teruggeven van de niet volledig opgebruikte certificaten.

(7) Wegens de in deze verordening bedoelde wijzigingen dienen de verwijzingen naar de artikelen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 te worden aangepast.

(8) Teneinde doelmatiger gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen, met name rekening houdend met de na te leven internationale verbintenissen van de Gemeenschap, moet worden voorzien in bepalingen voor de aanpassing van de drempel vanaf welke de vrijstelling van het overleggen van certificaten voor bepaalde exporteurs niet langer van toepassing is. Voorts moeten bijzondere bepalingen worden vastgesteld om de marktdeelnemers die bij de overgang naar een nieuwe begrotingsperiode geen gebruik meer wensen te maken van de vrijstelling van het overleggen van certificaten, in staat te stellen op doelmatige wijze gebruik te maken van de drempel die in artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1520/2000 is vastgesteld. Daarnaast moeten, om aan het eind van het begrotingsjaar de naleving van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap te kunnen garanderen, bepalingen worden vastgesteld voor de opschorting van de betalingen betreffende de restitutiecertificaten die tijdens de overeenkomstige begrotingsperiode zijn afgegeven.

(9) Vanwege de ervaring die sinds de invoering van de restitutiecertificaten is opgedaan, moeten de in bijlage F van Verordening (EG) nr. 1520/2000 vastgestelde procedures worden aangepast.

(10) Het is van belang dat deze verordening met ingang van 9 juli kan worden toegepast. Het is dus noodzakelijk dat de datum van inwerkingtreding zo snel mogelijk op de datum van bekendmaking volgt.

(11) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken met betrekking tot niet onder bijlage I vallende verwerkte landbouwproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1520/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1. De tekst van artikel 6, lid 3, wordt door de volgende tekst vervangen: "3. Onverminderd het bepaalde in artikel 6 bis is het restitutiecertificaat niet overdraagbaar; het wordt gebruikt door degene op wiens naam het certificaat staat, hierna de 'titularis' te noemen.".

2. Het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd: "Artikel 6 bis

1. De uit de certificaten voortvloeiende verplichtingen zijn niet overdraagbaar. De uit de certificaten voortvloeiende rechten kunnen door de titularis gedurende de geldigheidsduur van dat certificaat worden overgedragen indien deze overdracht slechts ten gunste van één enkele cessionaris per certificaat en per uittreksel geschiedt en indien de naam en het adres van de cessionaris die hiermee instemt, uiterlijk bij het indienen van de aanvraag worden vermeld in vak 20 van de aanvraag voor het restitutiecertificaat. Deze overdracht heeft betrekking op de nog niet op het certificaat of op alle uittreksels afgeschreven hoeveelheden.

Voorafgaand aan de uitgifte van het certificaat wordt de volgende vermelding, aangevuld overeenkomstig de gegevens van de aanvraag, in vak 22 aangebracht: 'De rechten kunnen eventueel worden overgedragen aan ... (naam en adres van de cessionaris)'.

Indien bij de aanvraag van het certificaat geen naam en adres van een eventuele cessionaris worden vermeld, wordt vak 6 doorgehaald.

2. De cessionaris mag zijn recht niet op zijn beurt overdragen, maar mag het retrocederen aan de titularis.

In dit geval brengt de instantie van afgifte één van de volgende vermeldingen aan in vak 6 van het certificaat:

- retrocesión al titular, el ...

- tilbageføring til indehaveren den ...

- Rückübertragung auf den Bescheinigungsinhaber am ...

- εκ νέου παραχώρηση στο δικαιούχο στις ...

- rights transferred back to the titular holder on [date]

- rétrocession au titulaire le ...

- retrocessione al titolare in data ...

- aan de titularis geretrocedeerd op ...

- retrocessão ao titular em ...

- palautus todistuksenhaltijalle ...

- återbördad till licensinnehavaren den ...

3. Indien door de titularis om overdracht of door de cessionaris om retrocessie wordt verzocht, worden door de instantie van afgifte, dan wel door de door de lidstaat aangewezen instantie of door één van de door de lidstaat aangewezen instanties, in het certificaat of, in voorkomend geval, in het uittreksel ervan de volgende vermeldingen opgenomen:

a) naam en adres van de cessionaris overeenkomstig lid 1, of de in lid 2 bedoelde vermelding;

b) de datum waarop bovenstaande vermelding geschiedt, gewaarmerkt door plaatsing van het stempel van de instantie die de vermelding aanbrengt.

4. De overdracht of retrocessie is van kracht met ingang van de datum van de vermelding.".

3. Aan artikel 7 wordt het volgende lid 5 toegevoegd: "5. De restitutie die wordt aangevraagd ter ondersteuning van een specifieke aanvraag die niet de aangifte ten uitvoer is, wordt toegekend onder de geldende voorwaarden, met name die van artikel 6.

Onverminderd de vorige alinea kan, indien de in lid 4, tweede alinea, bedoelde termijn van drie maanden niet wordt nageleefd, de in lid 3 bedoelde verplichting niet worden geacht te zijn vervuld en wordt derhalve de in artikel 11 bedoelde zekerheid voor het bedrag in kwestie ingehouden.".

4. Het volgende artikel 10 bis wordt ingevoegd: "Artikel 10 bis

1. Dit artikel is van toepassing op de restitutiecertificaten die worden aangevraagd met vaststelling vooraf op de dag van indiening van de aanvraag met het oog op een in een invoerend derde land gehouden openbare inschrijving.

Als inschrijvingen worden aangemerkt niet-vertrouwelijke uitnodigingen van overheidsinstellingen van derde landen of van internationale publiekrechtelijke instellingen om binnen een bepaalde termijn offertes in te dienen over de aanvaarding waarvan door die instellingen wordt beslist.

Voor de toepassing van dit artikel worden de in artikel 36, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde strijdkrachten als een invoerend land beschouwd.

2. Een exporteur die heeft deelgenomen of wil deelnemen aan een inschrijving zoals bedoeld in lid 1, kan, indien aan de in lid 3 bedoelde voorwaarden is voldaan, in afwijking van artikel 8, leden 5, 6 en 9, overeenkomstig de voorwaarden van lid 10 één of meer certificaten aanvragen die slechts zullen worden afgegeven voorzover de levering hem is gegund.

3. De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing indien het bericht van inschrijving ten minste de volgende gegevens bevat:

- het invoerende derde land en de instelling waarvan de inschrijving uitgaat;

- de uiterste datum voor de indiening van offertes in het kader van de inschrijving;

- de vastgestelde hoeveelheid producten waarop het bericht van inschrijving betrekking heeft.

De belanghebbende moet deze gegevens bij het aanvragen van het certificaat aan de instantie van afgifte meedelen.

De certificaataanvraag mag, respectievelijk de certificaataanvragen mogen, niet eerder dan 15 dagen vóór de uiterste datum voor de indiening van de offertes worden ingediend, maar moet, respectievelijk moeten, uiterlijk om 13.00 uur op de uiterste datum voor de indiening van de offertes worden ingediend.

Het bedrag waarvoor het certificaat wordt, respectievelijk de certificaten worden, aangevraagd, mag niet groter zijn dan de in het bericht van inschrijving vermelde overeenkomstige hoeveelheid, waarbij de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, vooraf vastgestelde restitutievoet wordt gebruikt. Met de in het bericht van inschrijving genoemde toleranties of opties wordt geen rekening gehouden.

4. In afwijking van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 hoeft de zekerheid niet bij het aanvragen van het certificaat te worden gesteld.

5. Behoudens overmacht stelt de aanvrager de instantie van afgifte binnen 44 dagen na de uiterste datum voor de indiening van de offertes bij een schrijven of schriftelijk telecommunicatiebericht dat de instantie van afgifte moet bereiken uiterlijk op de dag waarop de termijn van 44 dagen verstrijkt, ervan in kennis:

a) hetzij dat de levering aan hem is gegund;

b) hetzij dat de levering niet aan hem is gegund;

c) hetzij dat hij niet aan de inschrijving heeft deelgenomen;

d) hetzij dat hij door omstandigheden buiten zijn wil de uitslag van de inschrijving niet binnen deze termijn kan kennen.

6. De certificaataanvragen worden niet ingewilligd indien binnen de afgiftetermijn die voor de aanvragen voor restitutiecertificaten geldt, overeenkomstig artikel 8, lid 8, tweede alinea, een maatregel tot opschorting van de afgifte van het certificaat is getroffen.

Geen enkele na afloop van die termijn getroffen bijzondere maatregel kan de afgifte van één of meer certificaten voor de betrokken inschrijving verhinderen, indien de aanvrager van het certificaat aan de navolgende voorwaarden heeft voldaan:

a) de juistheid van de in lid 3, eerste alinea, bedoelde gegevens is aan de hand van de passende documenten aangetoond;

b) het bewijs is geleverd dat de levering aan hem is gegund;

c) het contract is overgelegd, of

d) indien gegronde redenen voor het ontbreken van het contract zijn aangevoerd, zijn de documenten overgelegd die de met de medecontractant of medecontractanten aangegane verbintenissen bewijzen, met inbegrip van de door de bank van de aanvrager gegeven bevestiging van de opening van een onherroepelijk documentair krediet dat de financiële instelling van de koper voor de overeengekomen levering heeft toegekend;

e) de voor de afgifte van het certificaat vereiste zekerheid is gesteld.

Het certificaat wordt, respectievelijk de certificaten worden, uitsluitend voor het in lid 3, eerste alinea, eerste streepje, bedoelde land afgegeven. De betrokken inschrijving wordt in het certificaat of de certificaten vermeld.

Het totale bedrag waarvoor dit certificaat wordt, respectievelijk deze certificaten worden, afgegeven, is gelijk aan de overeenkomstige totale hoeveelheid, met gebruikmaking van de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, vooraf vastgestelde restitutievoet, waarvan de levering aan de aanvrager is gegund en waarvoor deze laatste het contract of de onder d) bedoelde documenten heeft overgelegd; dit bedrag kan niet hoger zijn dan het gevraagde bedrag.

In afwijking van artikel 9, leden 1 en 2, eerste en tweede alinea, gaat de geldigheidsduur van het overeenkomstig dit artikel afgegeven restitutiecertificaat in op de dag van afgifte in de zin van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1291/2000. Het restitutiecertificaat is ten hoogste geldig tot het eind van de achtste maand gerekend vanaf de afgifte van het certificaat of tot en met 30 september van elk jaar, indien deze dag eerder komt. De vooraf vastgestelde restitutievoeten zijn dus geldig tot de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat.

Er kan geen certificaat worden afgegeven voor het bedrag dat overeenkomt met de hoeveelheid waarvan de levering niet aan de aanvrager is gegund of waarvoor de aanvrager niet heeft voldaan aan één van de voorwaarden zoals vermeld in de tweede alinea, onder a), b), c) en e), of, in voorkomend geval, in de tweede alinea, onder a), b), d) en e).

De titularis van het certificaat of van de certificaten is als eerste voor de terugbetaling van enig onverschuldigd betaald restitutiebedrag aansprakelijk indien vast komt te staan dat het contract of één van de onder d) bedoelde verbintenissen op grond waarvan het certificaat is, respectievelijk de certificaten zijn, afgegeven, geen verband houdt met de door het derde land gehouden inschrijving.

7. In de in lid 5, onder b), c) en d), bedoelde gevallen wordt geen enkel certificaat afgegeven naar aanleiding van de in lid 3 bedoelde aanvraag.

8. Indien de aanvrager van het certificaat het bepaalde in lid 5 niet naleeft, wordt geen enkel certificaat afgegeven.

Indien de aanvrager evenwel aan de instantie van afgifte het bewijs levert dat de termijn voor de indiening van de offertes is verlengd met:

- ten hoogste tien dagen, blijft de aanvraag geldig en loopt de in lid 5 bedoelde termijn van 44 dagen voor het verstrekken van de betrokken gegevens vanaf de nieuwe uiterste datum voor de indiening van de offertes;

- meer dan tien dagen, is de aanvraag niet langer geldig.

9. a) Indien degene aan wie de levering is gegund, ten genoegen van de bevoegde instantie aantoont dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, het contract heeft verbroken om redenen die hem niet zijn aan te rekenen en die niet als overmacht worden beschouwd, geeft de bevoegde instantie de zekerheid vrij wanneer de vooraf vastgestelde restitutievoet voor het basisproduct waarvan het restitutiebedrag in vergelijking met de andere gebruikte basisproducten het hoogste is, meer bedraagt dan of gelijk is aan de restitutievoet die geldt op de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat.

b) Indien degene aan wie de levering is gegund, ten genoegen van de bevoegde instantie aantoont dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, hem om redenen die hem niet zijn aan te rekenen en die niet als overmacht worden beschouwd, wijzigingen van het contract heeft opgelegd, kan de bevoegde instantie de duur van het certificaat en de duur van de vaststelling vooraf tot 30 september verlengen.

c) Indien degene aan wie de levering is gegund, het bewijs levert dat het bericht van inschrijving of het op grond van de gunning gesloten contract voorziet in een onderschrijdingstolerantie of -optie van meer dan 5 % en dat de instelling die de inschrijving heeft gehouden, van die bepaling gebruikmaakt, wordt de verplichting tot uitvoer beschouwd als te zijn nagekomen als de uitgevoerde hoeveelheid ten hoogste 10 % kleiner is dan de hoeveelheid die overeenkomt met het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven, voorzover de vooraf vastgestelde restitutievoet voor het basisproduct waarvan het restitutiebedrag in vergelijking met de andere gebruikte basisproducten het hoogste is, meer bedraagt dan of gelijk is aan de restitutievoet die geldt op de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat. In dit geval wordt de in artikel 12, lid 4, genoemde 95 % vervangen door 90 %.

d) Voor de vergelijking van de vooraf vastgestelde restitutievoet met de restitutievoet die geldt op de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat, wordt in voorkomend geval rekening gehouden met de overige bij de communautaire regelgeving vastgestelde bedragen.

10. In afwijking van artikel 8 kunnen volgens de voorwaarden van dit artikel vanaf 1 oktober van elke begrotingsperiode aanvragen voor restitutiecertificaten worden ingediend. De lidstaten delen de in lid 3, eerste alinea, bedoelde gegevens alsmede de bedragen van elk aangevraagd certificaat en datum en uur van indiening van de aanvraag onverwijld aan de Commissie mee. De Commissie deelt de lidstaat binnen twee werkdagen na deze mededeling mee of lid 12, derde alinea, van toepassing is.

11. De Commissie kan de toepassing van lid 2 voor nog niet ingediende aanvragen opschorten onder de voorwaarden van artikel 8, lid 8, tweede en derde alinea.

12. Voor de toepassing van lid 6, eerste alinea, kan de Commissie van oordeel zijn dat geen gevaar bestaat dat de naleving van de internationale verbintenissen in het gedrang komt indien de met eenzelfde inschrijving overeenkomende bedragen waarvoor door één of meer marktdeelnemers één of meer certificaataanvragen zijn ingediend en nog geen certificaten zijn afgegeven, in totaal niet meer dan 2 miljoen EUR belopen.

Dit maximum kan echter op 4 miljoen EUR worden gebracht indien geen van de in artikel 8, lid 5, bedoelde verlagingscoëfficiënten die sinds het begin van de begrotingsperiode zijn bekendgemaakt, meer dan 50 % bedraagt.

Het restitutiecertificaat wordt niet aan de marktdeelnemer afgegeven indien de som van het desbetreffende bedrag en de bedragen waarvoor reeds bij dezelfde inschrijving aanvragen zijn ingediend, de geldende limiet overschrijdt.".

5. De tekst van artikel 12 wordt door de volgende tekst vervangen: "Artikel 12

1. Bij toepassing van de in artikel 8, leden 5 en 8, bedoelde verlagingscoëfficiënt wordt de zekerheid onverwijld vrijgegeven, met dien verstande dat het als zekerheid gestelde bedrag wordt vermenigvuldigd met de verlagingscoëfficiënt.

2. 94 % van de zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 8, lid 6, afziet van zijn certificaataanvraag.

3. De zekerheid wordt geheel vrijgegeven wanneer de titularis van het certificaat restituties heeft aangevraagd ten belope van 95 % van het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven. Op verzoek van de titularis kunnen de lidstaten de zekerheid in gedeelten vrijgeven naar evenredigheid van de hoeveelheden product waarvoor de in artikel 7, lid 4, bedoelde bewijzen zijn geleverd en voorzover het bewijs is geleverd dat een bedrag gelijk aan 5 % van het op het certificaat vermelde bedrag is aangevraagd.

4. Wanneer het restitutiecertificaat niet is opgebruikt tot 95 % van het bedrag waarvoor het is afgegeven, wordt de zekerheid ingehouden tot een bedrag van 25 % van het verschil tussen 95 % van het bedrag waarvoor het certificaat is afgegeven, en het daadwerkelijk gebruikte bedrag.

Bovendien geeft de lidstaat de volledige zekerheid vrij indien voor een certificaat het totale bedrag van de zekerheid dat zou zijn ingehouden, 60 EUR of minder bedraagt.

5. Hierbij geldt evenwel het volgende:

- wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd zolang niet meer dan tweederde van de geldigheidsduur is verstreken, wordt de betrokken in te houden zekerheid met 40 % verminderd. Voor de toepassing hiervan wordt een gedeelte van een dag als volledige dag gerekend;

- wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd nadat meer dan twee derde van de geldigheidsduur is verstreken, maar uiterlijk gedurende de maand die volgt op de laatste dag van de geldigheidsduur, wordt de betrokken in te houden zekerheid met 25 % verminderd.

Het bepaalde in de voorgaande alinea geldt slechts voor certificaten en uittreksels van certificaten die aan de instantie van afgifte worden terugbezorgd gedurende de begrotingsperiode waarvoor zij zijn afgegeven, waarbij zij bovendien meer dan 30 dagen vóór het einde van die periode moeten worden terugbezorgd.".

6. In artikel 14 wordt de tekst van de leden 2 en 3 door de volgende tekst vervangen: "2. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op de uitvoer door marktdeelnemers die geen restitutiecertificaat hebben gehad sinds het begin van de betrokken begrotingsperiode en die geen certificaat hebben op de dag van uitvoer. Het totaal van de door deze marktdeelnemers ingediende aanvragen onder de voorwaarden van bijlage F-VI, punt 2, in het betrokken begrotingsjaar en vóór de indiening van de aanvraag voor de uitvoer in kwestie moet minder dan 50000 EUR bedragen.

Voor de toepassing van de vorige alinea kan, indien de specifieke aanvraag door de bevoegde instantie wordt beschouwd als de aangifte ten uitvoer in de zin van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999, de datum van deze aanvraag, ten genoegen van de bevoegde instantie, de datum zijn waarop de douanedienst de genoemde aangifte ten uitvoer aanvaardt.

Dit artikel is uitsluitend van toepassing in de lidstaat waar de goederen worden vervaardigd of samengesteld.

3. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op de vijfde en de twintigste van elke maand de restitutiebedragen mee die uit hoofde van dit artikel zijn toegekend gedurende de periode van de zestiende tot het eind van de vorige maand, respectievelijk van de eerste tot en met de vijftiende van de lopende maand.

Wanneer het totaal van de door de lidstaten meegedeelde bedragen oploopt tot 20 miljoen EUR, kan de Commissie de toepassing van de leden 1 en 2 op de niet door een restitutiecertificaat gedekte uitvoer opschorten.

De Commissie kan, rekening houdend met de door de lidstaten op grond van de eerste alinea meegedeelde bedragen en met inachtneming van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap, het in de tweede alinea vermelde bedrag voor een begrotingsperiode aanpassen. In dit geval maakt zij het nieuwe bedrag in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend.".

7. In artikel 15 wordt de tekst van lid 2 door de volgende tekst vervangen: "2. In afwijking van lid 1 zijn de volgende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 niet van toepassing op de in deze verordening bedoelde restitutiecertificaten:

- de artikelen 9, 12, 14, 21, 24, 32, 33, 35, 42, 46, 47, 49 en 50;

- artikel 8, lid 2;

- artikel 8, lid 4;

- artikel 18, lid 1;

- artikel 36, lid 5.".

8. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a) In lid 3 wordt de tekst van de tweede alinea door de volgende tekst vervangen: "Indien de goederen in kwestie evenwel zijn vermeld in de kolommen 1 en 2 van bijlage D, kan de belanghebbende, op zijn uitdrukkelijk verzoek, een restitutie verkrijgen, voor de berekening waarvan de aard en de hoeveelheid van de basisproducten die in aanmerking moeten worden genomen, worden vastgesteld op grond van de gegevens die de analyse van de uit te voeren goederen oplevert en volgens de in bijlage D vastgestelde gelijkwaardigheidstabel. De bevoegde instantie bepaalt op welke wijze de analyse moet worden uitgevoerd.".

b) Lid 8 wordt door de volgende tekst vervangen: "8. Voor uitvoer die geschiedt tussen 1 en 15 oktober van elk jaar, kunnen de restituties niet worden betaald vóór 16 oktober.

Voor uitvoer die geschiedt met overlegging van een voor een begrotingsperiode afgegeven restitutiecertificaat, en wanneer de Commissie van oordeel is dat de nakoming van de internationale verbintenissen van de Gemeenschap in het gedrang dreigt te komen, kunnen de na het eind van deze periode verschuldigde betalingen van restituties niet vóór 16 oktober geschieden. In dit geval kan de in artikel 49, lid 8, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 800/1999 bedoelde termijn tijdelijk worden verlengd tot drie maanden en 15 dagen.

Wanneer de voorgaande alinea wordt toegepast, maakt de Commissie deze bepaling vóór 20 september in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend.".

9. Bijlage F wordt als volgt gewijzigd:

a) In hoofdstuk I wordt de tekst van punt 2 door de volgende tekst vervangen: "2. De titel 'Uitvoer- of voorfixatiecertificaat' wordt vervangen door 'Restitutiecertificaat - niet bijlage I' door middel van een stempel. Deze vermelding kan langs elektronische weg worden aangebracht.

De aanvrager vult de vakken 4, 8, 17 en 18 in en in voorkomend geval vak 7. In de vakken 17 en 18 wordt het bedrag in euro vermeld.

De vakken 13 tot en met 16 worden niet ingevuld.

De aanvrager geeft in vak 20 aan of hij voornemens is zijn restitutiecertificaat uitsluitend te gebruiken in de lidstaat van afgifte of dat hij een certificaat aanvraagt dat in de gehele Gemeenschap geldig is.

De aanvrager geeft in vak 20 met de vermelding 'artikel 8-1' of met een andere vermelding ten genoegen van de bevoegde instantie aan of de aanvraag betrekking heeft op een certificaat zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, of met de vermelding 'artikel 8-8' of met een andere vermelding ten genoegen van de bevoegde instantie of de aanvraag betrekking heeft op een certificaat zoals bedoeld in artikel 8, leden 8, 9 en 10.

De aanvrager vermeldt plaats en datum van de aanvraag en ondertekent de aanvraag voor het restitutiecertificaat.

Voor certificaataanvragen voor voedselhulp vult hij eveneens vak 20 in met een van de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 10 of in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 259/98 van de Commissie(7).".

b) In hoofdstuk II wordt de tekst van punt 3 door de volgende tekst vervangen: "3. Verzoek om uittreksels van restitutiecertificaten

De titularis van het restitutiecertificaat kan een certificaatuittreksel aanvragen voor een bedrag dat het bedrag dat op de dag van afgifte van het uittreksel nog niet in mindering is gebracht van het oorspronkelijke certificaat, niet overschrijdt, met name wanneer hij voornemens is uitvoer te verrichten waarvoor de restitutieaanvragen niet zullen worden ingediend in de lidstaat van afgifte van het restitutiecertificaat. In dat geval wordt het bedrag van de uittrekselaanvraag in mindering gebracht van het oorspronkelijke certificaat en wordt een uittreksel afgegeven op basis van een aanvraag die wordt opgesteld op het formulier overeenkomstig bijlage I van Verordening (EG) nr. 1291/2000 waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

- in de vakken 1 en 2, de naam van de instantie die het restitutiecertificaat afgeeft waarvoor een uittreksel wordt gevraagd, en het nummer van het genoemde oorspronkelijke certificaat;

- in vak 4, de naam van de titularis van het restitutiecertificaat;

- in de vakken 17 en 18, het bedrag in euro dat uit hoofde van het uittreksel wordt aangevraagd.".

c) De tekst van hoofdstuk IV wordt door de volgende tekst vervangen: "IV. Afgifte van restitutiecertificaten zonder vaststelling vooraf die in de gehele Gemeenschap kunnen worden gebruikt

Deze restitutiecertificaten worden ingevuld zoals de in hoofdstuk III bedoelde certificaten.

Vak 21 wordt aangekruist.

Indien de titularis van een dergelijk restitutiecertificaat naderhand verzoekt om vaststelling vooraf van de restitutievoeten, dient hij zijn oorspronkelijke certificaat alsmede de eventueel reeds afgegeven uittreksels terug te geven. De vermelding 'Restitutie geldig op ..., vooraf vastgesteld op ...' moet in vak 22 van het certificaat worden genoteerd en moet worden aangevuld.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De leden 2 en 5 van artikel 1 zijn van toepassing op de vanaf 9 juli 2001 aangevraagde certificaten betreffende uitvoer die vanaf 1 oktober 2001 plaatsheeft.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 juli 2001.

Voor de Commissie

Frederik Bolkestein

Lid van de Commissie

(1) PB L 318 van 20.12.1993, blz. 18.

(2) PB L 298 van 25.11.2000, blz. 5.

(3) PB L 177 van 15.7.2000, blz. 1.

(4) PB L 276 van 28.10.2000, blz. 3.

(5) PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.

(6) PB L 150 van 6.6.2001, blz. 25.

(7) PB L 25 van 31.1.1998, blz. 39.