Verordening (EG) nr. 2305/2001 van de Commissie van 27 november 2001 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor rijst van oorsprong uit de minst ontwikkelde landen voor het verkoopseizoen 2001/2002
Verordening (EG) nr. 2305/2001 van de Commissie van 27 november 2001 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor rijst van oorsprong uit de minst ontwikkelde landen voor het verkoopseizoen 2001/2002
Verordening (EG) nr. 2305/2001 van de Commissie
van 27 november 2001
houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor rijst van oorsprong uit de minst ontwikkelde landen voor het verkoopseizoen 2001/2002
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 2820/98 van de Raad van 21 december 1998 houdende toepassing voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 31 december 2001, van een meerjarenschema van algemene tariefpreferenties(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2001(2), inzonderheid op artikel 6, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2820/98 bepaalt dat totdat de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief overeenkomstig de bepalingen van lid 3 geheel zijn geschorst, voor elk verkoopseizoen een algemeen tariefcontingent tegen nultarief wordt geopend voor de producten van tariefpost 1006, uit de minst ontwikkelde landen als vermeld in bijlage IV. Het aanvankelijk tariefcontingent voor het verkoopseizoen 2001/2002 beloopt 2517 ton equivalent gedopte rijst voor de producten van tariefpost 1006.
(2) De hoeveelheden rijst die in aanmerking komen voor het algemeen tariefcontingent moeten tegen de meest eerlijke concurrentievoorwaarden worden ingevoerd om verstoringen op de communautaire markt te voorkomen.
(3) Voor de opening en het beheer van de invoercontingenten moeten gedetailleerde voorschriften worden opgesteld. Deze dienen ervoor te zorgen dat de economische voordelen die voortvloeien uit het bestaan van contingenten ten goede komen aan de begunstigde landen en met name hun landbouwsector.
(4) De gedetailleerde voorschriften inzake de opening en het beheer van de contingenten zijn slechts geldig voor één verkoopseizoen. Deze voorschriften moeten aan het eind van deze periode worden herzien en vervolgens kunnen voorschriften voor een langere periode worden vastgesteld in het licht van de opgedane ervaringen.
(5) In de bepalingen met betrekking tot het bewijs van oorsprong zoals uiteengezet in de artikelen 67 tot en met 97 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 993/2001(4), wordt de definitie vastgesteld van het concept van producten van oorsprong dat gehanteerd moet worden bij algemene tariefpreferenties.
(6) De maatregelen in deze verordeningen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité algemene preferenties,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In deze verordening worden de voorschriften vastgesteld voor de opening en het beheer van het in artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2820/98 bedoelde tariefcontingent voor rijst voor het verkoopseizoen 2001/2002.
Artikel 2
1. Voor invoer van oorsprong uit de in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 2820/98 vermelde minst ontwikkelde landen wordt een algemeen tariefcontingent van 2517 ton producten van GN-code 1006 geopend, uitgedrukt als gedopte rijstequivalent. Voor het getal voor de omrekening van gedopte rijst en de overige producten (padierijst, half geslepen of geslepen rijst wordt uitgegaan van het getal in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 467/67 van de Commissie(5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2325/88(6). Het contingent krijgt het nummer 09.4171.
2. Alle rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer uit hoofde van het in lid 1 bedoelde contingent worden geschorst.
3. Het in lid 1 bedoelde contingent blijft open tot 31 augustus 2002.
Artikel 3
1. Voor de invoer in het kader van het in artikel 2 bedoelde contingent is een invoervergunning vereist.
2. De bepalingen van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie(7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2001(8), met betrekking tot vergunningen zijn van toepassing op de in lid 1 bedoelde vergunningen, mits anders is bepaald in deze verordening.
3. De lidstaten delen de Commissie per fax of e-mail de hoeveelheden mede, opgesplitst in zescijferige GN-codes per land van oorsprong waarvoor invoervergunningen zijn aangevraagd alsmede de naam en het adres van de aanvragers, op de dag waarop de aanvragen voor vergunningen zijn ingediend.
4. Invoervergunningen worden afgegeven op de elfde werkdag volgende op die waarop de aanvraag werd ingediend op voorwaarde dat de in artikel 2, lid 1 vermelde hoeveelheid niet is bereikt.
5. Op de dag waarop de hoeveelheden waarvoor een aanvraag is ingediend het in artikel 2, lid 1, bedoelde contingent overschrijden, stelt de Commissie een uniform percentage vast voor de vermindering van de gevraagde hoeveelheden en deelt dit mede aan de lidstaten uiterlijk tien werkdagen na de dag waarop de aanvragen zijn ingediend.
6. Wanneer de hoeveelheid waarvoor een vergunning is vereist minder bedraagt dan 20 ton nadat de hoeveelheden zijn verminderd, kan de aanvraag voor een vergunning uiterlijk twee werkdagen na de datum van bekendmaking van de vermindering worden ingetrokken. De zekerheid wordt in dat geval onmiddellijk vrijgegeven.
7. Indien de hoeveelheid waarvoor een vergunning is afgegeven minder bedraagt dan de gevraagde hoeveelheid, wordt het bedrag van de in artikel 4, lid 4, bedoelde zekerheid dienovereenkomstig verlaagd.
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie zijn de rechten die voortvloeien uit invoervergunningen niet overdraagbaar.
Artikel 4
1. De in artikel 3 bedoelde invoervergunningen zijn geldig voor zes maanden.
2. Aanvragen voor vergunningen dienen door de ondernemer te worden ingediend bij de autoriteiten van de lidstaat waar de aanvrager is opgenomen in een openbaar register.
3. Invoervergunningen zijn geldig in de hele Gemeenschap. Dergelijke vergunningen worden afgegeven nadat een zekerheid is gesteld om te waarborgen dat het product wordt ingevoerd in de periode waarvoor de vergunning geldig is; de zekerheid wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd verklaard indien de in- of uitvoer niet plaatsvindt, of slechts gedeeltelijk plaatsvindt in die periode, met uitzondering van gevallen van force majeure.
4. In afwijking van artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1162/1995 van de Commissie(9), bedraagt de zekerheid voor de in lid 3 bedoelde vergunningen 46 EUR per 1 ton rijst.
5. Aanvragen voor invoervergunningen dienen vergezeld te gaan van:
- het bewijs dat de aanvrager een natuurlijke of rechtspersoon is die tenminste twaalf maanden commerciële activiteiten heeft uitgevoerd in de rijstsector en geregistreerd staat in de lidstaat waarin de vergunning is ingediend,
- een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat hij slechts één aanvraag heeft ingediend. Wanneer een aanvrager meer dan een aanvraag indient voor een invoervergunning worden al zijn aanvragen afgewezen.
6. De in artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 bedoelde tolerantie is niet van toepassing.
7. Aanvragen voor invoervergunningen en de vergunningen zelf omvatten in deel 20 de volgende vermelding: "Rijst uit... (naam van het (de) in bijlage IV van Verordening (EG) nr. 2820/98 bedoelde land(en)), ingevoerd overeenkomstig artikel 6, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2820/98.".
8. Het land van oorsprong dient te worden ingevuld in deel 8 van de aanvragen voor een vergunning en de invoervergunningen en het vak "ja" dient te worden aangekruist.
Artikel 5
1. Het bewijs van oorsprong van de invoer uit hoofde van het in artikel 2 bedoelde contingent wordt geleverd door een certificaat van oorsprong Form A dat is afgegeven overeenkomstig de artikelen 67 tot en met 97 van Verordening (EEG) nr. 2454/93.
2. Het certificaat van oorsprong Form A vermeldt in vak 4:
- de zin "Contingent-Verordening (EG) nr.../...",
- de datum waarop de rijst in het begunstigde land van uitvoer werd geladen en het verkoopseizoen waarin de rijst wordt geleverd,
- GN-code 1006 (gesplitst in zescijferige GN-codes).
Artikel 6
De lidstaten delen de Commissie per fax of e-mail mede:
a) binnen twee werkdagen nadat de vergunning is afgegeven, voor welke hoeveelheden deze vergunningen zijn afgegeven met vermelding van de datum, het land van oorsprong en de naam en het adres van de houder;
b) indien een vergunning is geannuleerd, binnen twee werkdagen na de annulering, de hoeveelheden waarvoor de vergunningen zijn geannuleerd alsmede de naam en adressen van de houders van de geannuleerde vergunningen;
c) op de laatste werkdag van de volgende maand, de hoeveelheden per land van oorsprong die elke maand daadwerkelijk in het vrije verkeer zijn gebracht.
Bovenstaande informatie moet op dezelfde wijze worden meegedeeld doch afzonderlijk van de informatie met betrekking tot andere aanvragen voor invoervergunningen in de rijstsector.
Artikel 7
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Zij is van toepassing vanaf die dag tot 31 augustus 2002.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 november 2001.
Voor de Commissie
Pascal Lamy
Lid van de Commissie
(1) PB L 357 van 30.12.1998, blz. 1.
(2) PB L 60 van 1.3.2001, blz. 43.
(3) PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.
(4) PB L 141 van 28.5.2001, blz. 1.
(5) PB L 204 van 24.8.1967, blz. 1.
(6) PB L 202 van 27.7.1988, blz. 41.
(7) PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1.
(8) PB L 150 van 6.6.2001, blz. 25.
(9) PB L 117 van 24.5.1995, blz. 2.