2003/169/JBZ: Besluit 2003/169/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 tot vaststelling van de bepalingen van de overeenkomst van 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, en van de overeenkomst van 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, die een ontwikkeling inhouden van het Schengenacquis in de zin van de overeenkomst inzake de wijze waarop de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de toepassing, de uitvoering en de ontwikkeling van het Schengenacquis
2003/169/JBZ: Besluit 2003/169/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 tot vaststelling van de bepalingen van de overeenkomst van 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, en van de overeenkomst van 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, die een ontwikkeling inhouden van het Schengenacquis in de zin van de overeenkomst inzake de wijze waarop de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de toepassing, de uitvoering en de ontwikkeling van het Schengenacquis
Besluit 2003/169/JBZ van de Raad
van 27 februari 2003
tot vaststelling van de bepalingen van de overeenkomst van 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, en van de overeenkomst van 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, die een ontwikkeling inhouden van het Schengenacquis in de zin van de overeenkomst inzake de wijze waarop de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de toepassing, de uitvoering en de ontwikkeling van het Schengenacquis
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, onder b), en artikel 34, lid 2, onder c),
Gezien het initiatief van het Koninkrijk Zweden(1),
Gezien het advies van het Europees Parlement(2),
Overwegende hetgeen volgt:
(1) Om de doelstellingen van de Europese Unie te verwezenlijken, heeft de Raad de Overeenkomst aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie(3) (overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure) en de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie(4) (uitleveringsovereenkomst) vastgesteld.
(2) Met het oog op een duidelijke en ondubbelzinnige situatie in rechte moet de verhouding worden vastgesteld tussen de bepalingen van bovengenoemde overeenkomsten en de bepalingen van titel III, hoofdstuk 4, van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(5) (Schengenuitvoeringsovereenkomst), die met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 in het kader van de Europese Unie zijn opgenomen.
(3) De Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen moeten ook worden betrokken bij de toepassing van de bepalingen van de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure en een aantal bepalingen van de uitleveringsovereenkomst, die een ontwikkeling vormen van het Schengenacquis en onder het toepassingsgebied vallen van artikel 1 van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(6).
(4) De procedures van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(7) (de associatieovereenkomst) zijn voor dit besluit gevolgd.
(5) Bij de kennisgeving van de aanneming van dit besluit aan de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder a), van de associatieovereenkomst, wordt deze twee staten verzocht, wanneer zij de Raad en de Commissie ervan in kennis stellen dat zij aan de grondwettelijke verplichtingen hebben voldaan, de relevante verklaringen af te leggen en de relevante kennisgevingen te doen zoals bedoeld in artikel 7, lid 4, artikel 9, artikel 12, lid 3, en artikel 15 van de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure en in artikel 6, lid 3, en artikel 13, lid 2, van de uitleveringsovereenkomst,
BESLUIT:
Artikel 1
De overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis, met name van artikel 66 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.
Artikel 2
De artikelen 2, 6, 8, 9 en 13 van de uitleveringsovereenkomst, alsmede artikel 1 daarvan voorzover relevant voor deze andere artikelen, vormen een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis, met name van artikel 61, artikel 62, leden 1 en 2, en de artikelen 63 en 65 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.
Artikel 3
1. Onverminderd artikel 8 van de associatieovereenkomst treden de bepalingen van de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure voor IJsland en Noorwegen in werking op de datum van inwerkingtreding van deze laatste overeenkomst, overeenkomstig artikel 16, lid 2, daarvan, of, indien deze inwerkingtreding vóór 1 juli 2002 plaatsvindt, op deze laatste datum.
2. Vóór de inwerkingtreding van de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure in IJsland en Noorwegen, kunnen IJsland en Noorwegen, bij de kennisgeving van de vervulling van de grondwettelijke verplichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de associatieovereenkomst, verklaren dat deze bepalingen van toepassing zijn in hun betrekkingen met de staten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen worden van toepassing 90 dagen nadat ze zijn neergelegd.
3. Onverminderd artikel 8 van de associatieovereenkomst treden de artikelen 2, 6, 8, 9 en 13 van de uitleveringsovereenkomst voor IJsland en Noorwegen in werking op de datum van de inwerkingtreding van deze laatste overeenkomst, overeenkomstig artikel 18, lid 3, daarvan, of, indien deze inwerkingtreding vóór 1 juli 2002 plaatsvindt, op deze laatste datum.
4. Vóór de inwerkingtreding van de in lid 3 genoemde bepalingen van de uitleveringsovereenkomst in IJsland en Noorwegen kunnen IJsland en Noorwegen, bij de kennisgeving van de vervulling van de grondwettelijke verplichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de associatieovereenkomst, verklaren dat deze bepalingen van toepassing zijn in hun betrekkingen met de staten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen worden van toepassing 90 dagen nadat ze zijn neergelegd.
Artikel 4
1. Op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure wordt, overeenkomstig artikel 16, lid 2, daarvan, artikel 66 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst ingetrokken. Het genoemde artikel blijft echter wel van toepassing op uitleveringsverzoeken die vóór deze datum zijn gedaan, tenzij de betrokken lidstaten reeds onderling de overeenkomst aangaande de verkorte uitleveringsprocedure toepassen, op grond van de verklaringen die zij krachtens artikel 16, lid 3, daarvan hebben afgelegd.
2. Op de datum van inwerkingtreding van de uitleveringsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 18, lid 3, daarvan, worden artikel 61, artikel 62, leden 1 en 2, en de artikelen 63 en 65 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst ingetrokken. Deze bepalingen blijven echter wel van toepassing op uitleveringsverzoeken die vóór deze datum zijn gedaan, tenzij de betrokken lidstaten reeds onderling de uitleveringsovereenkomst toepassen, op grond van de verklaringen die zij krachtens artikel 18, lid 4, daarvan hebben afgelegd.
Artikel 5
Dit besluit wordt van toepassing op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2003.
Voor de Raad
De voorzitter
M. Chrisochoïdis
(1) PB C 195 van 11.7.2001, blz. 13.
(2) Advies van 13 november 2000 (nog niet bekendgemaakt).
(3) PB C 78 van 30.3.1995, blz. 2.
(4) PB C 313 van 23.10.1996, blz. 12.
(5) PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.
(6) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.
(7) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.