2003/268/EG: Beschikking van de Raad van 8 april 2003 betreffende de dekking van de kosten die de Europese Investeringsbank maakt in verband met het beheer van de Investeringsfaciliteit van de Overeenkomst van Cotonou
2003/268/EG: Beschikking van de Raad van 8 april 2003 betreffende de dekking van de kosten die de Europese Investeringsbank maakt in verband met het beheer van de Investeringsfaciliteit van de Overeenkomst van Cotonou
Beschikking van de Raad
van 8 april 2003
betreffende de dekking van de kosten die de Europese Investeringsbank maakt in verband met het beheer van de Investeringsfaciliteit van de Overeenkomst van Cotonou
(2003/268/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1), hierna "Overeenkomst van Cotonou" genoemd,
Gelet op het Intern Akkoord van 12 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het Financieel Protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(2), en met name op artikel 8, lid 2,
Gelet op Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap ("LGO-besluit")(3),
Gezien het door de Commissie in overleg met de Europese Investeringsbank (hierna te noemen "de Bank") opgestelde voorstel,
Overwegende hetgeen volgt:
(1) In de Overeenkomst van Cotonou en het LGO-besluit is geen bepaling opgenomen met betrekking tot de dekking van de kosten die de Bank maakt in het kader van haar beheer van de Investeringsfaciliteit.
(2) De Bank zal alle inkomsten uit de standaardevaluatievergoeding die aan de cliënten van de Investeringsfaciliteit in rekening worden gebracht, aanwenden ter dekking van haar reguliere kosten, met uitzondering van de bijzondere vergoedingen die zij ontvangt ter dekking van de buitengewone kosten,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:
Artikel 1
De voorziening voor de provisie die de Bank in rekening brengt voor het beheer van de Investeringsfaciliteit en de rentesubsidies, daaronder mede begrepen de middelen die gereserveerd zijn voor de overzeese lands- en gebiedsdelen (hierna te noemen "de LGO"), bedraagt maximaal 10 % over vijf jaar van 2200 miljoen EUR. De provisie strekt ter volledige dekking van de kosten van het beheer van de Investeringsfaciliteit, inclusief de bedragen die aangewend worden ter financiering van de rentesubsidies in verband met activiteiten in de ACS-landen en de LGO, gedurende de vijf jaar van het eerste Financieel Protocol van de Overeenkomst van Cotonou.
Artikel 2
Voorzover de taak van de Bank zoals bepaald in bijlage II van de Overeenkomst van Cotonou en in de operationele richtlijnen van de Investeringsfaciliteit, ongewijzigd blijft, is de maximale provisie ingevolge artikel 1 tevens het plafond.
Artikel 3
Ieder jaar doet de Bank uiterlijk op 1 september aan het Comité voor de Investeringsfaciliteit een verslag toekomen waarin de door haar geschatte kosten voor het daaropvolgende jaar en de daarbijbehorende hoogte van de benodigde provisie zijn opgenomen. Deze gegevens worden opgenomen in het door het Comité voor de Investeringsfaciliteit goed te keuren ondernemingsplan van de Investeringsfaciliteit. Het verslag betreffende de kosten over het eerste jaar is afhankelijk van de datum waarop de Overeenkomst van Cotonou van kracht wordt.
Artikel 4
Ieder jaar neemt de Bank een overzicht van de in het voorgaande jaar gemaakte reële kosten, alsmede het bedrag van de evaluatieprovisies die van de cliënten van de Investeringsfaciliteit in hetzelfde jaar zijn ontvangen, op in het jaarverslag van de Investeringsfaciliteit, dat ter goedkeuring aan het Comité voor de Investeringsfaciliteit wordt voorgelegd. Het concept-jaarverslag waarin deze cijfers worden vermeld, wordt aan het Comité voor de Investeringsfaciliteit uiterlijk op 28 februari en het uiteindelijke jaarverslag uiterlijk op 30 juni voorgelegd.
Artikel 5
Indien de door de Bank gemaakte kosten in een bepaald jaar lager dan wel hoger uitvallen dan de in het desbetreffende ondernemingsplan vermelde cijfers, verzoekt de Bank het Comité voor de Investeringsfaciliteit een besluit te nemen met betrekking tot de te treffen maatregelen.
Artikel 6
De voorzieningen voor de provisie zoals bedoeld in artikel 1, worden getroffen uit de aan de lidstaten toekomende aflossingen op schulden die gegenereerd worden door de risicokapitaalactiviteiten en de bijzondere leningen die uit hoofde van de achtereenvolgende ACS-EG-overeenkomsten zijn verstrekt. Het door elke lidstaat verschuldigde bedrag wordt bepaald aan de hand van het relatieve aandeel van zijn bijdrage aan het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Ten aanzien van de lidstaten die nog niet voldoende terugbetalingen ontvangen, brengt de Bank de verschuldigde bedragen ten laste van hun rekeningen en brengt zij een jaarlijkse rente in rekening die gelijk is aan het geldende EONIA-tarief minus 121/2 basispunten.
Artikel 7
Naar aanleiding van een door de Commissie in overleg met de Bank opgemaakt voorstel, neemt de Raad een besluit betreffende de financiering van de bankprovisie zoals overeengekomen in artikel 1, ingeval de middelen uit de schuldaflossingen voor dit doeleinde ontoereikend zijn.
Artikel 8
De lidstaten machtigen de Bank om de provisie rechtstreeks van hun bij de Bank gehouden rekeningen, waarnaar de in artikel 6 bedoelde aflossingen worden overgedragen, af te boeken. De provisie wordt op de eerste werkdag van elk kwartaal afgeboekt en vergoed tegen een jaarlijks tarief dat gelijk is aan het geldende EONIA-tarief minus 121/2 basispunten.
Artikel 9
Deze beschikking wordt van kracht op dezelfde dag als het Intern Akkoord. Deze beschikking is van toepassing gedurende vijf jaar tenzij bij andere overeenkomsten iets anders wordt bepaald.
Artikel 10
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Luxemburg, 8 april 2003.
Voor de Raad
De voorzitter
G. Drys
(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.
(3) PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1.