Verordening (EG) nr. 579/2003 van de Raad van 27 maart 2003 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China
Verordening (EG) nr. 579/2003 van de Raad van 27 maart 2003 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China
Verordening (EG) nr. 579/2003 van de Raad
van 27 maart 2003
tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1) ("de basisverordening"), met name op de artikelen 9 en 11,
Gelet op het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
(1) In november 1998 heeft de Raad Verordening (EG) nr. 2402/98(2) vastgesteld, waarbij definitieve antidumpingrechten zijn ingesteld op ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China.
(2) Deze rechten werden ingesteld als resultaat van een onderzoek naar aanleiding van een klacht van het "Comité de Liaison des Industries de Ferro-Alliages (Euro Alliages") namens de enige producent in de Gemeenschap van ruw, niet-gelegeerd magnesium ("het betrokken product").
(3) In juni 2002 werd op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening een procedure ingeleid voor een eventuele herziening van de antidumpingmaatregelen(3). Het onderzoek zou uitsluitend betrekking hebben op de gepastheid van de ingestelde antidumpingrechten.
B. INTREKKING VAN DE KLACHT
(4) De indiener van de klacht heeft de klacht op 18 juni 2002 ingetrokken. Hij heeft de Commissie medegedeeld dat de enige bekende producent van ruw, niet-gelegeerd magnesium in de Gemeenschap de productie van dit product heeft gestaakt waardoor het niet langer noodzakelijk leek de antidumpingmaatregelen te handhaven.
(5) Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de basisverordening kan de procedure worden beëindigd wanneer de klacht wordt ingetrokken, tenzij dit niet in het belang van de Gemeenschap is.
(6) Op 27 september 2002 is het bericht gepubliceerd(4) dat de Commissie wilde onderzoeken of de antidumpingmaatregelen konden worden ingetrokken. Belanghebbenden werden uitgenodigd zich bekend te maken en de Commissie informatie en bewijsmateriaal te doen toekomen. De Commissie heeft van zeven bedrijven die het betrokken product verwerken een reactie ontvangen. De bedrijven waren allen voorstander van het intrekken van de maatregelen. Voorts heeft de enige producent van het betrokken product in de Gemeenschap bevestigd dat de maatregelen niet langer nodig waren. Daarom heeft de Commissie de belanghebbenden medegedeeld dat zij voornemens was de Raad het voorstel te doen het antidumpingrecht in te trekken en de procedure te beëindigen, omdat de klacht niet langer werd gesteund. Er werden geen andere argumenten aangevoerd betreffende het belang van de Gemeenschap. Daarom wordt geoordeeld dat de beëindiging van de procedure niet in strijd is met het belang van de Gemeenschap.
(7) Enkele bedrijven verzochten om de intrekking van de maatregelen met terugwerkende kracht, daar voor deze maatregelen geen rechtsgrond meer bestond sinds de indiener van de klacht zijn klacht had ingetrokken.
(8) Opgemerkt wordt dat de resultaten van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11 van de basisverordening normalerwijze van toepassing zijn vanaf de datum van afsluiting van het onderzoek. Het is de vaste praktijk van de EG-instellingen dat antidumpingrechten van kracht blijven tot wordt vastgesteld dat zij kunnen worden beëindigd (of gewijzigd). De bedrijven hadden in onderhavig geval geen gewettigde verwachting dat de maatregelen met terugwerkende kracht zouden worden ingetrokken. Geoordeeld werd dat de juridische benadering van dergelijke zaken consequent moest zijn om te voorkomen dat bedrijven hun activiteiten in een onstabiele en onvoorspelbare omgeving moeten uitoefenen. Een beëindiging van de antidumpingmaatregelen met terugwerkende kracht zou bovendien een discriminatie doen ontstaan op de markt van niet-gelegeerd magnesium. Bedrijven die dit product hadden aangekocht in landen waarvoor geen antidumpingrechten golden zouden, indien de maatregelen met terugwerkende kracht werden ingetrokken, ondervinden dat hun omzichtigheid overbodig was geweest. Daarentegen zouden bedrijven die het betrokken product in China hadden aangekocht van een onverwachte meevaller profiteren, indien geen antidumpingrechten werden geheven indien dit product was ingevoerd tussen de staking van de productie in de Gemeenschap en de publicatie van deze verordening. Om deze redenen moest het verzoek om een beëindiging met terugwerkende kracht worden afgewezen.
(9) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de antidumpingprocedure betreffende ruw, niet-gelegeerd magnesium uit de Volksrepubliek China moet worden beëindigd.
C. TUSSENTIJDS ONDERZOEK
(10) Gezien het bovenstaande moet het tussentijdse onderzoek betreffende dezelfde antidumpingmaatregelen ook worden beëindigd,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De antidumpingprocedure, met inbegrip van de herzieningsprocedure, betreffende ruw, nietgelegeerd magnesium, ingedeeld onder de GN-codes 8104 11 00 en ex 8104 19 00, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt beëindigd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 maart 2003.
Voor de Raad
De voorzitter
M. Stratakis
(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1972/2002 (PB L 305 van 7.11.2002, blz. 1).
(2) PB L 298 van 7.11.1998, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2788/2000 (PB L 324 van 21.12.2000, blz. 4).
(3) PB C 140 van 13.6.2002, blz. 14.
(4) PB C 230 van 27.9.2002, blz. 2.