Home

Verordening (EG) nr. 1628/2003 van de Commissie van 17 september 2003 tot instelling van voorlopige antidumpingrechten op grote regenboogforellen uit Noorwegen en de Faeröer

Verordening (EG) nr. 1628/2003 van de Commissie van 17 september 2003 tot instelling van voorlopige antidumpingrechten op grote regenboogforellen uit Noorwegen en de Faeröer

Verordening (EG) nr. 1628/2003 van de Commissie

van 17 september 2003

tot instelling van voorlopige antidumpingrechten op grote regenboogforellen uit Noorwegen en de Faeröer

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad(1) van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1972/2002(2) ("de basisverordening"), met name op artikel 7,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

(1) Op 19 december 2002 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(3) de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van grote regenboogforellen uit Noorwegen en de Faeroër.

(2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die in november 2002 was ingediend door de Finse Vereniging van Viskwekers en de Vereniging van Viskwekers van de Ålandeilanden namens producenten die een groot deel - in dit geval meer dan 30 % - van de productie van grote regenboogforellen in de Gemeenschap vertegenwoordigen. De klacht bevat bewijsmateriaal dat dit product met dumping wordt ingevoerd en dat de indieners van de klacht daardoor aanmerkelijke schade lijden, welk bewijsmateriaal toereikend werd geacht om tot de inleiding van een antidumpingprocedure over te gaan.

(3) De Commissie heeft de volgende partijen van de inleiding van de antidumpingprocedure in kennis gesteld: de haar bekende belanghebbende producenten/exporteurs en importeurs alsmede hun organisaties, de Noorse autoriteiten, de landsregering van de Faeröer, de bedrijven die het betrokken product verwerken en de producenten in de Gemeenschap. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de bij het bericht van inleiding vastgestelde termijn hun standpunten schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(4) Een aantal producenten/exporteurs in Noorwegen en op de Faeröer en producenten en importeurs in de Gemeenschap hebben hun standpunt schriftelijk bekendgemaakt. Alle partijen die binnen de termijn hadden verzocht te worden gehoord onder opgave van de bijzondere redenen om hen te horen werden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

(5) Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs van het betrokken product in Noorwegen en op de Faeröer en het grote aantal EG-producenten van dit product werd in het bericht van inleiding voorgesteld dat dumping en schade overwogen aan de hand van een steekproef zouden worden beoordeeld. Ook werd overwogen een steekproef samen te stellen van importeurs van het betrokken product in de Gemeenschap.

(6) De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van de dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Gemeenschap nodig had, verzameld en gecontroleerd. Er vonden controles plaats bij de volgende bedrijven:

a) in de steekproef opgenomen EG-producenten

- Viviers de France, Castets, Frankrijk,

- Napapiirin Kala Oy, Vanttauskoski, Finland,

- Savon Taimen Oy, Rautalampi, Finland,

- Flisö Fisk Ab, Mariehamn, Finland,

- Saaristomeren Kala Oy, Usikaupunki, Finland,

- Linnatien Lohi Ky, Kuivaniemi, Finland,

- Kames Fish, Kilmelford, Verenigd Koninkrijk;

b) in de steekproef opgenomen producenten in Noorwegen

- Firda Sjøfarmer AS, Byrknesøy,

- Hydroteck AS, Kristiansund,

- Sjøtroll Havbruk AS, Bekkjarvik;

c) in de steekproef opgenomen exporteurs in Noorwegen

- Coast Seafood AS, Måløy,

- Hallvard Lerøy AS, Bergen,

- Sirena Norway AS,Florø;

d) in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs op de Faröer

- P/F PRG Export en de gelieerde producent P/F Luna, Gøta,

- P/F Vestsalmon en de gelieerde producent P/F Vestlax, Kollafjørður;

e) gelieerde importeurs in de Gemeenschap

- Vestlax Hirtshals AS, Hirtshals, Denemarken;

f) niet-gelieerde importeurs in de Gemeenschap

- Lohikunta, Turku, Finland,

- Kesko Food Ltd, Helsinki, Finland.

(7) Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2002 ("het onderzoektijdvak"). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van januari 1999 tot het eind van het onderzoektijdvak ("de beoordelingsperiode").

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Algemeen

(8) Regenboogforel is een vissoort die oorspronkelijk uit Noord-Amerika komt. Deze vis komt niet voor in de Europese wateren en plant zich in Europa in de natuur niet voort. Regenboogforel die in de Gemeenschap wordt verkocht is derhalve in het algemeen gekweekt. De kweek van grote regenboogforellen in de Gemeenschap en in Noorwegen en op de Faeröer wordt op nationaal vlak door vergunningen geregeld zoals bij aquacultuur meestal het geval is. De productiecyclus van gekweekte regenboogforel begint op het ogenblik dat de volwassen vis kuit schiet in zoet water. De jonge vis groeit dan verder in zoet, brak of zout water, meestal in grote kooien. De productiecyclus duurt twee à drie jaar.

2. Betrokken product

(9) De procedure heeft betrekking op grote regenboogforellen (Oncorhynchus mykiss), vers, gekoeld of bevroren, in de vorm van de gehele vis, (met kop en kieuwen, doch ontdaan van ingewanden ("gutted"), wegende meer dan 1,2 kg per stuk, of ontdaan van de kop ("heads off") en van ingewanden en kieuwen ("gilled and gutted"), wegende meer dan 1 kg per stuk), of in de vorm van filets (van meer dan 0,4 kg), die doorgaans worden aangegeven onder de GN-codes 0302 11 20, 0303 21 20, 0304 10 15 en 0304 20 15 ("het betrokken product"), van oorsprong uit Noorwegen en de Faeröer. Vóór 1 januari 2003 werd dit product gewoonlijk aangegeven onder de GN-codes ex 0302 11 90, ex 0303 21 90, ex 0304 10 11 en ex 0304 20 11. De GN-indeling stemt overeen met de verschillende aanbiedingsvormen van het product (vers of gekoelde gehele vis, verse of gekoelde filets, bevroren gehele vis en bevroren filets). Al deze aanbiedingsvormen zijn onderling voldoende vergelijkbaar om ze in het kader van deze procedure als een enkel product te beschouwen.

3. Soortgelijk product

(10) Het betrokken product dat in Noorwegen en op de Faeröer wordt geproduceerd en naar de Gemeenschap uitgevoerd alsmede het product dat door de EG-producenten in de Gemeenschap wordt geproduceerd en verkocht hebben soortgelijke fysieke basiskenmerken en worden voor dezelfde doeleinden gebruikt. Er werden ook geen verschillen vastgesteld tussen het betrokken product dat uit Noorwegen en de Faeröer in de Gemeenschap wordt ingevoerd en het betrokken product dat op de Noorse binnenlandse markt wordt verkocht. Er wordt op gewezen dat de Faeröer geen binnenlandse markt heeft voor het betrokken product.

(11) Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat in het kader van dit onderzoek, overeenkomstig artikel 1, lid 4, van de basisverordening, alle soorten grote regenboogforellen die worden geproduceerd op de Faeröer, geproduceerd en verkocht in Noorwegen, naar de Gemeenschap uitgevoerd vanuit Noorwegen en de Faeröer en door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerd en verkocht in de Gemeenschap soortgelijke producten zijn.

C. STEEKPROEF VOOR DE VASTSTELLING VAN DUMPING

(12) Om de Commissie in staat te stellen te besluiten of het nodig was van een steekproef gebruik te maken overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening, en - indien dat het geval was - deze samen te stellen, werden de producenten/exporteurs overeenkomstig artikel 17, lid 2, verzocht zich binnen drie weken na de inleiding van de procedure bekend te maken en basisgegevens te verstrekken over hun uitvoer en binnenlandse verkoop, een nauwkeurige beschrijving te geven van hun activiteiten op het gebied van de productie van het betrokken product en de namen en activiteiten van alle gelieerde ondernemingen die betrokken zijn bij de productie en/of verkoop van dit product. De Commissie heeft ook contact opgenomen met de haar bekende organisaties van producenten/exporteurs, de Noorse autoriteiten en de landsregering van de Faeröer. Deze hadden geen bezwaar tegen het gebruik van een steekproef.

Noorwegen

(13) 141 ondernemingen hebben zich bekendgemaakt en binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens verstrekt. Zij waren in het onderzoektijdvak goed voor bijna de gehele uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap.

(14) Uit de reacties van de ondernemingen bij het samenstellen van de steekproef bleek duidelijk dat in het algemeen een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen kwekers (producenten) die het betrokken product kweken en handelaren (exporteurs) die het betrokken product op de binnenlandse markt en voor uitvoer verkopen. In de meeste gevallen verkopen de producenten het grootste deel van hun productie aan Noorse exporteurs en zijn zij meestal niet op de hoogte van de uiteindelijke bestemming en de uiteindelijke prijs van hun product. Het was ook duidelijk dat de Noorse exporteurs in de meeste gevallen handelaren zijn. Zij zijn niet noodzakelijkerwijze de enige verkopers op de binnenlandse markt, omdat de producenten soms rechtstreeks aan afnemers op de binnenlandse markt verkopen. De exporteurs zijn in het algemeen onafhankelijk van de producenten in die zin dat de prijzen waartegen zij het betrokken product verkopen niet steeds rechtstreeks verband houden met de kosten die de producenten bij het kweken van dit product hebben gemaakt.

(15) Om deze reden werd een representatieve steekproef van exporteurs samengesteld om de naar de Gemeenschap uitgevoerde producten en de prijzen waartegen deze werden uitgevoerd te kunnen identificeren. Om inzicht te verkrijgen in de Noorse binnenlandse markt en om te kunnen controleren dat de prijzen op deze markt in het kader van normale handelstransacties tot stand waren gekomen, werd het nodig geacht ook een steekproef van producenten samen te stellen zodat ook rekening kon worden gehouden met hun productiekosten en verkoop op de binnenlandse markt.

(16) De steekproeven werden samengesteld in overleg met, en met de instemming van de Noorse Federatie voor Zeeproducten en de Noorse Associatie voor Zeeproducten. Bij het samenstellen van de steekproef van producenten en exporteurs werd in eerste instantie uitgegaan van de omvang van hun productie respectievelijk uitvoer.

(17) De steekproeven omvatten zes ondernemingen: drie producenten en drie exporteurs. Op basis van hun antwoorden op de vragenlijst bleek dat deze ondernemingen ongeveer 35 % van de Noorse productie van het betrokken product en 40 % van de Noorse uitvoer naar de Gemeenschap vertegenwoordigden. Aan elke in de steekproef opgenomen onderneming werd een vragenlijst toegezonden.

(18) De Noorse Federatie voor Zeeproducten, de Noorse Associatie voor Zeeproducten en de medewerkende Noorse ondernemingen, al dan niet deel uitmakend van de steekproef, werden in kennis gesteld van de samenstelling van de steekproeven en in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken. Deze partijen werden erop gewezen dat het mogelijk was dat een enkel, voor het gehele land geldende dumpingmarge werd vastgesteld. Geen enkele partij had bezwaren tegen de samenstelling van de steekproeven of tegen de mogelijke vaststelling van een voor het gehele land geldende dumpingmarge.

De Faeröer

(19) 24 ondernemingen (waarvan er 15 deel uitmaken van grotere groepen) maakten zich bekend en hebben de gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn verstrekt. Slechts acht van deze 24 ondernemingen bleken het betrokken product in het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap te hebben uitgevoerd. Samen waren deze acht ondernemingen goed voor de gehele uitvoer naar de Gemeenschap.

(20) Op de Faeröer wordt het betrokken product geproduceerd en verkocht door verticaal geïntegreerde groepen van ondernemingen die het betrokken product zowel produceren als verkopen. Derhalve werd een steekproef van exporteurs/producenten samengesteld. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening werd de samenstelling van de steekproef gebaseerd op het grootste representatieve exportvolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht.

(21) Twee exporteurs/producenten werden voor de steekproef geselecteerd in overleg met en met instemming van de Viskwekersassociatie van de Faeröer. De twee in de steekproef opgenomen ondernemingen waren volgens hun antwoorden op de vragen die in verband met het samenstellen van de steekproef waren gesteld goed voor ongeveer 45 % van de productie van het betrokken product op de Faeröer en voor ongeveer eenzelfde percentage van de uitvoer van dit product naar de Gemeenschap. Er werden vragenlijsten toegezonden aan beide in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(22) Geen enkele van de overige producenten/exporteurs heeft verzocht om een individuele behandeling in de zin van artikel 17, lid 3, van de basisverordening. De medewerkende producenten/exporteurs die uiteindelijk niet voor de steekproef werden geselecteerd werden er derhalve van op de hoogte gebracht dat een eventueel antidumpingrecht voor hen berekend zou worden overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Deze ondernemingen werden in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de steekproeven. De Commissie heeft evenwel geen opmerkingen ontvangen.

D. DUMPING

1. Noorwegen

a) Algemeen

(23) Het onderzoek bevestigde het in overweging 14 genoemde verschil in functie tussen producenten en exporteurs. Wanneer productie en uitvoer door verschillende ondernemingen geschieden, is het bijna onmogelijk om de producent van de uitgevoerde goederen te identificeren. In ieder geval kan de producent van de uitgevoerde goederen niet verantwoordelijk worden gesteld voor de exportprijs die de exporteurs aanrekenen. Tengevolge hiervan werd geconcludeerd dat de vaststelling van individuele dumpingmarges onmogelijk was en dat voor Noorwegen een voor het gehele land geldende dumpingmarge moest worden vastgesteld.

(24) Derhalve werd besloten een gewogen gemiddelde normale waarde en een gewogen gemiddelde exportprijs voor geheel Noorwegen te berekenen. Hierbij heeft de Commissie zich gebaseerd op de gegevens die de in de steekproef opgenomen exporteurs en producenten hebben verstrekt.

b) Normale waarde

(25) De normale waarde wordt normalerwijze vastgesteld, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening, aan de hand van de verkoop op de binnenlandse markt indien de omvang van de verkoop op de binnenlandse markt representatief is en deze verkoop heeft plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties.

i) Representativiteit van de omvang van de verkoop

(26) De Commissie heeft onderzocht of elke exporteur op de binnenlandse markt representatieve hoeveelheden had verkocht. Hoeveelheden die aan andere exporteurs waren verkocht en waarvan de uiteindelijke bestemming niet kon worden achterhaald door de in de steekproef opgenomen exporteur, werden niet in aanmerking genomen.

(27) De binnenlandse verkoop van de drie in de steekproef opgenomen exporteurs bleek representatief te zijn omdat de omvang van deze verkoop hoger was dan 5 % van de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap.

(28) Vervolgens werd nagegaan of de binnenlandse verkoop van iedere soort van het betrokken product door elke in de steekproef opgenomen exporteur representatief was, met andere woorden of de omvang van de binnenlandse verkoop van elke soort meer was dan 5 % van de omvang van de uitvoer van die soort naar de Gemeenschap. De elementen die in aanmerking werden genomen bij de afbakening van de productsoorten waren: de kwaliteit (eerste, normale of andere kwaliteit), de toestand van de vis (vers, gekoeld of bevroren) en de aanbiedingsvorm (gehele vis, ontdaan van de ingewanden met kop, gehele vis ontdaan van de ingewanden zonder kop, of filets). Het onderzoek toonde aan dat elke in de steekproef opgenomen exporteur slechts bepaalde soorten op de binnenlandse markt in representatieve hoeveelheden had verkocht. Voor deze productsoorten werd vervolgens nagegaan of de binnenlandse verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties (zie hieronder). Voor de productsoorten die op de binnenlandse markt niet in representatieve hoeveelheden waren verkocht moest de normale waarde worden geconstrueerd.

ii) Normale handelstransacties en aankoopprijs

(29) Bij de vaststelling of de binnenlandse verkoop van de in de steekproef opgenomen exporteurs had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en om de in de overwegingen 14, 24 en 25 uiteengezette redenen, werd rekening gehouden met de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten over hun kosten en verkoopprijzen hadden verstrekt. Voor iedere door de exporteurs verkochte productsoort werd bijgevolg een "aankoopprijs" vastgesteld op de hierna uiteengezette wijze.

(30) De winstgevende binnenlandse verkoop van de in de steekproef opgenomen producenten aan onafhankelijke afnemers werd gebruikt om de aankoopprijs te berekenen van iedere productsoort voor de in de steekproef opgenomen exporteurs. De verkoop door de producenten aan afnemers waarvan zij wisten dat het handelaren waren werd bij deze berekening niet in aanmerking genomen, omdat de producten in deze gevallen meestal niet voor binnenlands verbruik waren bestemd.

(31) Wanneer de binnenlandse verkoop van een productsoort aan onafhankelijke afnemers niet winstgevend bleek, is de Commissie voor de vaststelling van de aankoopprijs uitgegaan van de productiekosten van de producent voor die soort, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve kosten ("VAA-kosten") alsmede winst. Deze bedragen werden, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening, vastgesteld aan de hand van de VAA-kosten en de winst op de winstgevende verkoop van de betrokken producent, daar minder dan 80 %, maar meer dan 10 % van dergelijke verkoop winstgevend was.

(32) Het resultaat werd vervolgens gewogen naar gelang van de hoeveelheden die de producenten op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers hadden verkocht, zodat een algemene aankoopprijs kon worden vastgesteld voor iedere productsoort die door de in de steekproef opgenomen producenten was verkocht.

(33) Bij het onderzoek bleek dat de filets die de in de steekproef opgenomen exporteurs naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd (en die meestal ook door hen op de binnenlandse markt waren verkocht) niet afkomstig waren van de in de steekproef opgenomen producenten. Voor de vaststelling van de aankoopprijs van deze filets is de Commissie derhalve uitgegaan van de gewogen gemiddelde aankoopprijs van verse vis van eerste kwaliteit, van de ingewanden ontdaan, met kop (de meest verkochte productsoort). Deze kosten werden vervolgens verhoogd in overeenstemming met het verschil tussen de binnenlandse verkoopprijs van filets enerzijds en van verse vis van eerste kwaliteit, van de ingewanden ontdaan, met kop, anderzijds, van de exporteurs.

(34) Op basis van de aldus berekende aankoopprijs (zie de overwegingen 30 tot en met 33) werd voor iedere exporteur en voor iedere productsoort waarvan representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt waren verkocht, nagegaan of de binnenlandse verkoop had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd de gemiddelde verkoopprijs van iedere productsoort vergeleken met de kosten per eenheid die waren berekend door aan de aankoopprijs van iedere productsoort de VAA-kosten toe te voegen van de betrokken exporteur bij de binnenlandse verkoop van het betrokken product.

iii) Berekening van de normale waarde

(35) Wanneer de omvang van de verkoop van een productsoort - verkocht tegen een nettoverkoopprijs die gelijk was aan of hoger dan de kostprijs per eenheid - hoger was dan 80 % van de totale omvang van de verkoop van die soort en de gewogen gemiddelde prijs van die soort gelijk was aan of hoger dan de kostprijs per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de prijzen van de gehele, al dan niet winstgevende binnenlandse verkoop van die soort in het onderzoektijdvak.

(36) Indien de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder, maar minstens 10 % van de totale verkoop van die soort bedroeg, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de kostprijs per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde waarde van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkoop van die soort.

(37) Wanneer de winstgevende verkoop van een bepaalde productsoort minder dan 10 % was van de totale verkoop van die soort op de binnenlandse markt, werd ervan uitgegaan dat die soort niet in het kader van normale handelstransacties was verkocht en kon de normale waarde dus niet op de binnenlandse prijzen worden gebaseerd. Zoals in overweging 28 reeds vermeld, werd de normale waarde ook geconstrueerd voor productsoorten die niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt waren verkocht.

(38) Wanneer geen gebruik kon worden gemaakt van de binnenlandse prijs van een bepaalde productsoort om de normale waarde vast te stellen, moest een andere methode worden gebruikt. In die gevallen werd de normale waarde geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. Hierbij werd de aankoopprijs vermeerderd met een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst. De VAA-kosten en de winst werden vastgesteld overeenkomstig de eerste zin van artikel 2, lid 6, van de basisverordening.

(39) De op deze wijze vastgestelde normale waarden werden vervolgens gewogen op basis van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden om tot een gemiddelde normale waarde voor Noorwegen te komen.

c) Exportprijs

(40) In de meeste gevallen werd bij uitvoer verkocht aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. In deze gevallen werd de exportprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen exportprijzen.

(41) Een exporteur verkocht het betrokken product bij uitvoer aan een gelieerde onderneming in de Gemeenschap. Voor hem werd de exportprijs, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, geconstrueerd op basis van de prijs die de gelieerde onderneming aanrekende aan de eerste onafhankelijke afnemer, na aftrek van passende bedragen voor alle kosten tussen invoer en wederverkoop, inclusief rechten en heffingen, en een redelijke winst.

(42) Dezelfde exporteur voerde het betrokken product ook uit naar een andere gelieerde onderneming in de Gemeenschap. Deze onderneming verwerkte het betrokken product evenwel tot producten die niet meer als het betrokken product konden worden beschouwd, voordat het aan onafhankelijke afnemers werd verkocht. Met deze uitvoer werd derhalve geen rekening gehouden voor de vaststelling van de dumpingmarge.

(43) Ten slotte werden de exportprijzen die op deze wijze voor elke in de steekproef opgenomen exporteur waren vastgesteld gewogen op basis van de naar de Gemeenschap uitgevoerde hoeveelheden om tot een gemiddelde exportprijs voor Noorwegen te komen.

d) Vergelijking

(44) De gemiddelde normale waarde en de gemiddelde exportprijs, berekend zoals hierboven beschreven, werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde met de exportprijs werd door middel van correcties rekening gehouden met verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

(45) De in de steekproef opgenomen producenten hebben om een aantal correcties verzocht voor fysieke verschillen tussen de verschillende kwaliteiten van het betrokken product (eerste, normale en andere kwaliteit). Ten eerste in verband met bepaalde kosten voor forel van "Japanse kwaliteit" (een vis van eerste kwaliteit waaraan, omdat deze voor de Japanse markt is bestemd, wat vel en kleur van het vlees betreft, strengere eisen worden gesteld) die volgens deze producenten niet relevant waren bij de berekening van de productiekosten van het naar de Gemeenschap uitgevoerde product. Vervolgens verzochten deze producenten om een vermindering van de productiekosten voor andere kwaliteiten dan de eerste kwaliteit met het absolute verschil in gemiddelde verkoopprijzen - in NOK/kg - tussen de eerste en de andere kwaliteiten.

(46) Deze claims van de in de steekproef opgenomen producenten overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening konden niet worden aanvaard. Wat de claim in verband met het betrokken product van Japanse kwaliteit betrof, konden de in de steekproef opgenomen producenten niet aantonen dat alle regenboogforellen van "Japanse kwaliteit" bestemd waren voor de Japanse markt noch dat de bijzondere kosten in feite niet waren gedaan voor alle vis die tijdens de productiecyclus was geproduceerd. Wat de tweede claim betrof, wordt erop gewezen dat deze inhield dat bepaalde kosten werden geschrapt en dat deze geen herallocatie van de kosten aan alle productie-eenheden inhield. De in de steekproef opgenomen producenten beschikten niet over een systeem om de kosten op basis van kwaliteitsverschillen te identificeren en hadden de voorgestelde methode zelf nooit gebruikt. Om alle bovenstaande redenen en bij gebrek aan een betere methode werd derhalve besloten, overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening, de kosten over de omzet om te slaan.

(47) Er werden correcties op de exportprijs toegepast voor verschillen in kosten voor kortingen, rabatten, vervoer, verzekering, lossen, laden en aanverwante kosten, krediet en naverkoopservice, voorzover van toepassing en met gecontroleerd bewijsmateriaal gestaafd. Op de normale waarde werden correcties toegepast voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, lossen, laden en aanverwante kosten en krediet, voor zover van toepassing en met gecontroleerd bewijsmateriaal gestaafd.

e) Dumpingmarge

(48) Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs.

(49) Bij deze vergelijking bleek dat het betrokken product met dumping was ingevoerd. De voorlopige dumpingmarge voor geheel Noorwegen is 26,3 % van de cif-prijs grens Gemeenschap.

2. De Faeröer

a) Normale waarde

(50) Daar de Faeröer geen binnenlandse markt heeft voor het betrokken product werd de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, vastgesteld op basis van de productiekosten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen vermeerderd met een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst.

(51) Daar de Faeröer geen binnenlandse markt heeft voor het betrokken product noch voor dezelfde algemene categorie producten werden de VAA-kosten en de winst die aan de productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs moeten worden toegevoegd vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. Deze bedragen werden derhalve gebaseerd op de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst die andere ondernemingen in een derde land (Chili) in een recent verleden hebben gemaakt bij de productie en de verkoop op de binnenlandse markt van producten van dezelfde algemene categorie. Deze methode werd in deze situatie als de meest redelijke beschouwd, omdat de productie- en de verkoopstructuur van viskwekerijen in Chili en op de Faeröer vergelijkbaar zijn (dat wil zeggen dat dezelfde algemene categorie producten in Chili en op de Faröer door geïntegreerde ondernemingen wordt geproduceerd en verkocht).

b) Exportprijs

(52) Beide in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs voerden in het onderzoektijdvak uit naar niet-gelieerde afnemers in de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd de exportprijs voor deze transacties vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen exportprijzen.

(53) Bovendien voerde een in de steekproef opgenomen producent/exporteur in het onderzoektijdvak ook uit naar een gelieerde onderneming in de Gemeenschap. Deze onderneming verwerkte het betrokken product echter tot een product dat niet beantwoordt aan de omschrijving van het betrokken product, alvorens het aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap werd verkocht. Deze uitvoer werd bijgevolg niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de dumpingmarge.

c) Vergelijking

(54) De vergelijking van de normale waarde met de exportprijs vond plaats in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde met de exportprijs werden correcties toegepast voor verschillen die gevolgen hadden voor de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

(55) De in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs in de Faeröer hebben ook verzocht om correcties op de productiekosten voor de fysieke verschillen tussen de verschillende kwaliteiten (eerste, normale en andere kwaliteit) op basis van de absolute verschillen in gemiddelde verkoopprijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap in het onderzoektijdvak.

(56) Om dezelfde redenen als die welke hierboven in verband met eenzelfde claim van de Noorse producenten werden opgegeven (zie overweging 45), kon ook dit verzoek niet in die vorm worden ingewilligd. Derhalve werd bij gebrek aan een meer geschikte methode besloten tot een kostentoerekening op basis van de omzet overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

(57) Bovendien werden correcties toegepast voor verschillen in kosten voor vervoer, vervoer over zee en verzekering, krediet, kortingen en rabatten. Deze correcties werden toegepast indien van toepassing en gerechtvaardigd.

d) Dumpingmarges

(58) Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werden de dumpingmarges vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs. Op basis van deze vergelijking bedragen de dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(59) Artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat, wanneer de Commissie haar onderzoek overeenkomstig artikel 17 tot een steekproef heeft beperkt, het antidumpingrecht op het betrokken product afkomstig van exporteurs of producenten die zich overeenkomstig artikel 17 kenbaar hebben gemaakt, maar die niet werden onderzocht, niet hoger mag zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen bedrijven is vastgesteld. De aldus vastgestelde dumpingmarge voor deze niet-onderzochte ondernemingen bedraagt 40,5 %. In verband met de residuele dumpingmarge voor niet-medewerkende producenten/exporteurs op de Faeröer wordt opgemerkt dat het niveau van medewerking op de Faeröer als behoorlijk werd beschouwd. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de residuele dumpingmarge voor alle andere ondernemingen gelijk is aan de hoogste marge die werd vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs, namelijk 54,5 %.

E. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

a) Steekproef

(60) Gezien het grote aantal producenten van het betrokken product in de Gemeenschap werd in het bericht van inleiding vermeld dat voor de schadebeoordeling van een steefproef gebruik zou worden gemaakt. De samenstelling van de steekproef van EG-producenten werd gebaseerd op het grootste representatieve productie- en verkoopvolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. In het bericht van inleiding werden alle EG-producenten derhalve verzocht basisgegevens te verstrekken over hun productie, verkoop en prijzen alsmede een nauwkeurige beschrijving te geven van hun activiteiten in verband met de productie van het betrokken product in het onderzoektijdvak.

(61) Op basis van de gegevens die de Commissie heeft ontvangen werden aanvankelijk negen ondernemingen die in vier lidstaten werkzaam zijn voor de steekproef geselecteerd. Alle ondernemingen werd een vragenlijst toegezonden.

b) In de steekproef opgenomen EG-producenten

(62) Twee van de negen geselecteerde ondernemingen hebben vervolgens geen medewerking verleend en werden derhalve van het onderzoek uitgesloten. Een andere onderneming steunde de procedure uitdrukkelijk en beantwoordde de vragenlijst, maar kon geen gegevens verstrekken over haar verkoop, per transactie, aan niet-gelieerde afnemers, omdat zij voornamelijk aan een gelieerde onderneming had verkocht die failliet was gegaan. Alle andere geselecteerde ondernemingen hebben de vragenlijst volledig beantwoord. Er werden controles ter plaatse verricht bij de zes in de steekproef opgenomen ondernemingen en bij één gelieerde onderneming, Napapiirin Kala Oy, die alle vermeld zijn in overweging 6, onder a). Deze ondernemingen waren in het onderzoektijdvak goed voor 16 % van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap.

c) Omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(63) De klagende EG-producenten (al dan niet deel uitmakend van de steekproef) en de EG-producenten die de klacht steunden (al dan niet deel uitmakend van de steekproef) en die de vragen in verband met de steekproef hebben beantwoord en vervolgens niet van het onderzoek werden uitgesloten, zijn samen goed voor meer dan 25 % van de productie van het betrokken product in de Gemeenschap. Deze ondernemingen zijn daarom de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(64) Een belanghebbende voerde aan dat de klagende bedrijven beschouwd moesten worden als een regionale bedrijfstak en niet beschouwd konden worden als de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van de basisverordening. Dit argument werd voorlopig van de hand gewezen omdat de invoer met dumping uit Noorwegen en de Faeröer niet op de Finse markt is geconcentreerd en dat het niet alleen de Finse producenten zijn die schade lijden. Er is derhalve niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b).

F. SCHADE

a) Zichtbaar verbruik in de Gemeenschap

(65) Het zichtbare verbruik van het betrokken product in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de productiecijfers van de medewerkende en andere EG-producenten en hieraan de cijfers inzake invoer toe te voegen en inzake uitvoer af te trekken (volgens Eurostat). Omdat de Eurostat-cijfers het nettogewicht aangeven voor vier verschillende GN-codes, namelijk verse of gekoelde vis, ontdaan van de ingewanden, met kop of zonder kop, verse of gekoelde filets en bevroren vis, ontdaan van de ingewanden of filets, werden correcties toegepast om het nettogewicht om te zetten in levend gewicht of "hele-visequivalenten", daar de betrokken bedrijfstak meestal op deze basis vergelijkingen maakt. Derhalve werden de invoercijfers voor "verse, gekoelde en bevroren forel, met uitzondering van filets" en voor "verse, gekoelde en bevroren filets van forel" gedeeld door respectievelijk 0,83 en 0,52. Er wordt op gewezen dat de betrokken GN-codes ook betrekking kunnen hebben op andere vissoorten waarop deze procedure geen betrekking heeft zoals in porties verdeelde forel. Gezien echter de vermelde oorsprong kunnen dergelijke hoeveelheden als te verwaarlozen worden beschouwd. Voor de uitvoer werd gebruikgemaakt van dezelfde methode om nettogewicht om te zetten in hele-visequivalenten. Omdat EG-producenten/exporteurs grote hoeveelheden van het betrokken product in porties verdeeld uitvoeren, werden de uitvoercijfers in dit geval gecorrigeerd op basis van de verhouding van de productie van grote regenboogforel in elke lidstaat tot de totale productie van regenboogforel in die lidstaat, hierbij gebruikmakend van de gegevens die de Federatie van de Europese Aquacultuurproducenten in de klacht had verstrekt.

(66) Er wordt op gewezen dat het verbruik in de Gemeenschap ook het betrokken product omvat dat tot een ander product is verwerkt.

(67) Het aldus berekende zichtbare verbruik in de Gemeenschap steeg in de beoordelingsperiode met 18 %, namelijk van 44000 ton in 1999 tot ongeveer 52000 ton in het onderzoektijdvak.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vragenlijst, de gegevens in de klacht en Eurostat.

b) Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer

(68) De Commissie heeft onderzocht of de invoer van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(69) Voor de invoer uit Noorwegen en de Faeröer werden dumpingmarges vastgesteld van respectievelijk 26,3 % en 54,5 %. Deze waren dus hoger dan het als minimaal te beschouwen percentage van 2 % dat is vastgesteld bij artikel 9, lid 3, van de basisverordening. De omvang van de uitvoer uit Noorwegen en de Faeröer was dus niet te verwaarlozen.

(70) Wat de concurrentievoorwaarden betreft bleek uit het onderzoek dat de fysieke basiskenmerken van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer vergelijkbaar waren. Daarom was het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer onderling verwisselbaar. Het was in de beoordelingsperiode via vergelijkbare verkoopkananalen en op vergelijkbare handelsvoorwaarden in de Gemeenschap op de markt gebracht. Bovendien wordt eraan herinnerd dat het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer vergelijkbaar was met het betrokken product dat in de Gemeenschap wordt geproduceerd en als zodanig op dezelfde voorwaarden concurreerde.

(71) Er werd aangevoerd dat de invoer uit de Faeröer in het kader van dit onderzoek niet gecumuleerd mocht worden met de invoer uit Noorwegen omdat de invoer uit de Faeröer in 1999, 2000 en 2001 minimaal was, en slechts in het onderzoektijdvak meer dan minimaal. Voorts werd aangevoerd dat de invoer uit de Faeröer na het onderzoektijdvak om twee redenen zou dalen. Ten eerste zouden de gunstige verkoopvoorwaarden voor grote regenboogforel in Japan in de periode 1999-2001, waardoor de Faeröerse viskwekers gestimuleerd werden dit product te kweken, niet langer aanwezig zijn. Ten tweede zouden de Faeröerse farmers opnieuw zalm zijn gaan kweken, hetgeen tot een daling van de productie van grote regenboogforel had geleid en bijgevolg van het marktaandeel van hun product in de Gemeenschap. In verband met het eerste argument wordt erop gewezen dat het feit of de omvang van de invoer te verwaarlozen is wordt bepaald aan de hand van de omvang van de invoer in het onderzoektijdvak en deze bleek meer te zijn geweest dan 2 % van de EG-markt. In verband met het tweede argument wordt erop gewezen dat gegevens over een periode na het onderzoektijdvak overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening normalerwijze niet in aanmerking worden genomen. Bovenstaande argumenten waren bovendien uitsluitend op veronderstellingen gebaseerd en niet met gegevens gestaafd. Daarom werd geoordeeld dat de aangevoerde feiten niet duidelijk, onbetwistbaar en duurzaam waren en werden zij voorlopig afgewezen.

(72) Gelet op het voorgaande was het voorlopige oordeel van de diensten van de Commissie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening was voldaan en dat de gevolgen van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer derhalve cumulatief mochten worden beoordeeld.

c) Omvang van de invoer en marktaandeel

(73) De invoer van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer is volgens Eurostat gestegen van ongeveer 1700 ton in 1999 tot meer dan 9000 ton in het onderzoektijdvak. Bij de berekening van deze cijfers werd gebruikgemaakt van de in overweging 65 beschreven methode.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(74) In de beoordelingsperiode steeg het marktaandeel van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer van 3,8 % in 1999 tot 17,9 % in het onderzoektijdvak. De sterke stijging van de invoer (14,1 percentpunten) in de beoordelingsperiode absorbeerde het grootste deel van de stijging van het verbruik in de Gemeenschap in die periode.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

d) Gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen in de Gemeenschap

i) Invoerprijzen

(75) De prijzen van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer zijn afkomstig van Eurostat en werden vastgesteld aan de hand van de omvang van de invoer waarbij gebruik werd gemaakt van de in overweging 65 beschreven omrekeningsmethode. Uit deze gegevens bleek dat de gemiddelde cif-prijs van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer van 1999 tot in het onderzoektijdvak met 27 % was gedaald. Deze daling was zeer sterk na 2000 en valt samen met de sterke stijging van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Eurostat.

ii) Prijsonderbieding en prijsdaling

(76) Om de prijsonderbieding in het onderzoektijdvak te berekenen werden de prijzen van het betrokken product van de in de steekproef opgenomen EG-producenten vergeleken met de prijzen van het betrokken product van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs op de EG-markt in het onderzoektijdvak; hierbij werd uitgegaan van gewogen gemiddelde nettoprijzen per productsoort aan niet-gelieerde afnemers, na aftrek van alle rabatten en heffingen.

(77) De elementen die in aanmerking werden genomen voor de vaststelling van de productsoorten waren: kwaliteit (eerste, normale of andere kwaliteit), toestand (vers, gekoeld of bevoren) en aanbiedingsvorm (gehele vis, van de ingewanden ontdaan met kop; gehele vis, van de ingewanden ontdaan, zonder kop; of filets). De prijzen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten waren de prijzen af fabriek (na verwerking) en in het handelsstadium dat vergelijkbaar was met die van de producten uit Noorwegen en de Faeröer. De cif-prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs werden gecorrigeerd voor de invoerrechten; voor één Faeröerse producent/exporteur werd een correctie toegepast om de door deze exporteur verkochte productsoorten vergelijkbaar te maken met de productsoorten van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

(78) Bij de vergelijking bleek dat het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer in het onderzoektijdvak in de Gemeenschap was verkocht tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden; deze onderbieding, in procenten van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, bedroeg voor Noorwegen gemiddeld 6,3 % en voor de Faeröer 1 à 21,4 %.

(79) Er wordt ook op gewezen dat de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren gedaald en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel in het onderzoektijdvak bijna verlieslatend was; enkele bedrijven maakten daadwerkelijk verlies.

e) Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

i) Inleiding

(80) Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek van de Commissie een beoordeling van alle relevante indicatoren van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap; er wordt op gewezen dat de bedrijfstak niet eerder te maken heeft gehad met concurrentie door dumping of door gesubsidieerde producten. Daar gebruik was gemaakt van steekproeven werden de schade-indicatoren enerzijds vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen en anderzijds voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel. Verkoopprijzen, winstgevendheid, het rendement van investeringen, de kasstroom en de lonen werden beoordeeld op basis van de gegevens over de in de steekproef opgenomen ondernemingen. De andere schade-indicatoren, namelijk productiecapaciteit, productie, marktaandeel en werkgelegenheid werden beoordeeld op basis van gegevens over de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap.

ii) Productiecapaciteit, productie, bezettingsgraad

(81) De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode stabiel gebleven. Dit wordt verklaard door het feit dat het productieniveau afhankelijk is van milieuvergunningen die in de meeste lidstaten om de vijf à tien jaar worden afgegeven of verlengd. In dezelfde periode steeg de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 8 % en de bezettingsgraad met 5 procentpunten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vragenlijst.

iii) Voorraden

(82) Gekweekte grote regenboogforel is een aan bederf onderhevig product dat, tenzij bevroren, minder dan twee weken houdbaar is. Omdat de in de steekproef opgenomen EG-producenten geen voorraden van het betrokken product na de oogst aanleggen en geen aanzienlijke hoeveelheid van hun productie invriezen, worden voorraden in het kader van dit onderzoek niet als een zinvolle schade-indicator beschouwd.

iv) Marktaandeel en groei

(83) Met het oog op een consequente en zinvolle analyse werd het passend geacht het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals het verbruik in de Gemeenschap (zie overweging 65), te beoordelen op basis van de productiecijfers in de beoordelingsperiode en niet op de verkoopcijfers.

(84) Het aldus vastgestelde marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de beoordelingsperiode met 2 procentpunten. Het verbruik in de Gemeenschap steeg in die periode met 18 %, terwijl de omvang van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer bijna verzesvoudigde. De bedrijfstak van de Gemeenschap zag zijn marktaandeel dalen, terwijl het marktaandeel van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer steeg. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon derhalve niet ten volle profiteren van de groei van de markt in de beoordelingsperiode.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(85) Er wordt aan herinnerd dat het totale marktaandeel van alle EG-producenten (medewerkende en niet-medewerkende) veel groter is (34,5 % in het onderzoektijdvak); de bovenstaande percentages hebben uitsluitend betrekking op het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap zoals gedefinieerd in overweging 63.

v) Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(86) De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de beoordelingsperiode met 11 %. In dezelfde periode steeg de productiviteit, uitgedrukt in productie per werknemer per jaar, met 21 %. Deze stijging van de productie per werknemer is hoofdzakelijk het gevolg van investeringen in nieuwe uitrusting. Veel bedrijven moesten personeel ontslaan ten gevolge van de slechte situatie waarin zij zich bevonden, terwijl zij, gezien de productiecyclus van het betrokken product, niet in staat waren de productie op korte termijn te verlagen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vragenlijst.

(87) Over het geheel genomen bleef de totale loonsom voor de in de steekproef opgenomen EG-producenten in het onderzoektijdvak betrekkelijk stabiel. In de beoordelingsperiode steeg het gemiddelde loon per werknemer met 8 %. De lonen bleven stabiel in 2000, stegen met 4 % in 2001 en nogmaals met 4 % in het onderzoektijdvak.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

vi) Verkoopprijzen

(88) De gemiddelde nettoverkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten stegen van 2,9 EUR per kg in 1999 tot een piek van 3,1 EUR in 2000. Van 2000 op 2001 was er een aanzienlijke prijsdaling. Deze daling zette zich in het onderzoektijdvak verder; de gemiddelde prijzen bereikten toen hun laagste niveau, namelijk 2,5 EUR per kg. De sterke prijsdaling die in 2000 inzette viel samen met de sterke stijging van de invoer tegen dumpingprijzen uit Noorwegen en de Faeröer.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

vii) Winstgevendheid

(89) Het rendement van de nettoverkoop in de Gemeenschap van de in de steekproef opgenomen EG-producenten gaf in het onderzoektijdvak een duidelijke daling te zien ten gevolge van de lage prijzen op de markt. In dezelfde periode verbeterde de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productiviteit en diversifieerde hij zijn productie. Een en ander resulteerde in een lagere kostprijs per eenheid omdat de vaste kosten over een grotere productie konden worden gespreid. In de beoordelingsperiode ontwikkelde de winst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten bij verkoop aan niet-gelieerde afnemers in de Gemeenschap zich als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

(90) Tezamen genomen waren de in de steekproef opgenomen EG-producenten winstgevend in 1999, 2000 en 2001. De winsten bereikten een niveau dat, gezien de risicovolle aard van deze productie, noodzakelijk werd geacht. In het onderzoektijdvak daalde de winstgevendheid evenwel aanzienlijk in overeenstemming met de sterke prijsdaling die zich toen voordeed; verschillende in de steekproef opgenomen ondernemingen leden in het onderzoektijdvak verliezen. Bovendien ging een aantal medewerkende producenten over tot een herziening van hun productieplannen voor de volgende jaren, hetgeen ertoe leidde dat in 2002 minder jonge vis werd uitgezet.

viii) Investeringen en rendement van investeringen

(91) De investeringen in de productie van het betrokken product door de in de steekproef opgenomen EG-producenten stegen in de beoordelingsperiode van ongeveer 500000 EUR tot meer dan 800000 EUR. De investeringen waren hoofdzakelijk gericht op de vervanging van bestaande activa en de aanschaf van bijkomende en/of nieuwe uitrusting om de bestaande productiecapaciteit te verbeteren en de productiviteit te doen stijgen.

(92) Het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen EG-producenten (het resultaat vóór belastingen in procenten van de gemiddelde nettoboekwaarde van de activa die bij de productie van het betrokken product worden gebruikt aan het begin en het einde van het boekjaar) was in 1999, 2000 en 2001 positief, hetgeen op een winstgevende situatie wijst. In het onderzoektijdvak, toen de winst sterk daalde en slechts de kosten werden gedekt, daalde het rendement van de investeringen tot 2 %. In het algemeen is de bedrijfstak niet zeer kapitaalintensief; investeringen maken slechts een betrekkelijk klein deel uit van de totale productiekosten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

ix) Kasstroom

(93) De in de steekproef opgenomen EG-producenten registreerden in de beoordelingsperiode een nettokasinstroom uit hun activiteiten. In procenten van de omzet ging deze kasinstroom in het onderzoektijdvak echter duidelijk achteruit.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Bron:

Antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen EG-producenten.

x) Omvang van de dumpingmarge

(94) Gezien de omvang van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer en de prijzen waartegen deze producten werden ingevoerd, zijn de gevolgen van de omvang van de dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk.

f) Conclusie

(95) Bij onderzoek van bovenvermelde factoren blijkt dat de invoer met dumping van 1999 tot in het onderzoektijdvak sterk is toegenomen, zowel in hoeveelheden als in marktaandeel. De omvang van de invoer verzesvoudigde in de beoordelingsperiode en bereikte in het onderzoektijdvak een marktaandeel van ongeveer 18 %. De invoer van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer was in het onderzoektijdvak goed voor ongeveer 85 % van de totale invoer van het betrokken product. De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden in het onderzoektijdvak aanzienlijk (tot 21,4 %) onderboden door de prijzen van de producten uit Noorwegen en de Faeröer.

(96) In deze periode gaven bepaalde schade-indicatoren, zoals productie en bezettingsgraad een positieve ontwikkeling te zien (respectievelijk + 8 % en + 5 procentpunten). Getoetst aan het verbruik in de Gemeenschap dat in die periode met 18 % steeg, hadden deze indicatoren echter nog positiever moeten zijn. Ten gevolge van de steeds stijgende invoer met dumping moest de bedrijfstak van de Gemeenschap arbeidsplaatsen schrappen. De gestegen productiviteit per werknemer in die periode is deels een gevolg hiervan.

(97) De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft in de beoordelingsperiode marktaandeel verloren, terwijl het totale verbruik in de Gemeenschap op dat ogenblik steeg van ongeveer 44000 ton tot bijna 52000 ton. De bedrijfstak van de Gemeenschap zag de winstgevendheid (- 11 procentpunten), kasstroom (- 11 % van de omzet) en opbrengst van investeringen (- 57 procentpunten) sterk dalen.

(98) Gelet op het voorgaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3 van de basisverordening; deze schade kwam tot uiting in de sterke prijsdaling, lagere winsten en een lager rendement van de investeringen.

G. OORZAAK

a) Inleiding

(99) Voor de conclusies over de oorzaak van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening, de gevolgen onderzocht van alle bekende factoren voor de situatie van deze bedrijfstak. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap ook schade kon hebben geleden werden eveneens onderzocht om ervoor te zorgen dat mogelijke schade door deze andere factoren niet werd toegeschreven aan de invoer met dumping.

b) Gevolgen van de invoer met dumping

(100) Van 1999 tot in het onderzoektijdvak nam de omvang van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer sterk toe (met meer dan 550 %); ook het marktaandeel van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer steeg sterk (van 3,8 % in 1999 tot 17,9 % in het onderzoektijdvak). De prijs van dit product uit Noorwegen en de Faeröer daalde in de beoordelingsperiode aanmerkelijk en onderbood de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak in aanzienlijke mate. Er wordt op gewezen dat de markt voor het betrokken product een concurrerende en doorzichtige markt is. Op een dergelijke markt is prijsonderbieding zeer nadelig, want de aankopen worden dan spoedig verlegd naar producten die tegen dumpingprijzen worden aangeboden.

(101) De prijzen van de producten uit Noorwegen en de Faeröer waren in de gehele beoordelingsperiode lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bovendien oefenden zij druk uit op de markt, zodat de bedrijfstak van de Gemeenschap prijzen moest verlagen. Opgemerkt wordt dat de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk versnipperd is en dus geen prijszetter is op de markt.

(102) De prijsdalingen en het verlies van marktaandeel door de bedrijfstak van de Gemeenschap vielen samen met een aantal andere negatieve ontwikkelingen van de algemene economische situatie van deze bedrijfstak. Deze bedrijfstak evolueerde van een winstniveau dat voor deze bedrijfstak als correct wordt beschouwd naar een situatie waarin de kosten nauwelijks werden gedekt. In het onderzoektijdvak kon ook een sterke daling van de kasstroom en van het rendement van de investeringen worden waargenomen. Deze factoren, en het feit dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de druk op de prijzen niet kon profiteren van de groei van de EG-markt, hadden tot gevolg dat deze bedrijfstak, ondanks saneringen en investeringen, in het onderzoektijdvak aanmerkelijke schade leed. De stijging van het marktaandeel van de met dumping ingevoerde producten en de daling van de prijzen van deze producten vielen samen met een drastische wijziging van de voorwaarden voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

c) Gevolgen van andere factoren

Prestaties van andere EG-producenten

(103) De productie en verkoop van de andere EG-producenten gaven van 1999 tot in het onderzoektijdvak een geringe daling te zien (2 %); het marktaandeel van de producten van deze producenten ging sterk naar beneden (13,4 %). Er waren geen aanwijzingen dat de prijzen van de andere EG-producenten lager waren dan die van de medewerkende EG-producenten. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de productie en de verkoop van de andere EG-producenten niet hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

Invoer uit andere derde landen

(104) Volgens de gegevens van Eurostat steeg de omvang van de invoer uit andere derde landen (bv. Turkije en Chili) in de beoordelingsperiode met 22 %; deze stijging kwam overeen met de stijging van het verbruik en steeg in het onderzoektijdvak tot ongeveer 1700 ton (hele-visequivalenten). Dit stemt overeen met een marktaandeel van 3,3 %. In dezelfde periode daalden de prijzen van producten uit andere derde landen met 9 % (van 2,35 EUR/kg in 1999 tot 2,15 EUR/kg in het onderzoektijdvak). De gemiddelde prijs van de producten uit andere derde landen was in het onderzoektijdvak hoger dan die van de producten uit Noorwegen en de Faeröer. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de invoer uit derde landen niet aanmerkelijk heeft bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(105) Bij het onderzoek hebben de belanghebbenden geen andere factoren aangevoerd of werden geen andere factoren gevonden waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap ook schade had kunnen lijden.

d) Conclusie

(106) De nadelige situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap viel samen met een sterke stijging van de invoer uit Noorwegen en de Faeröer en met de aanmerkelijke prijsonderbieding door de producten uit die landen.

(107) Daar het marktaandeel van het betrokken product uit andere derde landen in het onderzoektijdvak zeer gering was in vergelijking met het marktaandeel van het betrokken product uit Noorwegen en de Faeröer en daar de gemiddelde prijzen bij invoer uit andere derde landen in het onderzoektijdvak hoger waren dan bij invoer uit Noorwegen en de Faeröer wordt voorlopig geconcludeerd dat de gevolgen van deze andere factoren niet zodanig waren dat zij het oorzakelijk verband hebben verbroken tussen de invoer met dumping en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(108) Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden door de invoer met dumping uit Noorwegen en de Faeröer in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

H. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

(109) Ter beoordeling van het belang van de Gemeenschap heeft de Commissie de mogelijke gevolgen onderzocht van het al dan niet instellen van antidumpingmaatregelen voor de betrokken bedrijven. De Commissie heeft niet alleen de EG-producenten en de importeurs om informatie verzocht maar ook alle haar bekende belanghebbenden, zoals verwerkende bedrijven en consumentenverenigingen.

a) Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(110) De bedrijfstak van de Gemeenschap bestaat hoofdzakelijk uit kleine en middelgrote ondernemingen. Het productieproces is in grote mate afhankelijk van de biologische cyclus van de grote regenboogforel en aanzienlijke schaalvoordelen zijn uitgesloten omdat de productie door milieuvergunningen wordt geregeld. Toch kan de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productie binnen de perken van de bestaande vergunningen nog enigszins verhogen omdat de bezettingsgraad momenteel ongeveer 77 % is.

(111) Van de maatregelen wordt verwacht dat zij een verdere verstoring van de markt en een verdere verlaging van de prijzen zullen tegengaan. Hierdoor zou de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verloren marktaandeel kunnen terugwinnen, zelfs bij verkoop tegen kostendekkende prijzen, hetgeen op zijn beurt tot een hogere productiviteit zal leiden vanwege de lagere kosten per eenheid. Ten slotte wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, hoofdzakelijk door lagere kosten per eenheid (vanwege de hogere bezettingsgraad en dus de hogere productiviteit) en in mindere mate door een geringe prijsstijging, in staat zal zijn zijn financiële situatie te verbeteren zonder de consumentenmarkt te verstoren.

(112) Indien daarentegen geen antidumpingmaatregelen worden genomen zal de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk verder verslechteren. De bedrijfstak van de Gemeenschap kampt vooral met lagere inkomsten ten gevolge van de druk op de prijzen, verlies van marktaandeel en onvoldoende winsten. Gezien de dalende inkomsten en de aanmerkelijke schade in het onderzoektijdvak zal de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zeer waarschijnlijk verder verslechteren indien geen maatregelen worden genomen. Dit zal uiteindelijk leiden tot een lagere productie en meer bedrijfssluitingen, hetgeen nadelig is voor de werkgelegenheid en de investeringen in de Gemeenschap.

(113) Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door antidumpingmaatregelen in staat moet zijn zich te herstellen van schadeveroorzakende dumping.

b) Belang van niet-gelieerde importeurs/handelaren in de Gemeenschap

(114) Gezien het kennelijk grote aantal importeurs van het betrokken product, heeft de Commissie de importeurs of hun vertegenwoordigers in het bericht van inleiding verzocht zich bekend te maken en basisgegevens te verstrekken over de verkoop en de prijzen van het betrokken product in het onderzoektijdvak, zodat zij kon beoordelen of een steekproef noodzakelijk was en, indien dat het geval was, deze samen te stellen. Daar slechts een klein aantal ondernemingen gegevens heeft verstrekt, heeft de Commissie geen steekproef samengesteld en werd aan alle importeurs die zich bekend hadden gemaakt een vragenlijst gezonden. Twee ondernemingen die het betrokken product uit Noorwegen invoeren hebben de vragenlijst beantwoord.

(115) Beide voerden aan dat het betrokken product uit Noorwegen van betere kwaliteit was dan het betrokken product dat in de Gemeenschap werd geproduceerd. Zij voerden aan dat antidumpingmaatregelen de beschikbaarheid van het betrokken product van goede kwaliteit uit Noorwegen zouden beperken, vooral in de zomer en vroege herfst wanneer de Finse producenten ten gevolge van de productiecyclus van het betrokken product niet volledig aan de vraag kunnen voldoen. In verband met het eerste argument werd vastgesteld dat zowel het product uit Noorwegen en de Faeröer als het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde product soortgelijke producten zijn. De kwaliteit van het product wordt bepaald door het uiterlijk, waaronder de kleur van vlees en vel. Met deze factoren werd rekening gehouden bij de vergelijking van de verschillende ingevoerde productsoorten en de soorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap werden geproduceerd en verkocht. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft grotendeels vis van eerste kwaliteit verkocht. In verband met de beschikbaarheid van het product wordt in de eerste plaats opgemerkt dat de Finse markt niet als een gesloten markt wordt beschouwd en dat Finse producenten het hele jaar door leveren, ook al zijn er seizoenschommelingen. Ten tweede zullen antidumpingmaatregelen het beweerde voordeel van de invoer uit Noorwegen in perioden van het jaar waarin de aanvoer in de Gemeenschap niet voldoende is, niet teniet doen. Het betrokken product uit Noorwegen zal ook in de toekomst aan de vraag in de Gemeenschap kunnen voldoen. Voorlopig werden deze argumenten dus afgewezen.

(116) Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen geen significante gevolgen zullen hebben voor de niet-gelieerde importeurs/handelaren.

c) Belang van de verwerkende bedrijven en de consument

(117) Er hebben zich geen organisaties van verwerkende bedrijven of van de consument bekendgemaakt binnen de bij het bericht van inleiding vastgestelde termijn. De diensten van de Commissie hebben contact opgenomen met organisaties van verwerkende bedrijven en de consument die zij kende van de recente procedures betreffende zalm en zij heeft deze organisaties verzocht haar in het kader van deze procedure gegevens te verstrekken. Zij heeft evenwel geen antwoord ontvangen van de bedrijven zelf, noch van hun representatieve organisaties of van consumentenorganisaties. Gezien dit gebrek aan medewerking wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen geen ernstige gevolgen voor de situatie van deze partijen zullen hebben.

d) Verstoring van concurrentie en handel

(118) Wat de gevolgen van mogelijke maatregelen voor de concurrentie in de Gemeenschap betreft, is het waarschijnlijk dat de betrokken producenten/exporteurs het betrokken product in de Gemeenschap tegen niet-schadeveroorzakende prijzen kunnen blijven verkopen, want zij hebben een goede marktpositie. Hierdoor, en door het grote aantal producenten in de Gemeenschap en de invoer uit andere derde landen, zullen verwerkende bedrijven en kleinhandelaren kunnen blijven kiezen uit een groot aantal leveranciers van het betrokken product tegen redelijke prijzen.

(119) Er zullen dus een groot aantal bedrijven zijn die aan de vraag kunnen voldoen. Op basis van het bovenstaande wordt derhalve voorlopig geconcludeerd dat de concurrentie na de instelling van de antidumpingmaatregelen naar alle waarschijnlijkheid sterk zal blijven.

e) Conclusie

(120) Rekening houdend met het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er in dit geval geen dwingende redenen zijn om geen maatregelen te nemen en dat maatregelen in het belang van de Gemeenschap zijn.

I. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1. Schademarge

(121) Gezien de conclusies in verband met dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap moeten voorlopige maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping schade blijft lijden.

(122) De voorlopige rechten dienen voldoende hoog te zijn om een einde te maken aan de geleden schade, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de gevolgen van invoer met dumping worden geneutraliseerd, werd geoordeeld dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belasting te maken die redelijkerwijze, in normale concurrentie-omstandigheden, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping, op de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap kan worden gemaakt.

(123) De Commissie oordeelde dat de concurrentie in de Gemeenschap in de periode 1999-2001 normaal was; de bedrijfstak van de Gemeenschap boekte toen, in afwezigheid van invoer met dumping, een normale winst die gemiddeld hoger was 12 %. Een winst van 12 % wordt noodzakelijk geacht gezien de risicovolle aard van dit soort productie. Op basis van de beschikbare gegevens werd een winstmarge van 12 % op de omzet voorlopig als een passende winst beschouwd die de bedrijfstak van de Gemeenschap in afwezigheid van schadeveroorzakende dumping kon maken.

(124) De noodzakelijke prijsverhoging werd berekend door de gewogen gemiddelde invoerprijs (vastgesteld in het kader van de berekening van de onderbiedingsmarges) te vergelijken met de niet-schadeveroorzakende prijs van de verschillende soorten die door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de EG-markt waren verkocht. De niet-schadeveroorzakende prijs werd verkregen door de verkoopprijzen van elke in de steekproef opgenomen EG-producent tot het "break-even"-point te corrigeren en daaraan de bovengenoemde winstmarge toe te voegen. De bij deze vergelijking gevonden verschillen werden vervolgens uitgedrukt in procenten van de totale cif-invoerwaarde.

(125) De volgende schademarges werden vastgesteld:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

In verband met de residuele schademarge voor de niet-medewerkende exporteurs/producenten van de Faeröer wordt erop gewezen dat het niveau van medewerking voor de Faeröer als goed werd beschouwd. Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de residuele schademarge voor alle andere ondernemingen gebaseerd moet worden op de hoogste schademarge die werd vastgesteld voor de medewerkende in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs, namelijk 49,1 %.

2. Voorlopige maatregelen

(126) Op grond van het bovenstaande en overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening, dienen de voorlopige antidumpingrechten te worden afgestemd op de schademarges, daar deze in alle gevallen lager waren dan de dumpingmarges.

(127) De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor ondernemingen op de Faeröer zijn gebaseerd op de bevindingen van onderhavig onderzoek. Zij weerspiegelen de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het recht dat "voor alle andere ondernemingen" in het land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit de Faeröer die door de genoemde ondernemingen (rechtspersonen) zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.

(128) Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldend antidumpingrechten (bv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

J. SLOTBEPALING

(129) Gelet op de beginselen van een behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich bekend hebben gemaakt binnen de bij het bericht van inleiding vastgestelde termijn opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient erop te worden gewezen dat alle bevindingen in het kader van deze verordening voorlopig zijn en herzien kunnen worden voordat de Commissie eventueel definitieve maatregelen voorstelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Er worden voorlopige antidumpingrechten ingesteld op grote regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), vers, gekoeld of bevroren, in de vorm van de gehele vis, met kop en kieuwen, doch ontdaan van ingewanden ("gutted"), wegende meer dan 1,2 kg per stuk, of ontdaan van de kop ("heads off") en van ingewanden en kieuwen ("gilled and gutted"), wegende meer dan 1 kg per stuk, of in de vorm van filets (van meer dan 0,4 kg), ingedeeld onder de GN-codes 0302 11 20, 0303 21 20, 0304 10 15 en 0304 20 15, van oorsprong uit Noorwegen en de Faeröer.

Het voorlopige antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, is 21,4 % voor het in de vorige alinea omschreven product uit Noorwegen. De voorlopige antidumpingrechten, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product uit de Faeröer zijn als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

De in lid 1 bedoelde producten kunnen in de Gemeenschap uitsluitend in het vrije verkeer worden gebracht, nadat daarvoor zekerheid is gesteld ter hoogte van het bedrag van het voorlopige recht.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen 20 dagen na de inwerkingtreding van deze verordening de Commissie verzoeken in kennis te worden gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 september 2003.

Voor de Commissie

Pascal Lamy

Lid van de Commissie

(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2) PB L 305 van 7.11.2002, blz. 1.

(3) PB C 318 van 19.12.2002, blz. 2.