De lidstaten worden gemachtigd om voor grond van oorsprong uit bepaalde derde landen af te wijken van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG voor wat betreft het in deel A, punt 14, van bijlage III bij die richtlijn vastgestelde verbod en van artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG voor wat betreft de in deel A, rubriek I, punt 34, van bijlage IV bij die richtlijn vermelde bijzondere eisen.
2005/51/EG: Beschikking van de Commissie van 21 januari 2005 tot machtiging van de lidstaten om met het oog op reiniging tijdelijk afwijkingen van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan voor de invoer van grond verontreinigd door bestrijdingsmiddelen of persistente organische verontreinigende stoffen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 92)
2005/51/EG: Beschikking van de Commissie van 21 januari 2005 tot machtiging van de lidstaten om met het oog op reiniging tijdelijk afwijkingen van sommige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad toe te staan voor de invoer van grond verontreinigd door bestrijdingsmiddelen of persistente organische verontreinigende stoffen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 92)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen(1), en met name op artikel 15, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Krachtens Richtlijn 2000/29/EG mag grond, van oorsprong uit bepaalde derde landen, in principe niet in de Gemeenschap worden binnengebracht.
De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) beheert een programma voor de preventie en verwijdering van verouderde en ongewenste bestrijdingsmiddelen om ontwikkelingslanden bij te staan bij het identificeren en verwijderen van voorraden verouderde bestrijdingsmiddelen en grond die door lekken met deze producten verontreinigd is. Bovendien hebben twee internationaal juridisch bindende instrumenten betrekking op de productie, het gebruik en de vrijkoming van persistente organische verontreinigende stoffen en op het veilige beheer van afval dat deze stoffen bevat om de volksgezondheid en het milieu tegen deze stoffen te beschermen. Aangezien ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie niet altijd over adequate voorzieningen beschikken om die voorraden en verontreinigde grond veilig te vernietigen of op te werken, kan de grond in het kader van internationale overeenkomsten en programma’s naar een behandelingsinstallatie worden getransporteerd met het oog op verwerking of vernietiging.
Volgens het bovengenoemde programma moet de grond worden verpakt en geëtiketteerd overeenkomstig de Internationale Code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee (IMDG-code), uitsluitend in door de Verenigde Naties goedgekeurde containers. Bij het vervoer moet worden voldaan aan de IMDG-code en Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap(2).
Volgens de Commissie is er geen risico op verspreiding van voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen wanneer de grond wordt behandeld in speciale verbrandingsinstallaties voor gevaarlijk afval die in overeenstemming zijn met Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval(3), op een zodanige wijze dat de bestrijdingsmiddelen of persistente organische verontreinigende stoffen erin vernietigd of onomkeerbaar omgezet worden.
De lidstaten moeten derhalve worden gemachtigd om voor een beperkte periode en mits aan een aantal specifieke voorwaarden wordt voldaan, afwijkingen toe te staan zodat dergelijke verontreinigde grond kan worden ingevoerd.
De machtiging om af te wijken moet vervallen wanneer wordt geconstateerd dat de bij deze beschikking vastgestelde specifieke voorwaarden ontoereikend zijn om het binnenbrengen van schadelijke organismen in de Gemeenschap te voorkomen of dat zij niet in acht zijn genomen.
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De in de eerste alinea genoemde machtiging om af te wijken geldt, mits de in de bijlage vermelde specifieke voorwaarden in acht worden genomen, uitsluitend voor grond die tussen 1 maart 2005 en 28 februari 2007 in de Gemeenschap wordt binnengebracht en die bestemd is voor behandeling in speciale verbrandingsinstallaties voor gevaarlijk afval.
De machtiging geldt onverminderd eventuele verdere vergunningen of procedures die krachtens andere wetgeving vereist zijn.
Artikel 2
De lidstaten doen de Commissie en de andere lidstaten vóór 31 december van elk jaar van invoer voor iedere zending grond die voorafgaand aan deze datum en overeenkomstig deze beschikking is ingevoerd, de in punt 7 van de bijlage vereiste gegevens toekomen.
Artikel 3
De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van alle zendingen die op grond van deze beschikking op hun grondgebied worden binnengebracht en vervolgens niet aan deze beschikking blijken te voldoen.
Artikel 4
Deze beschikking kan worden ingetrokken als blijkt dat de in de bijlage genoemde voorwaarden niet toereikend zijn om de binnenkomst van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen te voorkomen.