Home

Verordening (EG) nr. 2182/2005 van de Commissie van 22 december 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1973/2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen

Verordening (EG) nr. 2182/2005 van de Commissie van 22 december 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1973/2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001(1), en met name op de artikelen 145 en 155,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In artikel 99, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat het bedrag van de gevraagde steun voor zaaizaad een door de Commissie vastgesteld maximum niet mag overschrijden. Wanneer het totaalbedrag van de gevraagde steun het vastgestelde maximum overschrijdt, moet de steun per landbouwer proportioneel worden verlaagd.

  2. In hoofdstuk 10 van Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie(2) zijn de voorwaarden vastgesteld waaraan moet worden voldaan om steun voor zaaizaad te kunnen ontvangen. Op grond van artikel 49 van die verordening wordt de steun slechts toegekend voorzover de begunstigde het betrokken zaaizaad uiterlijk op 15 juni van het jaar volgende op de oogst werkelijk voor inzaai in de handel heeft gebracht.

  3. Het feit dat eventueel voor hetzelfde jaar een verlagingscoëfficiënt moet worden toegepast, bemoeilijkt ernstig de uitvoering van de nieuwe regeling. De enige mogelijkheid om een onnodige toepassing van die verlagingscoëfficiënt te voorkomen, bestaat erin alle betalingen principieel pas toe te kennen wanneer al het zaaizaad in de handel is gebracht, dat wil zeggen wanneer de totale hoeveelheid zaaizaad bekend is. Dit zou echter een veel latere betaling aan de landbouwers tot gevolg hebben en hen mogelijk voor financiële problemen plaatsen. Om een dergelijke situatie te voorkomen dient voor de steun voor zaaizaad een stelsel van voorschotten te worden ingevoerd.

  4. Bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad(3) zijn de voorschriften voor de gekoppelde steun voor katoen, olijfolie en ruwe tabak vastgesteld.

  5. Met name voorziet hoofdstuk 10 bis van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 in de mogelijkheid rechtstreekse steun te verlenen voor de productie van katoen. Daarom moeten uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de verlening van die steun worden vastgesteld.

  6. In artikel 110 ter, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat een landbouwer, om de steun per hectare voor katoen te kunnen ontvangen, toegelaten rassen moet gebruiken en de katoen moet telen op grond waarvoor de lidstaat een vergunning heeft verleend. Derhalve moeten de criteria voor de toelating van de rassen en voor de verlening van een vergunning voor de landbouwgrond die geschikt is voor de productie van katoen, worden vastgesteld.

  7. Om de steun per hectare voor katoen te ontvangen moeten de landbouwers vergunde grond inzaaien. Een criterium om aan te geven wat onder inzaai wordt verstaan, dient te worden vastgesteld. Een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat is vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en van de specifieke regionale kenmerken, is een objectief criterium om uit te maken of de inzaai correct is uitgevoerd.

  8. Bij overschrijding van het nationale basisareaal voor katoen dat is vastgesteld bij artikel 110 quater, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, wordt het per subsidiabele hectare te betalen steunbedrag verlaagd. Voor Griekenland dient de wijze van berekening van het verlaagde bedrag evenwel nader te worden aangegeven wegens de verdeling van het nationale areaal in subarealen waarvoor verschillende steunbedragen gelden.

  9. De lidstaten moeten de brancheorganisaties voor de productie van katoen erkennen op basis van objectieve criteria met betrekking tot de omvang, de taken en het interne functioneren van die organisaties. Bij de vaststelling van de minimale omvang van een brancheorganisatie moet er rekening mee worden gehouden dat het egreneringsbedrijf dat er lid van is, toereikende hoeveelheden niet-geëgreneerde katoen moet kunnen ontvangen. Aangezien het hoofddoel van een brancheorganisatie verbetering van de kwaliteit van de te leveren katoen is, moet die organisatie daarop gerichte acties ondernemen ten bate van haar leden.

  10. Om het beheer van de steunregeling niet te ingewikkeld te maken mag eenzelfde producent slechts bij een enkele brancheorganisatie zijn aangesloten. Om dezelfde reden mag een tot een brancheorganisatie behorende producent die zich ertoe verbindt de door hem geproduceerde katoen te leveren, deze katoen alleen leveren aan een egreneringsbedrijf dat lid is van diezelfde organisatie.

  11. Overeenkomstig artikel 110 sexies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen de brancheorganisaties besluiten de steun waarop de bij hen aangesloten producenten recht hebben, te differentiëren. De differentiatieschaal moet zijn gebaseerd op criteria ten aanzien van met name de kwaliteit van de te leveren katoen, waarbij geen criteria inzake verhoging van de productie mogen worden gehanteerd. Daartoe moeten de brancheorganisaties categorieën van percelen bepalen aan de hand van met name criteria betreffende de kwaliteit van de op die percelen geproduceerde katoen.

  12. Met het oog op de vaststelling van het steunbedrag dat moet worden betaald aan de producenten die lid zijn van een brancheorganisatie voor de productie van katoen, moet in het kader van de schaal worden gezorgd enerzijds voor de bepaling van de methode om het totaalbedrag van de gedifferentieerde steun over de verschillende categorieën van percelen te verdelen en van de procedures om elk perceel te beoordelen en in een van die categorieën in te delen, en anderzijds voor de berekening van het steunbedrag per subsidiabele hectare op basis van de voor elke categorie beschikbare financiële middelen en van het totale aantal hectaren in elke categorie.

  13. Om de percelen in te delen in een van de in het kader van de schaal bepaalde categorieën kan de geleverde katoen in aanwezigheid van alle betrokken partijen worden geanalyseerd.

  14. Omdat een bij een brancheorganisatie aangesloten producent niet verplicht is zijn katoen te leveren, moet hij bij ontstentenis van levering ten minste recht hebben op het niet-gedifferentieerde gedeelte van de steun. Met het oog op een dergelijke situatie moet in het kader van de differentiatieschaal het minimumbedrag van de steun per subsidiabele hectare worden vastgesteld dat geldt bij ontstentenis van levering.

  15. Eenvoudigheidshalve moeten voor de toepassing van de schaal alle percelen van eenzelfde producent worden geacht tot eenzelfde categorie van percelen te behoren en dus dezelfde kwaliteit katoen op te leveren.

  16. Nadat het betaalorgaan de mededeling van de brancheorganisatie over de aan de aangesloten producenten te betalen steunbedragen heeft ontvangen, moet het de nodige controles verrichten en de steun betalen.

  17. De schaal moet door de lidstaat worden goedgekeurd. Opdat de aangesloten producenten tijdig kunnen worden geïnformeerd, dient te worden bepaald binnen welke termijn de lidstaat een besluit moet nemen over het al of niet goedkeuren van de schaal van de brancheorganisatie en van de wijzigingen die eventueel later in die schaal worden aangebracht. Aangezien een brancheorganisatie niet verplicht is een differentiatieschaal vast te stellen, moet zij zelf kunnen besluiten de toepassing ervan te onderbreken, in welk geval zij de lidstaat daarvan in kennis dient te stellen.

  18. In het kader van de steunregeling voor katoen moeten de lidstaten hun producenten bepaalde gegevens met betrekking tot de katoenteelt verstrekken zoals de toegelaten rassen, de objectieve criteria voor de verlening van een vergunning voor grond en de minimale gewasdichtheid. Opdat de landbouwers tijdig worden geïnformeerd, moet de lidstaat deze gegevens vóór een bepaalde datum aan hen meedelen.

  19. Omdat de Commissie is belast met de controle op een correcte toepassing van de voorschriften inzake de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen, dient te worden bepaald dat de lidstaten haar tijdig dezelfde gegevens en ook gegevens over de brancheorganisaties moeten verstrekken.

  20. Door de toepassing van de bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steunregeling voor katoen bestaat niet langer behoefte aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1591/2001 van de Commissie van 2 augustus 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van de steunregeling voor katoen(4). Die verordening moet derhalve worden ingetrokken.

  21. Hoofdstuk 10 ter van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet in de mogelijkheid dat rechtstreekse steun wordt toegekend voor olijfgaarden. Daarom moeten uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de verlening van deze steun worden vastgesteld.

  22. In artikel 110 decies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat de lidstaten ten hoogste vijf categorieën van olijfgaarden bepalen en voor elk van die categorieën een steunbedrag per GIS-ha olijven vaststellen. Daartoe dient de Commissie een gemeenschappelijk kader van milieu- en maatschappelijke criteria, met inbegrip van aspecten die betrekking hebben op het door de olijventeelt gevormde landschap en de maatschappelijke tradities, vast te stellen.

  23. Ter verbetering van de controles moeten de gegevens over de indeling van de percelen van elke landbouwer in de categorieën van olijfgaarden worden geregistreerd in het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt. Voor het geval dat de omstandigheden op milieu- en maatschappelijk gebied veranderen, is het wenselijk te bepalen dat de categorieën eenmaal per jaar kunnen worden aangepast.

  24. De steun voor olijfgaarden wordt toegekend per GIS-ha olijven. Daarom moet voor elke landbouwer de subsidiabele oppervlakte worden berekend volgens een gemeenschappelijke methode waarbij een GIS-ha de oppervlakte-eenheid is. Ter vergemakkelijking van de administratieve procedures dienen afwijkende maatregelen te worden vastgesteld enerzijds voor de percelen die kleiner zijn dan een door de lidstaat te bepalen minimumgrootte, en anderzijds voor de voor de productie van olijven bestemde percelen die liggen in een administratieve eenheid waarvoor de lidstaat een alternatief systeem heeft opgezet ter vervanging van het GIS voor de olijventeelt.

  25. Wat de te betalen steun per GIS-ha olijven betreft, is het wenselijk dat de lidstaat in eerste instantie, om de landbouwers tijdig te kunnen informeren, aan het begin van elk jaar een indicatief bedrag van de steun per GIS-ha olijven voor elke categorie van olijfgaarden vaststelt. Dit indicatieve bedrag moet worden berekend op basis van de gegevens die beschikbaar zijn over het aantal landbouwers en de voor de steun voor olijfgaarden in aanmerking komende oppervlakten; op basis van nauwkeuriger gegevens stelt de lidstaat dan later het definitieve steunbedrag vast.

  26. Een van de voorwaarden om voor de steun voor olijfgaarden in aanmerking te komen is dat het aantal olijfbomen in de olijfgaard niet meer dan 10 % verschilt van het op 1 januari 2005 geregistreerde aantal. Met het oog op de controle op de naleving van deze bepaling moeten de lidstaten vóór die datum de nodige nadere gegevens over de betrokken percelen vaststellen. Wat Frankrijk en Portugal betreft, dient de vaststelling van die gegevens in voorkomend geval naar latere data te worden verschoven om rekening te houden met de oppervlakten die met olijfbomen worden beplant in het kader van de programma's die zijn goedgekeurd op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten(5).

  27. Om het de Commissie mogelijk te maken te controleren of de bepalingen betreffende de steun voor olijfgaarden correct worden toegepast, dienen de lidstaten haar regelmatig gegevens te verstrekken over de met olijfbomen beplante oppervlakten die voor de steun in aanmerking komen, en over de hoogte van de voor elke categorie van olijfgaarden toe te kennen steun.

  28. Hoofdstuk 10 quater van titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet in de mogelijkheid dat rechtstreekse steun wordt verleend voor de productie van tabak. Daarom moeten uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de verlening van deze steun worden vastgesteld.

  29. Duidelijkheidshalve dienen bepaalde definities te worden vastgesteld.

  30. De tabakssoorten moeten in groepen worden ingedeeld op basis van de droogmethode en de productiekosten en met inachtneming van de in de internationale handel gebruikte benamingen.

  31. Voorzien moet worden in de erkenning van de bedrijven voor eerste bewerking die teeltcontracten mogen sluiten, gezien de rol die deze als contractpartner spelen. Deze erkenning moet worden ingetrokken als de voorschriften niet worden nageleefd, en ook moeten de lidstaten de bijzondere voorwaarden inzake de bewerking van tabak vaststellen.

  32. Met het oog op de toekenning van de steun dienen overeenkomstig artikel 110 duodecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voor elke soortengroep tabak de erkende productiegebieden te worden vastgesteld op basis van de traditionele productiegebieden. Het dient de lidstaten te worden toegestaan om met name ter verbetering van de kwaliteit de productiegebieden te beperken.

  33. Om controles mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat de uitbetaling van de steun doelmatig kan worden beheerd, dient de tabak te worden geproduceerd in het kader van tussen de landbouwers en bedrijven voor eerste bewerking gesloten teeltcontracten. De belangrijkste gegevens die in het teeltcontract voor elke oogst moeten voorkomen, dienen te worden gespecificeerd. De uiterste data voor de sluiting en de registratie van de contracten moeten vroeg genoeg vallen om al aan het begin van het oogstjaar de landbouwers een stabiele afzet voor de komende oogst en de bewerkingsbedrijven een regelmatige voorziening te kunnen garanderen.

  34. In het geval van een teeltcontract met een producentenvereniging moeten de belangrijkste gegevens over elke individuele landbouwer worden meegedeeld om doeltreffende controles mogelijk te maken. Om concurrentievervalsing en problemen bij het toezicht te voorkomen dient het de producentenverenigingen te worden verboden zich bezig te houden met de eerste bewerking van tabak. Ter wille van de marktstructuur moet worden bepaald dat een landbouwer slechts van één producentenvereniging lid mag zijn.

  35. Om voor de steun in aanmerking te komen moet ruwe tabak van gezonde handelskwaliteit zijn en vrij zijn van bepaalde kenmerken die een normale afzet in de weg staan.

  36. Gezien de specifieke kenmerken van de steunregeling dient te worden voorzien in de mogelijkheid dat eventuele geschillen worden opgelost door bemiddeling van paritaire commissies.

  37. Om een adequaat beheer van het voor ruwe tabak beschikbare totaalbedrag mogelijk te maken dient te worden bepaald dat de lidstaten aan het begin van het oogstjaar een indicatief steunbedrag per soort of soortengroep vaststellen en dat zij een definitief steunbedrag vaststellen nadat alle leveringen hebben plaatsgevonden. Het definitieve steunbedrag mag niet hoger zijn dan het premieniveau van 2005.

  38. Om verbetering van de kwaliteit en waarde van de geproduceerde tabak te bevorderen dient het de lidstaten te worden toegestaan om het voor elke soort of soortengroep vastgestelde steunbedrag te differentiëren volgens de kwaliteit van de geleverde tabak.

  39. De steun moet worden betaald voor de door de landbouwers aan de bedrijven voor eerste bewerking geleverde hoeveelheid tabaksbladeren, mits aan de minimumkwaliteitseisen is voldaan. De steun moet worden aangepast als het vochtgehalte van de geleverde tabak verschilt van het vochtgehalte dat op basis van redelijke kwaliteitseisen voor elke soortengroep is vastgesteld. Om de controles bij de levering te vereenvoudigen dienen de omvang en frequentie van de monsterneming ter bepaling van het vochtgehalte te worden vastgesteld, evenals de wijze van berekening van het aangepaste gewicht.

  40. De periode voor de levering van de tabak aan de bewerkingsbedrijven moet worden beperkt om frauduleuze overdracht van de ene naar de andere oogst te voorkomen. In verscheidene lidstaten worden de controles verricht op de plaats waar de tabak wordt geleverd, in plaats van op die waar hij wordt bewerkt. Bepaald dient te worden op welke plaatsen de tabak moet worden geleverd en welke controles moeten worden verricht. De lidstaten dienen dergelijke aankoopcentra te erkennen.

  41. Bepaald moet worden welke voorwaarden bij de betaling van de steun moeten zijn vervuld ter voorkoming van fraude. Het is echter de taak van de lidstaten verdere beheers- en controleregelingen vast te stellen.

  42. De steun kan pas na controle van de leveringen van alle in de lidstaat geproduceerde tabak worden betaald om te garanderen dat de betrokken transacties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Voorzien dient echter te worden in de betaling van voorschotten aan de producenten ten belope van 50 % van het indicatieve steunbedrag dat verschuldigd is, mits een toereikende zekerheid wordt gesteld.

  43. Om administratieve redenen dient in elke lidstaat uitsluitend steun te worden toegekend voor op het grondgebied van die lidstaat geproduceerde producten. Er is een regeling nodig om rekening te kunnen houden met de gevallen waarin tabak in andere lidstaten wordt bewerkt dan de lidstaat waar deze is geproduceerd. In dergelijke gevallen moet de betrokken hoeveelheid ruwe tabak worden toegerekend aan de lidstaat waar deze is geproduceerd, en aan de producenten in die lidstaat.

  44. Als gevolg van de hervorming van het tabaksbeleid zal het programma voor het opkopen van tabaksquota niet langer worden toegepast. De producenten die in 2002 en 2003 aan het programma hebben deelgenomen, zullen echter verder bedragen bij wijze van opkoopprijs ontvangen tot en met 2007, respectievelijk 2008. Momenteel is de opkoopprijs vastgesteld op een percentage van de tabakspremie in een bepaald oogstjaar. Het huidige stelsel van tabakspremies zal vanaf 1 januari 2006 niet langer bestaan en daarom moet bij wijze van overgangsmaatregel een nieuwe grondslag voor de berekening van de toekomstige quotumopkoopprijs worden vastgesteld. De premieniveaus voor ruwe tabak zijn gedurende de oogstjaren 2002 tot en met 2005 niet gewijzigd. Ter wille van de continuïteit is het daarom dienstig het premieniveau van 2005 te gebruiken als grondslag voor de berekening van de opkoopprijs.

  45. Gezien de afschaffing van de garantiedrempel en het premiestelsel waarin Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad(6) voorzag, kan Verordening (EG) nr. 2848/98 van de Commissie van 22 december 1998 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad ten aanzien van de premieregeling, de productiequota en de aan de telersverenigingen toe te kennen specifieke steun in de sector ruwe tabak(7), worden ingetrokken. Verordening (EEG) nr. 85/93 van de Commissie van 19 januari 1993 betreffende de controlediensten in de sector tabak(8) is achterhaald en kan daarom eveneens worden ingetrokken.

  46. Verordening (EG) nr. 1973/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

  47. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1973/2004 wordt als volgt gewijzigd:

  1. Aan artikel 1, lid 1, worden de volgende punten q), r) en s) toegevoegd:

    1. de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 bis, van die verordening;

    2. de steun voor olijfgaarden zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 ter, van die verordening;

    3. de steun voor tabak zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 quater, van die verordening.”.

  2. In artikel 3, eerste alinea, wordt punt a) vervangen door:

    1. uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar: de beschikbare gegevens over de oppervlakten, of de hoeveelheden in het geval van de melkpremie, de extra betalingen, de steun voor zaaizaad en de steun voor tabak zoals bedoeld in de artikelen 95, 96, 99 en 110 duodecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003, waarvoor de steun voor dat kalenderjaar is aangevraagd, in voorkomend geval onderverdeeld naar subbasisareaal;”.

  3. In artikel 21 wordt lid 1 vervangen door:

    „1.

    Onverminderd artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, wordt de steun voor zetmeelaardappelen door de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd dat de aardappelen voor de vervaardiging van het aardappelzetmeel levert, uitbetaald per landbouwer nadat al diens hoeveelheden voor het verkoopseizoen aan het aardappelmeelbedrijf zijn geleverd, zulks binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 20 van de onderhavige verordening bedoelde bewijs is geleverd en is voldaan aan de in artikel 19 van de onderhavige verordening gestelde voorwaarden.”.

  4. Het volgende artikel 49 bis wordt ingevoegd:

    De lidstaten kunnen vanaf 1 december van het verkoopseizoen aan de zaadvermeerderingsbedrijven voorschotbetalingen toekennen. Een dergelijke betaling staat in verhouding tot de hoeveelheid zaaizaad die reeds voor inzaai in de handel is gebracht in de zin van artikel 49, en is slechts mogelijk indien aan alle voorwaarden van hoofdstuk 10 is voldaan.”.

  5. Het volgende hoofdstuk 17 bis wordt ingevoegd:

    De lidstaten stellen de objectieve criteria vast op basis waarvan voor grond een vergunning wordt verleend ten behoeve van de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in artikel 110 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

    Deze criteria zijn gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:

    1. de landbouweconomie van de regio’s waarvoor de productie van katoen belangrijk is;

    2. de bodem- en klimaatgesteldheid op de betrokken oppervlakten;

    3. het beheer van het irrigatiewater;

    4. milieuvriendelijke vruchtwisselingen en teelttechnieken.

    De lidstaten laten de in de gemeenschappelijke rassenlijst opgenomen rassen toe die zijn aangepast aan de marktbehoeften.

    De in artikel 110 ter, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde inzaai van oppervlakten wordt gerealiseerd door te zorgen voor een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat wordt vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en eventueel van de specifieke regionale kenmerken.

    De lidstaten mogen specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de voor de instandhouding van het gewas in normale groeiomstandigheden nodige landbouwwerkzaamheden met uitzondering van de oogstwerkzaamheden.

    1.

    Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Spanje en Portugal dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan het bij artikel 110 quater, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale basisareaal, het bij lid 2 van dat artikel vastgestelde steunbedrag wordt vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die wordt verkregen door het basisareaal te delen door het subsidiabele areaal.

    2.

    Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Griekenland dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan 300 000 ha, het per hectare te betalen steunbedrag wordt verkregen door 594 EUR, vermenigvuldigd met 300 000 ha, en een aanvullend bedrag, vermenigvuldigd met het areaal boven 300 000 ha, bij elkaar op te tellen en de aldus verkregen som te delen door het totale subsidiabele areaal.

    Het in de eerste alinea bedoelde aanvullende bedrag is gelijk aan:

    • 342,85 EUR indien het subsidiabele areaal groter dan 300 000 ha maar niet groter dan 370 000 ha is;

    • 342,85 EUR, vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die gelijk is aan 70 000, gedeeld door het aantal subsidiabele hectaren boven 300 000, indien het subsidiabele areaal groter is dan 370 000 ha.

    Elk jaar erkennen de lidstaten vóór 31 december met het oog op de inzaai in het volgende jaar elke brancheorganisatie voor de productie van katoen die daarom verzoekt en die:

    1. is samengesteld uit producenten met een totaal areaal van meer dan een door de lidstaat op ten minste 10 000 ha vastgestelde limiet dat voldoet aan de in artikel 171 bis bedoelde criteria voor de verlening van een vergunning, en ten minste één egreneringsbedrijf;

    2. welomschreven acties onderneemt die met name tot doel hebben:

      • het tot waarde brengen van de geproduceerde niet-geëgreneerde katoen te ontwikkelen,

      • de kwaliteit van de niet-geëgreneerde katoen te verbeteren om aan de behoeften van het egreneringsbedrijf te voldoen,

      • milieuvriendelijke productiemethoden te gebruiken;

    3. regels voor het interne functioneren heeft vastgesteld die met name betrekking hebben op:

      • de toetredingsvoorwaarden en de ledenbijdragen, in overeenstemming met de nationale en de communautaire regelgeving;

      • eventueel, een met name aan de hand van de te leveren kwaliteit niet-geëgreneerde katoen bepaalde schaal voor differentiatie van de steun naar categorie van percelen.

    Wat 2006 betreft erkennen de lidstaten de brancheorganisaties voor de productie van katoen evenwel vóór 28 februari 2006.

    1.

    Eenzelfde producent kan niet lid zijn van verscheidene brancheorganisaties.

    2.

    Een producent die lid is van een brancheorganisatie, is verplicht de geproduceerde katoen te leveren aan een egreneringsbedrijf dat tot diezelfde organisatie behoort.

    3.

    De deelneming door producenten aan een erkende brancheorganisatie moet voortvloeien uit een vrijwillige toetreding.

    1.

    De bij artikel 110 septies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde verhoging mede in aanmerking genomen, worden in het kader van de in artikel 110 sexies van die verordening bedoelde schaal (hierna „de schaal” genoemd) vastgesteld:

    1. de steunbedragen per subsidiabele hectare die een aangesloten producent op basis van de indeling van zijn percelen in de vastgestelde categorieën zoals bedoeld in lid 2 moet ontvangen;

    2. de methode om het totale voor de differentiatie van de steun bestemde bedrag te verdelen over de overeenkomstig lid 2 vastgestelde categorieën van percelen.

    Voor de toepassing van punt a) is het basisbedrag ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.

    De onder a) bedoelde berekening heeft mede betrekking op de situatie waarin geen katoen aan het egreneringsbedrijf wordt geleverd. In dat geval is het minimumbedrag van de steun per subsidiabele hectare dat de betrokken aangesloten producent moet ontvangen, ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.

    2.

    De percelen worden ingedeeld in verscheidene categorieën die door de brancheorganisaties worden vastgesteld met inachtneming van ten minste één van de volgende kwaliteitscriteria:

    1. de vezellengte van de geproduceerde katoen;

    2. het vochtgehalte van de geproduceerde katoen;

    3. het gemiddelde gehalte aan onzuiverheden van de geproduceerde katoen.

    In het kader van de schaal worden de procedures vastgesteld voor de beoordeling van elk perceel in het licht van deze criteria en de indeling ervan in een van de vastgestelde categorieën.

    De schaal mag in geen geval criteria omvatten die verband houden met een verhoging van de productie of het op de markt brengen van de katoen.

    Voor de toepassing van de schaal kunnen alle percelen van eenzelfde producent worden geacht tot eenzelfde gemiddelde categorie van percelen te behoren en eenzelfde kwaliteit katoen op te leveren.

    3.

    Zo nodig wordt de niet-geëgreneerde katoen, met het oog op de indeling in een categorie van percelen binnen de schaal, bij de levering ervan aan het egreneringsbedrijf in aanwezigheid van alle betrokken partijen geanalyseerd op basis van representatieve monsters.

    4.

    De brancheorganisatie deelt het betaalorgaan het uit de toepassing van de schaal voortvloeiende bedrag mee dat aan elk van haar producenten moet worden betaald. Het betaalorgaan verricht de betaling na te zijn nagegaan of de betrokken steunbedragen in overeenstemming met de voorschriften zijn en betrekking hebben op subsidiabele hectaren.

    1.

    Vóór 28 februari 2006 met het oog op de inzaai in het jaar 2006 wordt de schaal voor de eerste maal ter goedkeuring ervan aan de betrokken lidstaat meegedeeld.

    Binnen één maand na de mededeling beslist de lidstaat de schaal al of niet goed te keuren.

    2.

    Vóór 31 januari delen de erkende brancheorganisaties de met het oog op de inzaai in het lopende jaar in de schaal aangebrachte wijzigingen aan de betrokken lidstaat mee.

    De in de schaal aangebrachte wijzigingen worden geacht te zijn goedgekeurd tenzij de betrokken lidstaat binnen één maand na de in de eerste alinea bedoelde datum melding maakt van bezwaren.

    Worden de wijzigingen van de schaal niet goedgekeurd, dan wordt de te betalen steun berekend op basis van de goedgekeurde schaal zonder rekening te houden met de niet-goedgekeurde wijzigingen.

    3.

    Indien een brancheorganisatie besluit de toepassing van de schaal te onderbreken, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis. De onderbreking wordt van kracht voor de inzaai in het volgende jaar.

    1.

    De lidstaten delen de katoenproducerende landbouwers en de Commissie vóór 31 januari van het betrokken jaar het volgende mee:

    1. de toegelaten rassen; de rassen die na die datum overeenkomstig artikel 171 bis bis worden goedgekeurd, moeten evenwel vóór 15 maart van hetzelfde jaar aan de landbouwers worden meegedeeld;

    2. de criteria om voor grond een vergunning te verlenen;

    3. de in artikel 171 bis ter bedoelde minimale dichtheid aan katoenplanten;

    4. de voorgeschreven landbouwwerkzaamheden.

    2.

    Indien de toelating van een ras wordt ingetrokken, stellen de lidstaten de landbouwers daar uiterlijk op 31 januari van in kennis met het oog op de inzaai in het volgende jaar.

    3.

    De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:

    1. uiterlijk op 30 april van het betrokken jaar, de namen van de erkende brancheorganisaties en hun belangrijkste kenmerken, namelijk hun areaal, hun productiepotentieel, hun aantal aangesloten producenten, hun aantal aangesloten egreneringsbedrijven en de egreneringscapaciteit van elk van deze bedrijven;

    2. uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar, de ingezaaide oppervlakten waarvoor aanvragen voor de gewasspecifieke betaling voor katoen zijn ingediend;

    3. uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar, de uiteindelijke gegevens over de ingezaaide oppervlakten waarvoor de gewasspecifieke betaling voor katoen voor het betrokken jaar daadwerkelijk is uitgekeerd, in voorkomend geval na aftrek van de verminderingen van de oppervlakte zoals bedoeld in deel II, titel IV, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 796/2004.”.

  6. Het volgende hoofdstuk 17 ter wordt ingevoegd:

    1.

    De lidstaten wijzen de olijfgaarden aan die in aanmerking komen voor de in artikel 110 octies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun, en delen deze olijfgaarden in ten hoogste vijf categorieën in aan de hand van criteria die worden gekozen uit de volgende criteria:

    1. milieucriteria:

      1. moeilijke toegang tot de percelen,

      2. gevaar voor bodemdegradatie,

      3. bijzonder karakter van de olijfgaarden: olijfbomen die oud zijn, een culturele en maatschappelijke waarde hebben, op een helling staan, behoren tot een traditioneel of zeldzaam ras of zich bevinden in een beschermd natuurgebied;

    2. maatschappelijke criteria:

      1. sterk van de olijventeelt afhankelijke gebieden,

      2. gebieden met een traditie op het gebied van de productie van olijven en olijfolie,

      3. gebieden waar economische indicatoren ongunstig zijn,

      4. bedrijven waar de olijfgaarden verlaten dreigen te worden,

      5. grootte van de tot het bedrijf behorende olijfgaarden,

      6. gebieden met een karakteristiek element zoals BOB-, BGA-, biologische of geïntegreerde productie.

    2.

    Voor elke betrokken landbouwer bepalen de lidstaten tot welke van de in lid 1 bedoelde categorieën elk voor de productie van olijven bestemd perceel dat subsidiabel is, behoort. Deze informatie wordt geregistreerd in het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt (hierna „GIS voor de olijventeelt” genoemd).

    3.

    Eenmaal per jaar kunnen de lidstaten de overeenkomstig lid 1 vastgestelde categorieën van olijfgaarden aanpassen.

    Indien de aanpassing van de categorieën een herindeling van olijfgaarden tot gevolg heeft, is de nieuwe indeling van toepassing vanaf het jaar volgende op dat van de aanpassing.

    1.

    Voor elke producent berekenen de lidstaten de subsidiabele oppervlakte volgens de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode.

    De oppervlakten worden uitgedrukt in GIS-ha olijven tot twee cijfers achter de komma.

    2.

    In afwijking van lid 1 is de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode niet van toepassing indien:

    1. het voor de productie van olijven bestemde perceel kleiner is dan een door de lidstaat te bepalen minimumgrootte, die niet meer dan 0,1 ha mag bedragen;

    2. het voor de productie van olijven bestemde perceel ligt in een administratieve eenheid die niet is opgenomen in de grafische referentiedatabank van het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt.

      In deze gevallen bepaalt de lidstaat de met olijfbomen beplante oppervlakte op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd.

    1.

    Vóór 31 januari van elk jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het indicatieve steunbedrag per GIS-ha olijven vast.

    2.

    Vóór 31 oktober van het betrokken jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het steunbedrag per GIS-ha vast.

    Dit bedrag wordt berekend door het in lid 1 bedoelde indicatieve bedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt berekend door het bij artikel 110 decies, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maximumbedrag van de steun, eventueel verlaagd overeenkomstig lid 4 van dat artikel, te delen door de som van de bedragen die worden verkregen door het in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde indicatieve steunbedrag dat voor elke categorie is vastgesteld, te vermenigvuldigen met de desbetreffende oppervlakte.

    3.

    De lidstaten kunnen de leden 1 en 2 op regionaal niveau toepassen.

    1.

    Met het oog op de toepassing van artikel 110 nonies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bepalen de lidstaten voor elk voor de productie van olijven bestemd perceel op basis van de in het GIS voor de olijventeelt opgenomen gegevens en de aangiften van de landbouwers de situatie op 1 januari 2005 ten aanzien van het aantal en de standplaats van de subsidiabele olijfbomen, het aantal en de standplaats van de niet-subsidiabele olijfbomen, de met olijfbomen beplante en de subsidiabele oppervlakte van het voor de productie van olijven bestemde perceel en de categorie waartoe dit perceel overeenkomstig artikel 171 ter van de onderhavige verordening behoort.

    2.

    In het geval van de vóór 1 januari 2007 in het GIS voor de olijventeelt geregistreerde oppervlakten die met olijfbomen zijn beplant in het kader van de programma’s voor nieuwe aanplant in Frankrijk en Portugal die door de Commissie zijn goedgekeurd op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad(*), bepalen de lidstaten de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde gegevens op basis van de situatie op 1 januari 2006 voor de in 2005 beplante percelen en op 1 januari 2007 voor de in 2006 beplante percelen. Deze gegevens worden uiterlijk in het kader van de verzamelaanvraag voor 2007 aan de landbouwers meegedeeld.

    De lidstaten delen de Commissie elk jaar de volgende gegevens mee:

    1. uiterlijk op 15 september: de gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het lopende jaar is aangevraagd;

    2. uiterlijk op 31 oktober:

      1. de gegevens over de onder a) bedoelde arealen die als subsidiabel worden beschouwd, gelet op de verminderingen of correcties overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004,

      2. het niveau van de voor elke categorie van olijfgaarden toe te kennen steun;

    3. uiterlijk op 31 juli: de uiteindelijke gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het voorgaande jaar daadwerkelijk is betaald.

  7. Het volgende hoofdstuk 17 quater wordt ingevoegd:

    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    1. „levering”: iedere verrichting die in de loop van een en dezelfde dag plaatsvindt en waarbij in het kader van een teeltcontract ruwe tabak door een producent of een producentenvereniging wordt overgedragen aan een bewerkingsbedrijf;

    2. „controleattest”: het door de bevoegde controle-instantie afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken hoeveelheid tabak door het bedrijf voor eerste bewerking is overgenomen, dat deze hoeveelheid in het kader van een geregistreerd contract is geleverd en dat de verrichtingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 171 quater quinquies en artikel 171 quater duodecies;

    3. „bedrijf voor eerste bewerking”: iedere erkende natuurlijke of rechtspersoon die de eerste bewerking van ruwe tabak uitvoert door het exploiteren, in eigen naam en voor eigen rekening, van een of meer inrichtingen voor eerste bewerking van tabak die over de daartoe benodigde uitrusting beschikken;

    4. „eerste bewerking”: de bewerking van door een landbouwer geleverde ruwe tabak tot een stabiel product dat kan worden opgeslagen en is verpakt in homogene balen of pakketten en waarvan de kwaliteit aan de eisen van de eindgebruikers (fabrikanten) voldoet;

    5. „producentenvereniging”: een vereniging die tabakproducerende landbouwers vertegenwoordigt.

    De soorten ruwe tabak worden ingedeeld in de volgende groepen:

    1. flue cured tabak: tabak die is gedroogd in ovens waarin de luchtcirculatie, de temperatuur en de vochtigheidsgraad worden gecontroleerd;

    2. light air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd;

    3. dark air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd en vóór het in de handel brengen ervan is gefermenteerd;

    4. fire cured tabak: tabak die boven een vuur is gedroogd;

    5. sun cured tabak: tabak die in de zon is gedroogd;

    6. Basmas (sun cured tabak);

    7. Katerini (sun cured tabak);

    8. klassieke Kaba Koulak en vergelijkbare soorten (sun cured tabak).

    De soorten waaruit elke groep bestaat, zijn vermeld in bijlage XXV.

    1.

    De lidstaten erkennen de op hun grondgebied gevestigde bedrijven voor eerste bewerking en stellen passende voorwaarden voor die erkenning vast.

    Een erkend bedrijf voor eerste bewerking mag teeltcontracten ondertekenen, mits het ten minste 60 % van de tabak van oorsprong uit de Gemeenschap die het in de handel brengt, zonder verdere bewerking direct of indirect aan tabaksfabrikanten verkoopt.

    2.

    De lidstaat trekt de erkenning in indien het bewerkingsbedrijf de op communautair of nationaal niveau geldende bepalingen betreffende ruwe tabak opzettelijk of door grove nalatigheid niet naleeft.

    Voor elke soortengroep zijn de in artikel 110 duodecies, onder a), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde productiegebieden die welke zijn vastgesteld in bijlage XXVI bij de onderhavige verordening.

    De lidstaten kunnen kleinere productiegebieden vaststellen, met name op basis van kwaliteitscriteria. Een dergelijk kleiner productiegebied mag niet meer omvatten dan een gemeente of, in Frankrijk, een kanton.

    1.

    Het in artikel 110 duodecies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde teeltcontract wordt gesloten tussen enerzijds een bedrijf voor eerste bewerking, en anderzijds een landbouwer of een door de betrokken lidstaat erkende producentenvereniging die de landbouwer vertegenwoordigt.

    2.

    Het teeltcontract wordt per soort of soortengroep gesloten. Op grond van het contract dient het bedrijf voor eerste bewerking de in het contract vastgestelde hoeveelheid tabaksbladeren in ontvangst te nemen en dient de landbouwer of de producentenvereniging die hem vertegenwoordigt, die hoeveelheid, tot maximaal de werkelijke productie, aan dat bewerkingsbedrijf te leveren.

    3.

    Voor elke oogst worden in het teeltcontract ten minste de volgende gegevens vermeld:

    1. de naam en het adres van de contractsluitende partijen;

    2. de soort en soortengroep waarop het contract betrekking heeft;

    3. de te leveren maximumhoeveelheid;

    4. de precieze plaats waar de tabak wordt geproduceerd: het productiegebied zoals bedoeld in artikel 171 quater quater, de provincie, de gemeente en de identificatie van het perceel in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem;

    5. de oppervlakte van het betrokken perceel, toegangswegen en omheiningen niet meegerekend;

    6. de aankoopprijs per kwaliteit, exclusief de steun, eventueel verleende diensten en belastingen;

    7. de overeengekomen minimumkwaliteitseisen per kwaliteit, voor ten minste drie kwaliteiten per bladetage, en de verbintenis van de landbouwer aan het bewerkingsbedrijf per kwaliteit ruwe tabak te zullen leveren die ten minste aan die kwaliteitseisen voldoet;

    8. de verbintenis van het bedrijf voor eerste bewerking de landbouwer de aankoopprijs per kwaliteit te zullen betalen;

    9. de termijn voor de betaling van de aankoopprijs, die niet langer mag zijn dan 30 dagen te rekenen vanaf de datum van levering;

    10. de verbintenis van de landbouwer de tabak uiterlijk op 20 juni van het oogstjaar op het betrokken perceel te zullen uitplanten.

    4.

    Indien het uitplanten na 20 juni zal plaatsvinden, moet de landbouwer dit vóór die datum bij aangetekende brief aan het bewerkingsbedrijf en de bevoegde autoriteit van de lidstaat meedelen onder vermelding van de redenen voor de vertraging en, bij verandering van perceel, van nadere gegevens daarover.

    5.

    De contractsluitende partijen mogen de oorspronkelijk in het contract vermelde hoeveelheden door middel van een aanvullende schriftelijke overeenkomst verhogen. De aanvullende overeenkomst wordt voor registratie bij de bevoegde autoriteit ingediend uiterlijk op de 40e dag na de in artikel 171 quater sexies, lid 1, bedoelde uiterste datum voor de sluiting van teeltcontracten.

    1.

    Behoudens overmacht moeten de teeltcontracten uiterlijk op 30 april van het oogstjaar worden gesloten. De lidstaten kunnen een eerdere datum vaststellen.

    2.

    Behoudens overmacht moeten de gesloten teeltcontracten voor registratie bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen 15 dagen na de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting ervan.

    De bevoegde instantie is de instantie van de lidstaat waar de bewerking zal plaatsvinden.

    Wanneer de bewerking zal plaatsvinden in een andere lidstaat dan die waar de tabak is geteeld, zendt de bevoegde instantie van de lidstaat van bewerking onmiddellijk een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde instantie van de lidstaat van productie. Indien deze instantie niet zelf de steunregeling controleert, zendt zij een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde controle-instantie.

    3.

    Wanneer de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting van de teeltcontracten of de in lid 2 bedoelde uiterste datum voor de indiening ervan met ten hoogste 15 dagen wordt overschreden, wordt de te betalen steun met 20 % verlaagd.

    1.

    Als het teeltcontract tussen een bedrijf voor eerste bewerking en een producentenvereniging wordt gesloten, gaat het vergezeld van een lijst met de namen van de betrokken landbouwers, hun respectieve te leveren maximumhoeveelheden en de precieze ligging en de oppervlakte van de betrokken percelen, een en ander zoals bedoeld in artikel 171 quater quinquies, lid 3, onder c), d) en e).

    Deze lijst wordt uiterlijk op 15 mei van het oogstjaar voor registratie ingediend bij de bevoegde instantie.

    2.

    Tot de werkzaamheden die worden verricht door de in lid 1 bedoelde producentenverenigingen, mag niet de eerste bewerking van tabak behoren.

    3.

    Een landbouwer die tabak produceert, mag niet bij meer dan één producentenvereniging zijn aangesloten.

    De aan het bewerkingsbedrijf geleverde tabak moet van gezonde handelskwaliteit zijn en mag geen van de in bijlage XXVII vermelde kenmerken vertonen. Strengere kwaliteitseisen mogen worden opgesteld door de lidstaat of worden overeengekomen tussen de contractsluitende partijen.

    De lidstaten kunnen bepalen dat geschillen over de kwaliteit van de aan het bedrijf voor eerste bewerking geleverde tabak moeten worden voorgelegd aan een arbitrage-instantie. De lidstaten bepalen de regels inzake de samenstelling van en de besluitvorming door deze instanties. In de arbitrage-instanties moeten een of meer vertegenwoordigers van de producenten en van de bewerkingsbedrijven zitting hebben, maar altijd een gelijk aantal van beide groepen.

    Vóór 15 maart van het oogstjaar stellen de lidstaten overeenkomstig artikel 110 duodecies, onder d), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 het indicatieve steunbedrag per kilogram vast voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep. De lidstaten kunnen het steunniveau differentiëren naargelang van de kwaliteit van de geleverde tabak. Voor elke soort of soortengroep mag het steunniveau niet hoger zijn dan het premiebedrag per soortengroep dat voor de oogst 2005 is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 546/2002 van de Raad(*).

    De lidstaten stellen het definitieve steunbedrag per kilogram voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep vast binnen 15 werkdagen na de dag waarop alle tabak van de betrokken oogst is geleverd. Indien het totale steunbedrag dat in een lidstaat is aangevraagd, hoger is dan het bij artikel 110 terdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale maximum, aangepast overeenkomstig artikel 110 quaterdecies van die verordening, past de lidstaat een lineaire korting toe op de aan elke landbouwer betaalde bedragen.

    1.

    De aan de landbouwers te betalen steun wordt berekend op basis van het gewicht van de tabaksbladeren van de betrokken soort of soortengroep die de vereiste minimumkwaliteit hebben en door het bedrijf voor eerste bewerking zijn overgenomen.

    2.

    Indien het vochtgehalte verschilt van het in bijlage XXVIII vastgestelde gehalte voor de betrokken soort, wordt het gewicht binnen de in die bijlage vastgestelde toleranties aangepast voor elk procentpunt verschil.

    3.

    De methoden voor de bepaling van het vochtgehalte, de omvang en de frequentie van de monsternemingen en de wijze van berekening van het aangepaste gewicht zijn vastgesteld in bijlage XXIX.

    1.

    Behoudens overmacht moet de landbouwer, op straffe van verlies van zijn recht op de steun, uiterlijk op 30 april van het jaar na het oogstjaar zijn volledige productie aan het bedrijf voor eerste bewerking leveren. De lidstaten mogen een eerdere datum vaststellen.

    2.

    De tabaksbladeren moeten hetzij rechtstreeks op de plaats waar zij zullen worden bewerkt, hetzij, indien de lidstaat dit toestaat, aan een erkend aankoopcentrum worden geleverd. De bevoegde controle-instantie erkent deze aankoopcentra, die over geschikte voorzieningen, weeginrichtingen en ruimten moeten beschikken.

    3.

    Indien de niet-bewerkte tabak niet op de in lid 2 bedoelde plaatsen is geleverd of indien de vervoerder die afzonderlijke hoeveelheden tabak van het aankoopcentrum naar het bewerkingsbedrijf vervoert, niet over de nodige vergunning voor dat vervoer beschikt, moet het bedrijf voor eerste bewerking dat de betrokken tabak heeft overgenomen, de lidstaat een bedrag betalen dat gelijk is aan de steun voor de betrokken hoeveelheid tabak. Dit bedrag moet aan het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) worden gecrediteerd.

    De bevoegde instantie van de lidstaat betaalt de steun aan de landbouwer op basis van een door de bevoegde controle-instantie afgegeven controleattest waarin de levering van de tabak wordt bevestigd.

    1.

    In afwijking van artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 kunnen de lidstaten voor de steun voor tabak aan de landbouwers een stelsel van voorschotten toepassen.

    2.

    De landbouwers kunnen een aanvraag voor een voorschot indienen na 16 september van het oogstjaar. Deze aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten, tenzij de lidstaat anders bepaalt omdat hij reeds over deze documenten beschikt:

    1. een kopie of het registratienummer van het teeltcontract;

    2. een schriftelijke verklaring van de landbouwer waarin is vermeld welke van de betrokken oogst afkomstige hoeveelheden tabak hij kan leveren.

    3.

    Het voorschot, dat maximaal gelijk is aan 50 % van het steunbedrag dat op basis van het overeenkomstig artikel 171 quater decies vastgestelde indicatieve steunniveau zal moeten worden betaald, wordt slechts uitgekeerd wanneer een zekerheid is gesteld ten bedrage van het voorschot, verhoogd met 15 % van het voorschot.

    De zekerheid wordt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven zodra het totale steunbedrag is betaald.

    4.

    Het voorschot wordt uitgekeerd op of na 16 oktober van het oogstjaar en binnen 30 dagen nadat de in lid 2 bedoelde aanvraag is ingediend en het bewijs is geleverd dat de in lid 3 bedoelde zekerheid is gesteld.

    Het uitgekeerde voorschot wordt in mindering gebracht op het overeenkomstig artikel 171 quater terdecies te betalen bedrag van de steun voor tabak.

    5.

    De lidstaten stellen aanvullende voorwaarden vast voor de toekenning van voorschotten, en met name de uiterste datum voor de indiening van de betrokken aanvragen. Een landbouwer mag geen voorschotaanvraag meer indienen zodra hij met de leveringen is begonnen.

    1.

    De steun wordt betaald of voorgeschoten door de lidstaat waar de tabak is geproduceerd.

    2.

    Indien de tabak in een andere lidstaat wordt bewerkt dan die waar hij is geproduceerd, verstrekt de lidstaat van bewerking, na de nodige controles te hebben verricht, de lidstaat van productie alle gegevens die deze laatste nodig heeft om de steun te kunnen betalen of de zekerheid te kunnen vrijgeven.

    1.

    Elke betrokken lidstaat deelt uiterlijk op 31 januari van elk oogstjaar de volgende gegevens aan de Commissie mee:

    1. de naam en het adres van de instanties die zijn belast met de registratie van teeltcontracten;

    2. de naam en het adres van de erkende bedrijven voor eerste bewerking.

    De Commissie maakt de lijst van de met de registratie van teeltcontracten belaste instanties en van de erkende bedrijven voor eerste bewerking bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

    2.

    Elke betrokken lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de nationale maatregelen die zijn genomen om dit hoofdstuk uit te voeren.

    Onverminderd eventuele toekomstige wijzigingen, hebben de producenten van wie in de oogstjaren 2002 en 2003 overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2075/92 productiequota voor tabak zijn opgekocht, er vanaf 1 januari 2006 voor het restant van de vijf oogstjaren na het jaar waarin hun quotum is opgekocht, recht op een bedrag te ontvangen dat gelijk is aan een percentage van de voor de oogst 2005 toegekende premie, zoals aangegeven in de tabellen in bijlage XXX. Deze bedragen worden elk jaar vóór 31 mei betaald.

  8. Artikel 172 wordt als volgt gewijzigd:

    1. de volgende leden 3 bis en 3 ter worden ingevoegd:

      „3 bis.

      Verordening (EG) nr. 1591/2001 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing voor het verkoopseizoen 2005/2006.

      3 ter.

      De Verordeningen (EEG) nr. 85/93 en (EG) nr. 2848/98 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2006. Zij blijven evenwel van toepassing voor de oogst 2005.”;

    2. lid 4 wordt vervangen door:

      „4.

      Behalve in het geval van Verordening (EEG) nr. 85/93 moeten verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening.”.

  9. De tekst in de bijlage bij deze verordening wordt toegevoegd als de bijlagen XXIV tot en met XXX.

HOOFDSTUK 17 bis GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

De lidstaten stellen de objectieve criteria vast op basis waarvan voor grond een vergunning wordt verleend ten behoeve van de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in artikel 110 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

Deze criteria zijn gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:

  1. de landbouweconomie van de regio’s waarvoor de productie van katoen belangrijk is;

  2. de bodem- en klimaatgesteldheid op de betrokken oppervlakten;

  3. het beheer van het irrigatiewater;

  4. milieuvriendelijke vruchtwisselingen en teelttechnieken.

De lidstaten laten de in de gemeenschappelijke rassenlijst opgenomen rassen toe die zijn aangepast aan de marktbehoeften.

De in artikel 110 ter, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde inzaai van oppervlakten wordt gerealiseerd door te zorgen voor een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat wordt vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en eventueel van de specifieke regionale kenmerken.

De lidstaten mogen specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de voor de instandhouding van het gewas in normale groeiomstandigheden nodige landbouwwerkzaamheden met uitzondering van de oogstwerkzaamheden.

1.

Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Spanje en Portugal dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan het bij artikel 110 quater, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale basisareaal, het bij lid 2 van dat artikel vastgestelde steunbedrag wordt vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die wordt verkregen door het basisareaal te delen door het subsidiabele areaal.

2.

Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Griekenland dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan 300 000 ha, het per hectare te betalen steunbedrag wordt verkregen door 594 EUR, vermenigvuldigd met 300 000 ha, en een aanvullend bedrag, vermenigvuldigd met het areaal boven 300 000 ha, bij elkaar op te tellen en de aldus verkregen som te delen door het totale subsidiabele areaal.

Het in de eerste alinea bedoelde aanvullende bedrag is gelijk aan:

  • 342,85 EUR indien het subsidiabele areaal groter dan 300 000 ha maar niet groter dan 370 000 ha is;

  • 342,85 EUR, vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die gelijk is aan 70 000, gedeeld door het aantal subsidiabele hectaren boven 300 000, indien het subsidiabele areaal groter is dan 370 000 ha.

Elk jaar erkennen de lidstaten vóór 31 december met het oog op de inzaai in het volgende jaar elke brancheorganisatie voor de productie van katoen die daarom verzoekt en die:

  1. is samengesteld uit producenten met een totaal areaal van meer dan een door de lidstaat op ten minste 10 000 ha vastgestelde limiet dat voldoet aan de in artikel 171 bis bedoelde criteria voor de verlening van een vergunning, en ten minste één egreneringsbedrijf;

  2. welomschreven acties onderneemt die met name tot doel hebben:

    • het tot waarde brengen van de geproduceerde niet-geëgreneerde katoen te ontwikkelen,

    • de kwaliteit van de niet-geëgreneerde katoen te verbeteren om aan de behoeften van het egreneringsbedrijf te voldoen,

    • milieuvriendelijke productiemethoden te gebruiken;

  3. regels voor het interne functioneren heeft vastgesteld die met name betrekking hebben op:

    • de toetredingsvoorwaarden en de ledenbijdragen, in overeenstemming met de nationale en de communautaire regelgeving;

    • eventueel, een met name aan de hand van de te leveren kwaliteit niet-geëgreneerde katoen bepaalde schaal voor differentiatie van de steun naar categorie van percelen.

Wat 2006 betreft erkennen de lidstaten de brancheorganisaties voor de productie van katoen evenwel vóór 28 februari 2006.

1.

Eenzelfde producent kan niet lid zijn van verscheidene brancheorganisaties.

2.

Een producent die lid is van een brancheorganisatie, is verplicht de geproduceerde katoen te leveren aan een egreneringsbedrijf dat tot diezelfde organisatie behoort.

3.

De deelneming door producenten aan een erkende brancheorganisatie moet voortvloeien uit een vrijwillige toetreding.

1.

De bij artikel 110 septies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde verhoging mede in aanmerking genomen, worden in het kader van de in artikel 110 sexies van die verordening bedoelde schaal (hierna „de schaal” genoemd) vastgesteld:

  1. de steunbedragen per subsidiabele hectare die een aangesloten producent op basis van de indeling van zijn percelen in de vastgestelde categorieën zoals bedoeld in lid 2 moet ontvangen;

  2. de methode om het totale voor de differentiatie van de steun bestemde bedrag te verdelen over de overeenkomstig lid 2 vastgestelde categorieën van percelen.

Voor de toepassing van punt a) is het basisbedrag ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.

De onder a) bedoelde berekening heeft mede betrekking op de situatie waarin geen katoen aan het egreneringsbedrijf wordt geleverd. In dat geval is het minimumbedrag van de steun per subsidiabele hectare dat de betrokken aangesloten producent moet ontvangen, ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.

2.

De percelen worden ingedeeld in verscheidene categorieën die door de brancheorganisaties worden vastgesteld met inachtneming van ten minste één van de volgende kwaliteitscriteria:

  1. de vezellengte van de geproduceerde katoen;

  2. het vochtgehalte van de geproduceerde katoen;

  3. het gemiddelde gehalte aan onzuiverheden van de geproduceerde katoen.

In het kader van de schaal worden de procedures vastgesteld voor de beoordeling van elk perceel in het licht van deze criteria en de indeling ervan in een van de vastgestelde categorieën.

De schaal mag in geen geval criteria omvatten die verband houden met een verhoging van de productie of het op de markt brengen van de katoen.

Voor de toepassing van de schaal kunnen alle percelen van eenzelfde producent worden geacht tot eenzelfde gemiddelde categorie van percelen te behoren en eenzelfde kwaliteit katoen op te leveren.

3.

Zo nodig wordt de niet-geëgreneerde katoen, met het oog op de indeling in een categorie van percelen binnen de schaal, bij de levering ervan aan het egreneringsbedrijf in aanwezigheid van alle betrokken partijen geanalyseerd op basis van representatieve monsters.

4.

De brancheorganisatie deelt het betaalorgaan het uit de toepassing van de schaal voortvloeiende bedrag mee dat aan elk van haar producenten moet worden betaald. Het betaalorgaan verricht de betaling na te zijn nagegaan of de betrokken steunbedragen in overeenstemming met de voorschriften zijn en betrekking hebben op subsidiabele hectaren.

1.

Vóór 28 februari 2006 met het oog op de inzaai in het jaar 2006 wordt de schaal voor de eerste maal ter goedkeuring ervan aan de betrokken lidstaat meegedeeld.

Binnen één maand na de mededeling beslist de lidstaat de schaal al of niet goed te keuren.

2.

Vóór 31 januari delen de erkende brancheorganisaties de met het oog op de inzaai in het lopende jaar in de schaal aangebrachte wijzigingen aan de betrokken lidstaat mee.

De in de schaal aangebrachte wijzigingen worden geacht te zijn goedgekeurd tenzij de betrokken lidstaat binnen één maand na de in de eerste alinea bedoelde datum melding maakt van bezwaren.

Worden de wijzigingen van de schaal niet goedgekeurd, dan wordt de te betalen steun berekend op basis van de goedgekeurde schaal zonder rekening te houden met de niet-goedgekeurde wijzigingen.

3.

Indien een brancheorganisatie besluit de toepassing van de schaal te onderbreken, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis. De onderbreking wordt van kracht voor de inzaai in het volgende jaar.

1.

De lidstaten delen de katoenproducerende landbouwers en de Commissie vóór 31 januari van het betrokken jaar het volgende mee:

  1. de toegelaten rassen; de rassen die na die datum overeenkomstig artikel 171 bis bis worden goedgekeurd, moeten evenwel vóór 15 maart van hetzelfde jaar aan de landbouwers worden meegedeeld;

  2. de criteria om voor grond een vergunning te verlenen;

  3. de in artikel 171 bis ter bedoelde minimale dichtheid aan katoenplanten;

  4. de voorgeschreven landbouwwerkzaamheden.

2.

Indien de toelating van een ras wordt ingetrokken, stellen de lidstaten de landbouwers daar uiterlijk op 31 januari van in kennis met het oog op de inzaai in het volgende jaar.

3.

De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:

  1. uiterlijk op 30 april van het betrokken jaar, de namen van de erkende brancheorganisaties en hun belangrijkste kenmerken, namelijk hun areaal, hun productiepotentieel, hun aantal aangesloten producenten, hun aantal aangesloten egreneringsbedrijven en de egreneringscapaciteit van elk van deze bedrijven;

  2. uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar, de ingezaaide oppervlakten waarvoor aanvragen voor de gewasspecifieke betaling voor katoen zijn ingediend;

  3. uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar, de uiteindelijke gegevens over de ingezaaide oppervlakten waarvoor de gewasspecifieke betaling voor katoen voor het betrokken jaar daadwerkelijk is uitgekeerd, in voorkomend geval na aftrek van de verminderingen van de oppervlakte zoals bedoeld in deel II, titel IV, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 796/2004.”.

HOOFDSTUK 17 ter STEUN VOOR OLIJFGAARDEN

1.

De lidstaten wijzen de olijfgaarden aan die in aanmerking komen voor de in artikel 110 octies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun, en delen deze olijfgaarden in ten hoogste vijf categorieën in aan de hand van criteria die worden gekozen uit de volgende criteria:

  1. milieucriteria:

    1. moeilijke toegang tot de percelen,

    2. gevaar voor bodemdegradatie,

    3. bijzonder karakter van de olijfgaarden: olijfbomen die oud zijn, een culturele en maatschappelijke waarde hebben, op een helling staan, behoren tot een traditioneel of zeldzaam ras of zich bevinden in een beschermd natuurgebied;

  2. maatschappelijke criteria:

    1. sterk van de olijventeelt afhankelijke gebieden,

    2. gebieden met een traditie op het gebied van de productie van olijven en olijfolie,

    3. gebieden waar economische indicatoren ongunstig zijn,

    4. bedrijven waar de olijfgaarden verlaten dreigen te worden,

    5. grootte van de tot het bedrijf behorende olijfgaarden,

    6. gebieden met een karakteristiek element zoals BOB-, BGA-, biologische of geïntegreerde productie.

2.

Voor elke betrokken landbouwer bepalen de lidstaten tot welke van de in lid 1 bedoelde categorieën elk voor de productie van olijven bestemd perceel dat subsidiabel is, behoort. Deze informatie wordt geregistreerd in het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt (hierna „GIS voor de olijventeelt” genoemd).

3.

Eenmaal per jaar kunnen de lidstaten de overeenkomstig lid 1 vastgestelde categorieën van olijfgaarden aanpassen.

Indien de aanpassing van de categorieën een herindeling van olijfgaarden tot gevolg heeft, is de nieuwe indeling van toepassing vanaf het jaar volgende op dat van de aanpassing.

1.

Voor elke producent berekenen de lidstaten de subsidiabele oppervlakte volgens de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode.

De oppervlakten worden uitgedrukt in GIS-ha olijven tot twee cijfers achter de komma.

2.

In afwijking van lid 1 is de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode niet van toepassing indien:

  1. het voor de productie van olijven bestemde perceel kleiner is dan een door de lidstaat te bepalen minimumgrootte, die niet meer dan 0,1 ha mag bedragen;

  2. het voor de productie van olijven bestemde perceel ligt in een administratieve eenheid die niet is opgenomen in de grafische referentiedatabank van het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt.

    In deze gevallen bepaalt de lidstaat de met olijfbomen beplante oppervlakte op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd.

1.

Vóór 31 januari van elk jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het indicatieve steunbedrag per GIS-ha olijven vast.

2.

Vóór 31 oktober van het betrokken jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het steunbedrag per GIS-ha vast.

Dit bedrag wordt berekend door het in lid 1 bedoelde indicatieve bedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt berekend door het bij artikel 110 decies, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maximumbedrag van de steun, eventueel verlaagd overeenkomstig lid 4 van dat artikel, te delen door de som van de bedragen die worden verkregen door het in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde indicatieve steunbedrag dat voor elke categorie is vastgesteld, te vermenigvuldigen met de desbetreffende oppervlakte.

3.

De lidstaten kunnen de leden 1 en 2 op regionaal niveau toepassen.

1.

Met het oog op de toepassing van artikel 110 nonies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bepalen de lidstaten voor elk voor de productie van olijven bestemd perceel op basis van de in het GIS voor de olijventeelt opgenomen gegevens en de aangiften van de landbouwers de situatie op 1 januari 2005 ten aanzien van het aantal en de standplaats van de subsidiabele olijfbomen, het aantal en de standplaats van de niet-subsidiabele olijfbomen, de met olijfbomen beplante en de subsidiabele oppervlakte van het voor de productie van olijven bestemde perceel en de categorie waartoe dit perceel overeenkomstig artikel 171 ter van de onderhavige verordening behoort.

2.

In het geval van de vóór 1 januari 2007 in het GIS voor de olijventeelt geregistreerde oppervlakten die met olijfbomen zijn beplant in het kader van de programma’s voor nieuwe aanplant in Frankrijk en Portugal die door de Commissie zijn goedgekeurd op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad(*), bepalen de lidstaten de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde gegevens op basis van de situatie op 1 januari 2006 voor de in 2005 beplante percelen en op 1 januari 2007 voor de in 2006 beplante percelen. Deze gegevens worden uiterlijk in het kader van de verzamelaanvraag voor 2007 aan de landbouwers meegedeeld.

De lidstaten delen de Commissie elk jaar de volgende gegevens mee:

  1. uiterlijk op 15 september: de gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het lopende jaar is aangevraagd;

  2. uiterlijk op 31 oktober:

    1. de gegevens over de onder a) bedoelde arealen die als subsidiabel worden beschouwd, gelet op de verminderingen of correcties overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004,

    2. het niveau van de voor elke categorie van olijfgaarden toe te kennen steun;

  3. uiterlijk op 31 juli: de uiteindelijke gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het voorgaande jaar daadwerkelijk is betaald.

HOOFDSTUK 17 quater STEUN VOOR TABAK

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  1. „levering”: iedere verrichting die in de loop van een en dezelfde dag plaatsvindt en waarbij in het kader van een teeltcontract ruwe tabak door een producent of een producentenvereniging wordt overgedragen aan een bewerkingsbedrijf;

  2. „controleattest”: het door de bevoegde controle-instantie afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken hoeveelheid tabak door het bedrijf voor eerste bewerking is overgenomen, dat deze hoeveelheid in het kader van een geregistreerd contract is geleverd en dat de verrichtingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 171 quater quinquies en artikel 171 quater duodecies;

  3. „bedrijf voor eerste bewerking”: iedere erkende natuurlijke of rechtspersoon die de eerste bewerking van ruwe tabak uitvoert door het exploiteren, in eigen naam en voor eigen rekening, van een of meer inrichtingen voor eerste bewerking van tabak die over de daartoe benodigde uitrusting beschikken;

  4. „eerste bewerking”: de bewerking van door een landbouwer geleverde ruwe tabak tot een stabiel product dat kan worden opgeslagen en is verpakt in homogene balen of pakketten en waarvan de kwaliteit aan de eisen van de eindgebruikers (fabrikanten) voldoet;

  5. „producentenvereniging”: een vereniging die tabakproducerende landbouwers vertegenwoordigt.

De soorten ruwe tabak worden ingedeeld in de volgende groepen:

  1. flue cured tabak: tabak die is gedroogd in ovens waarin de luchtcirculatie, de temperatuur en de vochtigheidsgraad worden gecontroleerd;

  2. light air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd;

  3. dark air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd en vóór het in de handel brengen ervan is gefermenteerd;

  4. fire cured tabak: tabak die boven een vuur is gedroogd;

  5. sun cured tabak: tabak die in de zon is gedroogd;

  6. Basmas (sun cured tabak);

  7. Katerini (sun cured tabak);

  8. klassieke Kaba Koulak en vergelijkbare soorten (sun cured tabak).

De soorten waaruit elke groep bestaat, zijn vermeld in bijlage XXV.

1.

De lidstaten erkennen de op hun grondgebied gevestigde bedrijven voor eerste bewerking en stellen passende voorwaarden voor die erkenning vast.

Een erkend bedrijf voor eerste bewerking mag teeltcontracten ondertekenen, mits het ten minste 60 % van de tabak van oorsprong uit de Gemeenschap die het in de handel brengt, zonder verdere bewerking direct of indirect aan tabaksfabrikanten verkoopt.

2.

De lidstaat trekt de erkenning in indien het bewerkingsbedrijf de op communautair of nationaal niveau geldende bepalingen betreffende ruwe tabak opzettelijk of door grove nalatigheid niet naleeft.

Voor elke soortengroep zijn de in artikel 110 duodecies, onder a), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde productiegebieden die welke zijn vastgesteld in bijlage XXVI bij de onderhavige verordening.

De lidstaten kunnen kleinere productiegebieden vaststellen, met name op basis van kwaliteitscriteria. Een dergelijk kleiner productiegebied mag niet meer omvatten dan een gemeente of, in Frankrijk, een kanton.

1.

Het in artikel 110 duodecies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde teeltcontract wordt gesloten tussen enerzijds een bedrijf voor eerste bewerking, en anderzijds een landbouwer of een door de betrokken lidstaat erkende producentenvereniging die de landbouwer vertegenwoordigt.

2.

Het teeltcontract wordt per soort of soortengroep gesloten. Op grond van het contract dient het bedrijf voor eerste bewerking de in het contract vastgestelde hoeveelheid tabaksbladeren in ontvangst te nemen en dient de landbouwer of de producentenvereniging die hem vertegenwoordigt, die hoeveelheid, tot maximaal de werkelijke productie, aan dat bewerkingsbedrijf te leveren.

3.

Voor elke oogst worden in het teeltcontract ten minste de volgende gegevens vermeld:

  1. de naam en het adres van de contractsluitende partijen;

  2. de soort en soortengroep waarop het contract betrekking heeft;

  3. de te leveren maximumhoeveelheid;

  4. de precieze plaats waar de tabak wordt geproduceerd: het productiegebied zoals bedoeld in artikel 171 quater quater, de provincie, de gemeente en de identificatie van het perceel in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem;

  5. de oppervlakte van het betrokken perceel, toegangswegen en omheiningen niet meegerekend;

  6. de aankoopprijs per kwaliteit, exclusief de steun, eventueel verleende diensten en belastingen;

  7. de overeengekomen minimumkwaliteitseisen per kwaliteit, voor ten minste drie kwaliteiten per bladetage, en de verbintenis van de landbouwer aan het bewerkingsbedrijf per kwaliteit ruwe tabak te zullen leveren die ten minste aan die kwaliteitseisen voldoet;

  8. de verbintenis van het bedrijf voor eerste bewerking de landbouwer de aankoopprijs per kwaliteit te zullen betalen;

  9. de termijn voor de betaling van de aankoopprijs, die niet langer mag zijn dan 30 dagen te rekenen vanaf de datum van levering;

  10. de verbintenis van de landbouwer de tabak uiterlijk op 20 juni van het oogstjaar op het betrokken perceel te zullen uitplanten.

4.

Indien het uitplanten na 20 juni zal plaatsvinden, moet de landbouwer dit vóór die datum bij aangetekende brief aan het bewerkingsbedrijf en de bevoegde autoriteit van de lidstaat meedelen onder vermelding van de redenen voor de vertraging en, bij verandering van perceel, van nadere gegevens daarover.

5.

De contractsluitende partijen mogen de oorspronkelijk in het contract vermelde hoeveelheden door middel van een aanvullende schriftelijke overeenkomst verhogen. De aanvullende overeenkomst wordt voor registratie bij de bevoegde autoriteit ingediend uiterlijk op de 40e dag na de in artikel 171 quater sexies, lid 1, bedoelde uiterste datum voor de sluiting van teeltcontracten.

1.

Behoudens overmacht moeten de teeltcontracten uiterlijk op 30 april van het oogstjaar worden gesloten. De lidstaten kunnen een eerdere datum vaststellen.

2.

Behoudens overmacht moeten de gesloten teeltcontracten voor registratie bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen 15 dagen na de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting ervan.

De bevoegde instantie is de instantie van de lidstaat waar de bewerking zal plaatsvinden.

Wanneer de bewerking zal plaatsvinden in een andere lidstaat dan die waar de tabak is geteeld, zendt de bevoegde instantie van de lidstaat van bewerking onmiddellijk een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde instantie van de lidstaat van productie. Indien deze instantie niet zelf de steunregeling controleert, zendt zij een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde controle-instantie.

3.

Wanneer de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting van de teeltcontracten of de in lid 2 bedoelde uiterste datum voor de indiening ervan met ten hoogste 15 dagen wordt overschreden, wordt de te betalen steun met 20 % verlaagd.

1.

Als het teeltcontract tussen een bedrijf voor eerste bewerking en een producentenvereniging wordt gesloten, gaat het vergezeld van een lijst met de namen van de betrokken landbouwers, hun respectieve te leveren maximumhoeveelheden en de precieze ligging en de oppervlakte van de betrokken percelen, een en ander zoals bedoeld in artikel 171 quater quinquies, lid 3, onder c), d) en e).

Deze lijst wordt uiterlijk op 15 mei van het oogstjaar voor registratie ingediend bij de bevoegde instantie.

2.

Tot de werkzaamheden die worden verricht door de in lid 1 bedoelde producentenverenigingen, mag niet de eerste bewerking van tabak behoren.

3.

Een landbouwer die tabak produceert, mag niet bij meer dan één producentenvereniging zijn aangesloten.

De aan het bewerkingsbedrijf geleverde tabak moet van gezonde handelskwaliteit zijn en mag geen van de in bijlage XXVII vermelde kenmerken vertonen. Strengere kwaliteitseisen mogen worden opgesteld door de lidstaat of worden overeengekomen tussen de contractsluitende partijen.

De lidstaten kunnen bepalen dat geschillen over de kwaliteit van de aan het bedrijf voor eerste bewerking geleverde tabak moeten worden voorgelegd aan een arbitrage-instantie. De lidstaten bepalen de regels inzake de samenstelling van en de besluitvorming door deze instanties. In de arbitrage-instanties moeten een of meer vertegenwoordigers van de producenten en van de bewerkingsbedrijven zitting hebben, maar altijd een gelijk aantal van beide groepen.

Vóór 15 maart van het oogstjaar stellen de lidstaten overeenkomstig artikel 110 duodecies, onder d), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 het indicatieve steunbedrag per kilogram vast voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep. De lidstaten kunnen het steunniveau differentiëren naargelang van de kwaliteit van de geleverde tabak. Voor elke soort of soortengroep mag het steunniveau niet hoger zijn dan het premiebedrag per soortengroep dat voor de oogst 2005 is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 546/2002 van de Raad(*).

De lidstaten stellen het definitieve steunbedrag per kilogram voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep vast binnen 15 werkdagen na de dag waarop alle tabak van de betrokken oogst is geleverd. Indien het totale steunbedrag dat in een lidstaat is aangevraagd, hoger is dan het bij artikel 110 terdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale maximum, aangepast overeenkomstig artikel 110 quaterdecies van die verordening, past de lidstaat een lineaire korting toe op de aan elke landbouwer betaalde bedragen.

1.

De aan de landbouwers te betalen steun wordt berekend op basis van het gewicht van de tabaksbladeren van de betrokken soort of soortengroep die de vereiste minimumkwaliteit hebben en door het bedrijf voor eerste bewerking zijn overgenomen.

2.

Indien het vochtgehalte verschilt van het in bijlage XXVIII vastgestelde gehalte voor de betrokken soort, wordt het gewicht binnen de in die bijlage vastgestelde toleranties aangepast voor elk procentpunt verschil.

3.

De methoden voor de bepaling van het vochtgehalte, de omvang en de frequentie van de monsternemingen en de wijze van berekening van het aangepaste gewicht zijn vastgesteld in bijlage XXIX.

1.

Behoudens overmacht moet de landbouwer, op straffe van verlies van zijn recht op de steun, uiterlijk op 30 april van het jaar na het oogstjaar zijn volledige productie aan het bedrijf voor eerste bewerking leveren. De lidstaten mogen een eerdere datum vaststellen.

2.

De tabaksbladeren moeten hetzij rechtstreeks op de plaats waar zij zullen worden bewerkt, hetzij, indien de lidstaat dit toestaat, aan een erkend aankoopcentrum worden geleverd. De bevoegde controle-instantie erkent deze aankoopcentra, die over geschikte voorzieningen, weeginrichtingen en ruimten moeten beschikken.

3.

Indien de niet-bewerkte tabak niet op de in lid 2 bedoelde plaatsen is geleverd of indien de vervoerder die afzonderlijke hoeveelheden tabak van het aankoopcentrum naar het bewerkingsbedrijf vervoert, niet over de nodige vergunning voor dat vervoer beschikt, moet het bedrijf voor eerste bewerking dat de betrokken tabak heeft overgenomen, de lidstaat een bedrag betalen dat gelijk is aan de steun voor de betrokken hoeveelheid tabak. Dit bedrag moet aan het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) worden gecrediteerd.

De bevoegde instantie van de lidstaat betaalt de steun aan de landbouwer op basis van een door de bevoegde controle-instantie afgegeven controleattest waarin de levering van de tabak wordt bevestigd.

1.

In afwijking van artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 kunnen de lidstaten voor de steun voor tabak aan de landbouwers een stelsel van voorschotten toepassen.

2.

De landbouwers kunnen een aanvraag voor een voorschot indienen na 16 september van het oogstjaar. Deze aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten, tenzij de lidstaat anders bepaalt omdat hij reeds over deze documenten beschikt:

  1. een kopie of het registratienummer van het teeltcontract;

  2. een schriftelijke verklaring van de landbouwer waarin is vermeld welke van de betrokken oogst afkomstige hoeveelheden tabak hij kan leveren.

3.

Het voorschot, dat maximaal gelijk is aan 50 % van het steunbedrag dat op basis van het overeenkomstig artikel 171 quater decies vastgestelde indicatieve steunniveau zal moeten worden betaald, wordt slechts uitgekeerd wanneer een zekerheid is gesteld ten bedrage van het voorschot, verhoogd met 15 % van het voorschot.

De zekerheid wordt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven zodra het totale steunbedrag is betaald.

4.

Het voorschot wordt uitgekeerd op of na 16 oktober van het oogstjaar en binnen 30 dagen nadat de in lid 2 bedoelde aanvraag is ingediend en het bewijs is geleverd dat de in lid 3 bedoelde zekerheid is gesteld.

Het uitgekeerde voorschot wordt in mindering gebracht op het overeenkomstig artikel 171 quater terdecies te betalen bedrag van de steun voor tabak.

5.

De lidstaten stellen aanvullende voorwaarden vast voor de toekenning van voorschotten, en met name de uiterste datum voor de indiening van de betrokken aanvragen. Een landbouwer mag geen voorschotaanvraag meer indienen zodra hij met de leveringen is begonnen.

1.

De steun wordt betaald of voorgeschoten door de lidstaat waar de tabak is geproduceerd.

2.

Indien de tabak in een andere lidstaat wordt bewerkt dan die waar hij is geproduceerd, verstrekt de lidstaat van bewerking, na de nodige controles te hebben verricht, de lidstaat van productie alle gegevens die deze laatste nodig heeft om de steun te kunnen betalen of de zekerheid te kunnen vrijgeven.

1.

Elke betrokken lidstaat deelt uiterlijk op 31 januari van elk oogstjaar de volgende gegevens aan de Commissie mee:

  1. de naam en het adres van de instanties die zijn belast met de registratie van teeltcontracten;

  2. de naam en het adres van de erkende bedrijven voor eerste bewerking.

De Commissie maakt de lijst van de met de registratie van teeltcontracten belaste instanties en van de erkende bedrijven voor eerste bewerking bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.

Elke betrokken lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de nationale maatregelen die zijn genomen om dit hoofdstuk uit te voeren.

Onverminderd eventuele toekomstige wijzigingen, hebben de producenten van wie in de oogstjaren 2002 en 2003 overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2075/92 productiequota voor tabak zijn opgekocht, er vanaf 1 januari 2006 voor het restant van de vijf oogstjaren na het jaar waarin hun quotum is opgekocht, recht op een bedrag te ontvangen dat gelijk is aan een percentage van de voor de oogst 2005 toegekende premie, zoals aangegeven in de tabellen in bijlage XXX. Deze bedragen worden elk jaar vóór 31 mei betaald.

Artikel 2

BIJLAGE

BIJLAGE XXIV

BIJLAGE XXV

BIJLAGE XXVI

BIJLAGE XXVII

BIJLAGE XXVIII

BIJLAGE XXIX

BIJLAGE XXX