Verordening (EG) nr. 1973/2004 wordt als volgt gewijzigd:
-
Aan artikel 1, lid 1, worden de volgende punten q), r) en s) toegevoegd:
-
de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 bis, van die verordening;
-
de steun voor olijfgaarden zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 ter, van die verordening;
-
de steun voor tabak zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 quater, van die verordening.”.
-
-
In artikel 3, eerste alinea, wordt punt a) vervangen door:
-
uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar: de beschikbare gegevens over de oppervlakten, of de hoeveelheden in het geval van de melkpremie, de extra betalingen, de steun voor zaaizaad en de steun voor tabak zoals bedoeld in de artikelen 95, 96, 99 en 110 duodecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003, waarvoor de steun voor dat kalenderjaar is aangevraagd, in voorkomend geval onderverdeeld naar subbasisareaal;”.
-
-
In artikel 21 wordt lid 1 vervangen door:
„1.Onverminderd artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, wordt de steun voor zetmeelaardappelen door de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd dat de aardappelen voor de vervaardiging van het aardappelzetmeel levert, uitbetaald per landbouwer nadat al diens hoeveelheden voor het verkoopseizoen aan het aardappelmeelbedrijf zijn geleverd, zulks binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop het in artikel 20 van de onderhavige verordening bedoelde bewijs is geleverd en is voldaan aan de in artikel 19 van de onderhavige verordening gestelde voorwaarden.”.
-
Het volgende artikel 49 bis wordt ingevoegd:
De lidstaten kunnen vanaf 1 december van het verkoopseizoen aan de zaadvermeerderingsbedrijven voorschotbetalingen toekennen. Een dergelijke betaling staat in verhouding tot de hoeveelheid zaaizaad die reeds voor inzaai in de handel is gebracht in de zin van artikel 49, en is slechts mogelijk indien aan alle voorwaarden van hoofdstuk 10 is voldaan.”.
-
Het volgende hoofdstuk 17 bis wordt ingevoegd:
De lidstaten stellen de objectieve criteria vast op basis waarvan voor grond een vergunning wordt verleend ten behoeve van de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in artikel 110 bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003.
Deze criteria zijn gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:
-
de landbouweconomie van de regio’s waarvoor de productie van katoen belangrijk is;
-
de bodem- en klimaatgesteldheid op de betrokken oppervlakten;
-
het beheer van het irrigatiewater;
-
milieuvriendelijke vruchtwisselingen en teelttechnieken.
De lidstaten laten de in de gemeenschappelijke rassenlijst opgenomen rassen toe die zijn aangepast aan de marktbehoeften.
De in artikel 110 ter, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde inzaai van oppervlakten wordt gerealiseerd door te zorgen voor een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat wordt vastgesteld met inachtneming van de bodem- en klimaatgesteldheid en eventueel van de specifieke regionale kenmerken.
De lidstaten mogen specifieke voorschriften vaststellen met betrekking tot de voor de instandhouding van het gewas in normale groeiomstandigheden nodige landbouwwerkzaamheden met uitzondering van de oogstwerkzaamheden.
1.Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Spanje en Portugal dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan het bij artikel 110 quater, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale basisareaal, het bij lid 2 van dat artikel vastgestelde steunbedrag wordt vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die wordt verkregen door het basisareaal te delen door het subsidiabele areaal.
2.Onverminderd artikel 171 bis octies van de onderhavige verordening geldt voor Griekenland dat, indien het subsidiabele katoenareaal groter is dan 300 000 ha, het per hectare te betalen steunbedrag wordt verkregen door 594 EUR, vermenigvuldigd met 300 000 ha, en een aanvullend bedrag, vermenigvuldigd met het areaal boven 300 000 ha, bij elkaar op te tellen en de aldus verkregen som te delen door het totale subsidiabele areaal.
Het in de eerste alinea bedoelde aanvullende bedrag is gelijk aan:
-
342,85 EUR indien het subsidiabele areaal groter dan 300 000 ha maar niet groter dan 370 000 ha is;
-
342,85 EUR, vermenigvuldigd met een verlagingscoëfficiënt die gelijk is aan 70 000, gedeeld door het aantal subsidiabele hectaren boven 300 000, indien het subsidiabele areaal groter is dan 370 000 ha.
Elk jaar erkennen de lidstaten vóór 31 december met het oog op de inzaai in het volgende jaar elke brancheorganisatie voor de productie van katoen die daarom verzoekt en die:
-
is samengesteld uit producenten met een totaal areaal van meer dan een door de lidstaat op ten minste 10 000 ha vastgestelde limiet dat voldoet aan de in artikel 171 bis bedoelde criteria voor de verlening van een vergunning, en ten minste één egreneringsbedrijf;
-
welomschreven acties onderneemt die met name tot doel hebben:
-
het tot waarde brengen van de geproduceerde niet-geëgreneerde katoen te ontwikkelen,
-
de kwaliteit van de niet-geëgreneerde katoen te verbeteren om aan de behoeften van het egreneringsbedrijf te voldoen,
-
milieuvriendelijke productiemethoden te gebruiken;
-
-
regels voor het interne functioneren heeft vastgesteld die met name betrekking hebben op:
-
de toetredingsvoorwaarden en de ledenbijdragen, in overeenstemming met de nationale en de communautaire regelgeving;
-
eventueel, een met name aan de hand van de te leveren kwaliteit niet-geëgreneerde katoen bepaalde schaal voor differentiatie van de steun naar categorie van percelen.
-
Wat 2006 betreft erkennen de lidstaten de brancheorganisaties voor de productie van katoen evenwel vóór 28 februari 2006.
1.Eenzelfde producent kan niet lid zijn van verscheidene brancheorganisaties.
2.Een producent die lid is van een brancheorganisatie, is verplicht de geproduceerde katoen te leveren aan een egreneringsbedrijf dat tot diezelfde organisatie behoort.
3.De deelneming door producenten aan een erkende brancheorganisatie moet voortvloeien uit een vrijwillige toetreding.
1.De bij artikel 110 septies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde verhoging mede in aanmerking genomen, worden in het kader van de in artikel 110 sexies van die verordening bedoelde schaal (hierna „de schaal” genoemd) vastgesteld:
-
de steunbedragen per subsidiabele hectare die een aangesloten producent op basis van de indeling van zijn percelen in de vastgestelde categorieën zoals bedoeld in lid 2 moet ontvangen;
-
de methode om het totale voor de differentiatie van de steun bestemde bedrag te verdelen over de overeenkomstig lid 2 vastgestelde categorieën van percelen.
Voor de toepassing van punt a) is het basisbedrag ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.
De onder a) bedoelde berekening heeft mede betrekking op de situatie waarin geen katoen aan het egreneringsbedrijf wordt geleverd. In dat geval is het minimumbedrag van de steun per subsidiabele hectare dat de betrokken aangesloten producent moet ontvangen, ten minste gelijk aan het niet-gedifferentieerde gedeelte van de bij artikel 110 quater, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde steun per subsidiabele hectare, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig lid 3 van dat artikel.
2.De percelen worden ingedeeld in verscheidene categorieën die door de brancheorganisaties worden vastgesteld met inachtneming van ten minste één van de volgende kwaliteitscriteria:
-
de vezellengte van de geproduceerde katoen;
-
het vochtgehalte van de geproduceerde katoen;
-
het gemiddelde gehalte aan onzuiverheden van de geproduceerde katoen.
In het kader van de schaal worden de procedures vastgesteld voor de beoordeling van elk perceel in het licht van deze criteria en de indeling ervan in een van de vastgestelde categorieën.
De schaal mag in geen geval criteria omvatten die verband houden met een verhoging van de productie of het op de markt brengen van de katoen.
Voor de toepassing van de schaal kunnen alle percelen van eenzelfde producent worden geacht tot eenzelfde gemiddelde categorie van percelen te behoren en eenzelfde kwaliteit katoen op te leveren.
3.Zo nodig wordt de niet-geëgreneerde katoen, met het oog op de indeling in een categorie van percelen binnen de schaal, bij de levering ervan aan het egreneringsbedrijf in aanwezigheid van alle betrokken partijen geanalyseerd op basis van representatieve monsters.
4.De brancheorganisatie deelt het betaalorgaan het uit de toepassing van de schaal voortvloeiende bedrag mee dat aan elk van haar producenten moet worden betaald. Het betaalorgaan verricht de betaling na te zijn nagegaan of de betrokken steunbedragen in overeenstemming met de voorschriften zijn en betrekking hebben op subsidiabele hectaren.
1.Vóór 28 februari 2006 met het oog op de inzaai in het jaar 2006 wordt de schaal voor de eerste maal ter goedkeuring ervan aan de betrokken lidstaat meegedeeld.
Binnen één maand na de mededeling beslist de lidstaat de schaal al of niet goed te keuren.
2.Vóór 31 januari delen de erkende brancheorganisaties de met het oog op de inzaai in het lopende jaar in de schaal aangebrachte wijzigingen aan de betrokken lidstaat mee.
De in de schaal aangebrachte wijzigingen worden geacht te zijn goedgekeurd tenzij de betrokken lidstaat binnen één maand na de in de eerste alinea bedoelde datum melding maakt van bezwaren.
Worden de wijzigingen van de schaal niet goedgekeurd, dan wordt de te betalen steun berekend op basis van de goedgekeurde schaal zonder rekening te houden met de niet-goedgekeurde wijzigingen.
3.Indien een brancheorganisatie besluit de toepassing van de schaal te onderbreken, stelt zij de lidstaat daarvan in kennis. De onderbreking wordt van kracht voor de inzaai in het volgende jaar.
1.De lidstaten delen de katoenproducerende landbouwers en de Commissie vóór 31 januari van het betrokken jaar het volgende mee:
-
de toegelaten rassen; de rassen die na die datum overeenkomstig artikel 171 bis bis worden goedgekeurd, moeten evenwel vóór 15 maart van hetzelfde jaar aan de landbouwers worden meegedeeld;
-
de criteria om voor grond een vergunning te verlenen;
-
de in artikel 171 bis ter bedoelde minimale dichtheid aan katoenplanten;
-
de voorgeschreven landbouwwerkzaamheden.
2.Indien de toelating van een ras wordt ingetrokken, stellen de lidstaten de landbouwers daar uiterlijk op 31 januari van in kennis met het oog op de inzaai in het volgende jaar.
3.De lidstaten delen de Commissie de volgende gegevens mee:
-
uiterlijk op 30 april van het betrokken jaar, de namen van de erkende brancheorganisaties en hun belangrijkste kenmerken, namelijk hun areaal, hun productiepotentieel, hun aantal aangesloten producenten, hun aantal aangesloten egreneringsbedrijven en de egreneringscapaciteit van elk van deze bedrijven;
-
uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar, de ingezaaide oppervlakten waarvoor aanvragen voor de gewasspecifieke betaling voor katoen zijn ingediend;
-
uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar, de uiteindelijke gegevens over de ingezaaide oppervlakten waarvoor de gewasspecifieke betaling voor katoen voor het betrokken jaar daadwerkelijk is uitgekeerd, in voorkomend geval na aftrek van de verminderingen van de oppervlakte zoals bedoeld in deel II, titel IV, hoofdstuk I, van Verordening (EG) nr. 796/2004.”.
-
-
Het volgende hoofdstuk 17 ter wordt ingevoegd:
1.De lidstaten wijzen de olijfgaarden aan die in aanmerking komen voor de in artikel 110 octies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde steun, en delen deze olijfgaarden in ten hoogste vijf categorieën in aan de hand van criteria die worden gekozen uit de volgende criteria:
-
milieucriteria:
-
moeilijke toegang tot de percelen,
-
gevaar voor bodemdegradatie,
-
bijzonder karakter van de olijfgaarden: olijfbomen die oud zijn, een culturele en maatschappelijke waarde hebben, op een helling staan, behoren tot een traditioneel of zeldzaam ras of zich bevinden in een beschermd natuurgebied;
-
-
maatschappelijke criteria:
-
sterk van de olijventeelt afhankelijke gebieden,
-
gebieden met een traditie op het gebied van de productie van olijven en olijfolie,
-
gebieden waar economische indicatoren ongunstig zijn,
-
bedrijven waar de olijfgaarden verlaten dreigen te worden,
-
grootte van de tot het bedrijf behorende olijfgaarden,
-
gebieden met een karakteristiek element zoals BOB-, BGA-, biologische of geïntegreerde productie.
-
2.Voor elke betrokken landbouwer bepalen de lidstaten tot welke van de in lid 1 bedoelde categorieën elk voor de productie van olijven bestemd perceel dat subsidiabel is, behoort. Deze informatie wordt geregistreerd in het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt (hierna „GIS voor de olijventeelt” genoemd).
3.Eenmaal per jaar kunnen de lidstaten de overeenkomstig lid 1 vastgestelde categorieën van olijfgaarden aanpassen.
Indien de aanpassing van de categorieën een herindeling van olijfgaarden tot gevolg heeft, is de nieuwe indeling van toepassing vanaf het jaar volgende op dat van de aanpassing.
1.Voor elke producent berekenen de lidstaten de subsidiabele oppervlakte volgens de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode.
De oppervlakten worden uitgedrukt in GIS-ha olijven tot twee cijfers achter de komma.
2.In afwijking van lid 1 is de in bijlage XXIV vastgestelde gemeenschappelijke methode niet van toepassing indien:
-
het voor de productie van olijven bestemde perceel kleiner is dan een door de lidstaat te bepalen minimumgrootte, die niet meer dan 0,1 ha mag bedragen;
-
het voor de productie van olijven bestemde perceel ligt in een administratieve eenheid die niet is opgenomen in de grafische referentiedatabank van het geografische informatiesysteem voor de olijventeelt.
In deze gevallen bepaalt de lidstaat de met olijfbomen beplante oppervlakte op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd.
1.Vóór 31 januari van elk jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het indicatieve steunbedrag per GIS-ha olijven vast.
2.Vóór 31 oktober van het betrokken jaar stellen de lidstaten voor elke categorie van olijfgaarden het steunbedrag per GIS-ha vast.
Dit bedrag wordt berekend door het in lid 1 bedoelde indicatieve bedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt berekend door het bij artikel 110 decies, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde maximumbedrag van de steun, eventueel verlaagd overeenkomstig lid 4 van dat artikel, te delen door de som van de bedragen die worden verkregen door het in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde indicatieve steunbedrag dat voor elke categorie is vastgesteld, te vermenigvuldigen met de desbetreffende oppervlakte.
3.De lidstaten kunnen de leden 1 en 2 op regionaal niveau toepassen.
1.Met het oog op de toepassing van artikel 110 nonies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bepalen de lidstaten voor elk voor de productie van olijven bestemd perceel op basis van de in het GIS voor de olijventeelt opgenomen gegevens en de aangiften van de landbouwers de situatie op 1 januari 2005 ten aanzien van het aantal en de standplaats van de subsidiabele olijfbomen, het aantal en de standplaats van de niet-subsidiabele olijfbomen, de met olijfbomen beplante en de subsidiabele oppervlakte van het voor de productie van olijven bestemde perceel en de categorie waartoe dit perceel overeenkomstig artikel 171 ter van de onderhavige verordening behoort.
2.In het geval van de vóór 1 januari 2007 in het GIS voor de olijventeelt geregistreerde oppervlakten die met olijfbomen zijn beplant in het kader van de programma’s voor nieuwe aanplant in Frankrijk en Portugal die door de Commissie zijn goedgekeurd op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad(*), bepalen de lidstaten de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde gegevens op basis van de situatie op 1 januari 2006 voor de in 2005 beplante percelen en op 1 januari 2007 voor de in 2006 beplante percelen. Deze gegevens worden uiterlijk in het kader van de verzamelaanvraag voor 2007 aan de landbouwers meegedeeld.
De lidstaten delen de Commissie elk jaar de volgende gegevens mee:
-
uiterlijk op 15 september: de gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het lopende jaar is aangevraagd;
-
uiterlijk op 31 oktober:
-
de gegevens over de onder a) bedoelde arealen die als subsidiabel worden beschouwd, gelet op de verminderingen of correcties overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004,
-
het niveau van de voor elke categorie van olijfgaarden toe te kennen steun;
-
-
uiterlijk op 31 juli: de uiteindelijke gegevens over de olijfgaardarealen, uitgesplitst naar categorie, waarvoor de steun voor het voorgaande jaar daadwerkelijk is betaald.
-
-
Het volgende hoofdstuk 17 quater wordt ingevoegd:
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
-
„levering”: iedere verrichting die in de loop van een en dezelfde dag plaatsvindt en waarbij in het kader van een teeltcontract ruwe tabak door een producent of een producentenvereniging wordt overgedragen aan een bewerkingsbedrijf;
-
„controleattest”: het door de bevoegde controle-instantie afgegeven document waarin wordt verklaard dat de betrokken hoeveelheid tabak door het bedrijf voor eerste bewerking is overgenomen, dat deze hoeveelheid in het kader van een geregistreerd contract is geleverd en dat de verrichtingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 171 quater quinquies en artikel 171 quater duodecies;
-
„bedrijf voor eerste bewerking”: iedere erkende natuurlijke of rechtspersoon die de eerste bewerking van ruwe tabak uitvoert door het exploiteren, in eigen naam en voor eigen rekening, van een of meer inrichtingen voor eerste bewerking van tabak die over de daartoe benodigde uitrusting beschikken;
-
„eerste bewerking”: de bewerking van door een landbouwer geleverde ruwe tabak tot een stabiel product dat kan worden opgeslagen en is verpakt in homogene balen of pakketten en waarvan de kwaliteit aan de eisen van de eindgebruikers (fabrikanten) voldoet;
-
„producentenvereniging”: een vereniging die tabakproducerende landbouwers vertegenwoordigt.
De soorten ruwe tabak worden ingedeeld in de volgende groepen:
-
flue cured tabak: tabak die is gedroogd in ovens waarin de luchtcirculatie, de temperatuur en de vochtigheidsgraad worden gecontroleerd;
-
light air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd;
-
dark air cured tabak: tabak die onder een afdak op natuurlijke wijze is gedroogd en vóór het in de handel brengen ervan is gefermenteerd;
-
fire cured tabak: tabak die boven een vuur is gedroogd;
-
sun cured tabak: tabak die in de zon is gedroogd;
-
Basmas (sun cured tabak);
-
Katerini (sun cured tabak);
-
klassieke Kaba Koulak en vergelijkbare soorten (sun cured tabak).
De soorten waaruit elke groep bestaat, zijn vermeld in bijlage XXV.
1.De lidstaten erkennen de op hun grondgebied gevestigde bedrijven voor eerste bewerking en stellen passende voorwaarden voor die erkenning vast.
Een erkend bedrijf voor eerste bewerking mag teeltcontracten ondertekenen, mits het ten minste 60 % van de tabak van oorsprong uit de Gemeenschap die het in de handel brengt, zonder verdere bewerking direct of indirect aan tabaksfabrikanten verkoopt.
2.De lidstaat trekt de erkenning in indien het bewerkingsbedrijf de op communautair of nationaal niveau geldende bepalingen betreffende ruwe tabak opzettelijk of door grove nalatigheid niet naleeft.
Voor elke soortengroep zijn de in artikel 110 duodecies, onder a), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde productiegebieden die welke zijn vastgesteld in bijlage XXVI bij de onderhavige verordening.
De lidstaten kunnen kleinere productiegebieden vaststellen, met name op basis van kwaliteitscriteria. Een dergelijk kleiner productiegebied mag niet meer omvatten dan een gemeente of, in Frankrijk, een kanton.
1.Het in artikel 110 duodecies, onder c), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde teeltcontract wordt gesloten tussen enerzijds een bedrijf voor eerste bewerking, en anderzijds een landbouwer of een door de betrokken lidstaat erkende producentenvereniging die de landbouwer vertegenwoordigt.
2.Het teeltcontract wordt per soort of soortengroep gesloten. Op grond van het contract dient het bedrijf voor eerste bewerking de in het contract vastgestelde hoeveelheid tabaksbladeren in ontvangst te nemen en dient de landbouwer of de producentenvereniging die hem vertegenwoordigt, die hoeveelheid, tot maximaal de werkelijke productie, aan dat bewerkingsbedrijf te leveren.
3.Voor elke oogst worden in het teeltcontract ten minste de volgende gegevens vermeld:
-
de naam en het adres van de contractsluitende partijen;
-
de soort en soortengroep waarop het contract betrekking heeft;
-
de te leveren maximumhoeveelheid;
-
de precieze plaats waar de tabak wordt geproduceerd: het productiegebied zoals bedoeld in artikel 171 quater quater, de provincie, de gemeente en de identificatie van het perceel in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem;
-
de oppervlakte van het betrokken perceel, toegangswegen en omheiningen niet meegerekend;
-
de aankoopprijs per kwaliteit, exclusief de steun, eventueel verleende diensten en belastingen;
-
de overeengekomen minimumkwaliteitseisen per kwaliteit, voor ten minste drie kwaliteiten per bladetage, en de verbintenis van de landbouwer aan het bewerkingsbedrijf per kwaliteit ruwe tabak te zullen leveren die ten minste aan die kwaliteitseisen voldoet;
-
de verbintenis van het bedrijf voor eerste bewerking de landbouwer de aankoopprijs per kwaliteit te zullen betalen;
-
de termijn voor de betaling van de aankoopprijs, die niet langer mag zijn dan 30 dagen te rekenen vanaf de datum van levering;
-
de verbintenis van de landbouwer de tabak uiterlijk op 20 juni van het oogstjaar op het betrokken perceel te zullen uitplanten.
4.Indien het uitplanten na 20 juni zal plaatsvinden, moet de landbouwer dit vóór die datum bij aangetekende brief aan het bewerkingsbedrijf en de bevoegde autoriteit van de lidstaat meedelen onder vermelding van de redenen voor de vertraging en, bij verandering van perceel, van nadere gegevens daarover.
5.De contractsluitende partijen mogen de oorspronkelijk in het contract vermelde hoeveelheden door middel van een aanvullende schriftelijke overeenkomst verhogen. De aanvullende overeenkomst wordt voor registratie bij de bevoegde autoriteit ingediend uiterlijk op de 40e dag na de in artikel 171 quater sexies, lid 1, bedoelde uiterste datum voor de sluiting van teeltcontracten.
1.Behoudens overmacht moeten de teeltcontracten uiterlijk op 30 april van het oogstjaar worden gesloten. De lidstaten kunnen een eerdere datum vaststellen.
2.Behoudens overmacht moeten de gesloten teeltcontracten voor registratie bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen 15 dagen na de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting ervan.
De bevoegde instantie is de instantie van de lidstaat waar de bewerking zal plaatsvinden.
Wanneer de bewerking zal plaatsvinden in een andere lidstaat dan die waar de tabak is geteeld, zendt de bevoegde instantie van de lidstaat van bewerking onmiddellijk een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde instantie van de lidstaat van productie. Indien deze instantie niet zelf de steunregeling controleert, zendt zij een kopie van het geregistreerde contract aan de bevoegde controle-instantie.
3.Wanneer de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de sluiting van de teeltcontracten of de in lid 2 bedoelde uiterste datum voor de indiening ervan met ten hoogste 15 dagen wordt overschreden, wordt de te betalen steun met 20 % verlaagd.
1.Als het teeltcontract tussen een bedrijf voor eerste bewerking en een producentenvereniging wordt gesloten, gaat het vergezeld van een lijst met de namen van de betrokken landbouwers, hun respectieve te leveren maximumhoeveelheden en de precieze ligging en de oppervlakte van de betrokken percelen, een en ander zoals bedoeld in artikel 171 quater quinquies, lid 3, onder c), d) en e).
Deze lijst wordt uiterlijk op 15 mei van het oogstjaar voor registratie ingediend bij de bevoegde instantie.
2.Tot de werkzaamheden die worden verricht door de in lid 1 bedoelde producentenverenigingen, mag niet de eerste bewerking van tabak behoren.
3.Een landbouwer die tabak produceert, mag niet bij meer dan één producentenvereniging zijn aangesloten.
De aan het bewerkingsbedrijf geleverde tabak moet van gezonde handelskwaliteit zijn en mag geen van de in bijlage XXVII vermelde kenmerken vertonen. Strengere kwaliteitseisen mogen worden opgesteld door de lidstaat of worden overeengekomen tussen de contractsluitende partijen.
De lidstaten kunnen bepalen dat geschillen over de kwaliteit van de aan het bedrijf voor eerste bewerking geleverde tabak moeten worden voorgelegd aan een arbitrage-instantie. De lidstaten bepalen de regels inzake de samenstelling van en de besluitvorming door deze instanties. In de arbitrage-instanties moeten een of meer vertegenwoordigers van de producenten en van de bewerkingsbedrijven zitting hebben, maar altijd een gelijk aantal van beide groepen.
Vóór 15 maart van het oogstjaar stellen de lidstaten overeenkomstig artikel 110 duodecies, onder d), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 het indicatieve steunbedrag per kilogram vast voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep. De lidstaten kunnen het steunniveau differentiëren naargelang van de kwaliteit van de geleverde tabak. Voor elke soort of soortengroep mag het steunniveau niet hoger zijn dan het premiebedrag per soortengroep dat voor de oogst 2005 is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 546/2002 van de Raad(*).
De lidstaten stellen het definitieve steunbedrag per kilogram voor elke betrokken tabakssoort of soortengroep vast binnen 15 werkdagen na de dag waarop alle tabak van de betrokken oogst is geleverd. Indien het totale steunbedrag dat in een lidstaat is aangevraagd, hoger is dan het bij artikel 110 terdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde nationale maximum, aangepast overeenkomstig artikel 110 quaterdecies van die verordening, past de lidstaat een lineaire korting toe op de aan elke landbouwer betaalde bedragen.
1.De aan de landbouwers te betalen steun wordt berekend op basis van het gewicht van de tabaksbladeren van de betrokken soort of soortengroep die de vereiste minimumkwaliteit hebben en door het bedrijf voor eerste bewerking zijn overgenomen.
2.Indien het vochtgehalte verschilt van het in bijlage XXVIII vastgestelde gehalte voor de betrokken soort, wordt het gewicht binnen de in die bijlage vastgestelde toleranties aangepast voor elk procentpunt verschil.
3.De methoden voor de bepaling van het vochtgehalte, de omvang en de frequentie van de monsternemingen en de wijze van berekening van het aangepaste gewicht zijn vastgesteld in bijlage XXIX.
1.Behoudens overmacht moet de landbouwer, op straffe van verlies van zijn recht op de steun, uiterlijk op 30 april van het jaar na het oogstjaar zijn volledige productie aan het bedrijf voor eerste bewerking leveren. De lidstaten mogen een eerdere datum vaststellen.
2.De tabaksbladeren moeten hetzij rechtstreeks op de plaats waar zij zullen worden bewerkt, hetzij, indien de lidstaat dit toestaat, aan een erkend aankoopcentrum worden geleverd. De bevoegde controle-instantie erkent deze aankoopcentra, die over geschikte voorzieningen, weeginrichtingen en ruimten moeten beschikken.
3.Indien de niet-bewerkte tabak niet op de in lid 2 bedoelde plaatsen is geleverd of indien de vervoerder die afzonderlijke hoeveelheden tabak van het aankoopcentrum naar het bewerkingsbedrijf vervoert, niet over de nodige vergunning voor dat vervoer beschikt, moet het bedrijf voor eerste bewerking dat de betrokken tabak heeft overgenomen, de lidstaat een bedrag betalen dat gelijk is aan de steun voor de betrokken hoeveelheid tabak. Dit bedrag moet aan het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) worden gecrediteerd.
De bevoegde instantie van de lidstaat betaalt de steun aan de landbouwer op basis van een door de bevoegde controle-instantie afgegeven controleattest waarin de levering van de tabak wordt bevestigd.
1.In afwijking van artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004 kunnen de lidstaten voor de steun voor tabak aan de landbouwers een stelsel van voorschotten toepassen.
2.De landbouwers kunnen een aanvraag voor een voorschot indienen na 16 september van het oogstjaar. Deze aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten, tenzij de lidstaat anders bepaalt omdat hij reeds over deze documenten beschikt:
-
een kopie of het registratienummer van het teeltcontract;
-
een schriftelijke verklaring van de landbouwer waarin is vermeld welke van de betrokken oogst afkomstige hoeveelheden tabak hij kan leveren.
3.Het voorschot, dat maximaal gelijk is aan 50 % van het steunbedrag dat op basis van het overeenkomstig artikel 171 quater decies vastgestelde indicatieve steunniveau zal moeten worden betaald, wordt slechts uitgekeerd wanneer een zekerheid is gesteld ten bedrage van het voorschot, verhoogd met 15 % van het voorschot.
De zekerheid wordt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven zodra het totale steunbedrag is betaald.
4.Het voorschot wordt uitgekeerd op of na 16 oktober van het oogstjaar en binnen 30 dagen nadat de in lid 2 bedoelde aanvraag is ingediend en het bewijs is geleverd dat de in lid 3 bedoelde zekerheid is gesteld.
Het uitgekeerde voorschot wordt in mindering gebracht op het overeenkomstig artikel 171 quater terdecies te betalen bedrag van de steun voor tabak.
5.De lidstaten stellen aanvullende voorwaarden vast voor de toekenning van voorschotten, en met name de uiterste datum voor de indiening van de betrokken aanvragen. Een landbouwer mag geen voorschotaanvraag meer indienen zodra hij met de leveringen is begonnen.
1.De steun wordt betaald of voorgeschoten door de lidstaat waar de tabak is geproduceerd.
2.Indien de tabak in een andere lidstaat wordt bewerkt dan die waar hij is geproduceerd, verstrekt de lidstaat van bewerking, na de nodige controles te hebben verricht, de lidstaat van productie alle gegevens die deze laatste nodig heeft om de steun te kunnen betalen of de zekerheid te kunnen vrijgeven.
1.Elke betrokken lidstaat deelt uiterlijk op 31 januari van elk oogstjaar de volgende gegevens aan de Commissie mee:
-
de naam en het adres van de instanties die zijn belast met de registratie van teeltcontracten;
-
de naam en het adres van de erkende bedrijven voor eerste bewerking.
De Commissie maakt de lijst van de met de registratie van teeltcontracten belaste instanties en van de erkende bedrijven voor eerste bewerking bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
2.Elke betrokken lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de nationale maatregelen die zijn genomen om dit hoofdstuk uit te voeren.
Onverminderd eventuele toekomstige wijzigingen, hebben de producenten van wie in de oogstjaren 2002 en 2003 overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 2075/92 productiequota voor tabak zijn opgekocht, er vanaf 1 januari 2006 voor het restant van de vijf oogstjaren na het jaar waarin hun quotum is opgekocht, recht op een bedrag te ontvangen dat gelijk is aan een percentage van de voor de oogst 2005 toegekende premie, zoals aangegeven in de tabellen in bijlage XXX. Deze bedragen worden elk jaar vóór 31 mei betaald.
-
-
Artikel 172 wordt als volgt gewijzigd:
-
de volgende leden 3 bis en 3 ter worden ingevoegd:
„3 bis.Verordening (EG) nr. 1591/2001 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing voor het verkoopseizoen 2005/2006.
3 ter.De Verordeningen (EEG) nr. 85/93 en (EG) nr. 2848/98 worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2006. Zij blijven evenwel van toepassing voor de oogst 2005.”;
-
lid 4 wordt vervangen door:
„4.Behalve in het geval van Verordening (EEG) nr. 85/93 moeten verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen worden gelezen als verwijzingen naar de onderhavige verordening.”.
-
-
De tekst in de bijlage bij deze verordening wordt toegevoegd als de bijlagen XXIV tot en met XXX.