Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van schelpdierwater en is van toepassing op de kustwateren en brakke wateren, die door de lidstaten zijn aangewezen als bescherming of verbetering behoevende teneinde geschikt te zijn voor het leven en de groei van schelpdieren (weekdieren behorende tot de plaatkieuwigen en buikpotigen) en aldus bij te dragen tot een goede kwaliteit van de schelpdierproducten die bestemd zijn voor rechtstreekse menselijke consumptie.
Richtlijn 2006/113/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (gecodificeerde versie)
Richtlijn 2006/113/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (gecodificeerde versie)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(1),
Overwegende hetgeen volgt:
Richtlijn 79/923/EG van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater(2) is ingrijpend gewijzigd(3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.
Voor de bescherming en verbetering van het milieu moeten concrete maatregelen worden genomen ter bescherming van water tegen verontreiniging, met inbegrip van schelpdierwater.
Het is noodzakelijk bepaalde schelpdierpopulaties te beschermen tegen de verschillende rampzalige gevolgen van het in het zeewater lozen van verontreinigende stoffen.
Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(4) voorziet in de gemeenschappelijke vaststelling van kwaliteitsdoelstellingen, waarbij de verschillende eisen waaraan een milieu moet voldoen, worden vastgelegd, met inbegrip van de definitie van de parameters voor water, waaronder schelpdierwater.
Ongelijkheid van de in de verschillende lidstaten van toepassing zijnde bepalingen inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater kan leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden en kan dientengevolge rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt.
De lidstaten dienen, om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken, de wateren aan te wijzen waarop zij van toepassing is, en de met bepaalde parameters overeenstemmende grenswaarden vast te stellen. De aangewezen wateren dienen met deze waarden in overeenstemming te worden gebracht binnen zes jaar nadat de lidstaten deze wateren hebben aangewezen.
Voor de controle van de vereiste kwaliteit van schelpdierwater is een minimale bemonstering noodzakelijk en de in bijlage I vermelde parameters moeten worden gemeten. Deze bemonstering kan worden verminderd of opgeheven afhankelijk van de resultaten van de metingen.
De lidstaten kunnen op bepaalde natuurlijke omstandigheden geen invloed uitoefenen. In verband hiermee moet de mogelijkheid worden geschapen in bepaalde gevallen van deze richtlijn af te wijken.
De technische en wetenschappelijke vooruitgang kan snelle aanpassing van sommige bepalingen van bijlage I noodzakelijk maken. Ter vergemakkelijking van de uitvoering van de voor dit doel vereiste maatregelen dient een procedure te worden ingesteld die voorziet in een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie. Deze samenwerking moet plaatsvinden in het Comité voor de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, ingesteld bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2006/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen(5).
Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2
De parameters die op de door de lidstaten aangewezen wateren van toepassing zijn, zijn opgenomen in bijlage I.
Artikel 3
Voor de aangewezen wateren stellen de lidstaten waarden vast voor de in bijlage I opgenomen parameters, voor zover er waarden zijn aangegeven in kolom G of I. Zij voegen zich naar de opmerkingen in die twee kolommen.
De lidstaten stellen geen waarden vast die minder streng zijn dan die van kolom I van bijlage I en trachten de waarden in kolom G te eerbiedigen, waarbij zij rekening houden met het in artikel 8 neergelegde beginsel.
Met betrekking tot de lozingen van stoffen die behoren tot de parameters „gehalogeneerde organische stoffen” en „metalen” zijn de door de lidstaten krachtens Richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd(6) vastgestelde emissienormen van toepassing naast de kwaliteitsdoelstellingen en de andere uit de onderhavige richtlijn voortvloeiende verplichtingen, met name die aangaande de bemonstering.
Artikel 4
De lidstaten wijzen schelpdierwater aan en kunnen vervolgens tot verdere aanwijzingen overgaan.
De lidstaten kunnen met name wegens bij de aanwijzing niet voorziene factoren overgaan tot de herziening van de aanwijzing van bepaalde wateren, waarbij zij rekening houden met het in artikel 8 neergelegde beginsel.