Home

Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (gecodificeerde versie)

Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (gecodificeerde versie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en op de artikelen 55 en 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(1),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom(2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

  2. De verhuur en uitlening van auteursrechtelijk beschermde werken en van door naburige rechten beschermde zaken spelen steeds een belangrijker rol, met name voor auteurs, kunstenaars en producenten van fonogrammen en films. Piraterij vormt een steeds ernstiger bedreiging.

  3. De doeltreffende bescherming, door middel van verhuur- en uitleenrechten, van auteursrechtelijk beschermde werken en van door naburige rechten beschermde zaken, alsook de bescherming van door naburige rechten beschermde zaken door middel van het vastleggingsrecht, het distributierecht en het recht tot uitzending en mededeling aan het publiek kunnen bijgevolg voor de economische en culturele ontwikkeling van de Gemeenschap van fundamenteel belang worden geacht.

  4. Het auteursrecht en de bescherming door naburige rechten moeten worden aangepast aan de nieuwe economische ontwikkelingen, zoals nieuwe exploitatievormen.

  5. Het creatieve en artistieke werk van auteurs en uitvoerende kunstenaars maakt een passend inkomen noodzakelijk als basis voor verder creatief en artistiek werk en de investeringen die met name voor de productie van fonogrammen en films vereist zijn, zijn bijzonder hoog en riskant en de mogelijkheid om dit inkomen veilig te stellen en deze investering terug te verdienen, kan alleen daadwerkelijk worden gegarandeerd door een passende juridische bescherming van de betrokken rechthebbenden.

  6. Deze scheppende, artistieke en ondernemersactiviteiten worden grotendeels door zelfstandigen verricht; het verrichten van dergelijke activiteiten moet worden vergemakkelijkt door een geharmoniseerde rechtsbescherming in de Gemeenschap. In zoverre het bij deze activiteiten in hoofdzaak om diensten gaat, dient het verrichten hiervan evenzeer te worden vergemakkelijkt door in de Gemeenschap een geharmoniseerd wettelijk kader tot stand te brengen.

  7. De wetgeving van de lidstaten moet zodanig worden geharmoniseerd, dat zij niet in strijd komt met internationale verdragen waarop de wetten betreffende het auteursrecht en de naburige rechten van vele lidstaten zijn gebaseerd.

  8. Men behoeft in de communautaire regelgeving betreffende het verhuur- en uitleenrecht en betreffende bepaalde naburige rechten slechts vast te stellen dat de lidstaten aan bepaalde groepen van rechthebbenden rechten met betrekking tot verhuur en uitlening moeten toekennen, en moet voorts alleen bepalen dat voor bepaalde groepen van rechthebbenden op bescherming door naburige rechten dient te worden voorzien in vastleggings-, verspreidings-, uitzendings- en openbare-mededelingsrechten.

  9. De begrippen „verhuur” en „uitlening” moeten worden gedefinieerd.

  10. Het is duidelijkheidshalve wenselijk bepaalde vormen van ter beschikking stellen, zoals het ter beschikking stellen van fonogrammen of films voor publieke vertoning of uitzending, het ter beschikking stellen voor tentoonstelling of het ter beschikking stellen voor raadpleging ter plaatse, niet te beschouwen als „verhuur” of „uitlening” in de zin van deze richtlijn. „Uitlening” in de zin van deze richtlijn dient niet het ter beschikking stellen tussen voor het publiek toegankelijke instellingen onderling te omvatten.

  11. Wanneer de door een voor het publiek toegankelijke instelling verrichte uitlening aanleiding geeft tot een betaling waarvan het bedrag niet hoger is dan hetgeen noodzakelijk is om de huishoudelijke kosten van de instelling te dekken, is er geen sprake van direct of indirect economisch of commercieel voordeel in de zin van deze richtlijn.

  12. Een regeling moet worden ingevoerd die een niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding waarborgt aan auteurs en uitvoerende kunstenaars, die de mogelijkheid moeten behouden om het beheer van dit recht toe te vertrouwen aan maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging die hen vertegenwoordigen.

  13. Deze billijke vergoeding kan uitgekeerd worden op basis van een of meer betalingen op ongeacht welk moment, bij het sluiten van het contract of later. Rekening dient te worden gehouden met het belang van de bijdrage van de betrokken auteurs en uitvoerende kunstenaars aan de productie en de exploitatie van het fonogram of de film.

  14. Ook de rechten van ten minste de auteurs ten aanzien van openbare uitlening moeten worden beschermd door een bijzondere regeling in te voeren. Evenwel moet elke in afwijking van het uitsluitende openbare uitleenrecht genomen maatregel met name overeenstemmen met artikel 12 van het Verdrag.

  15. De bepalingen van deze richtlijn betreffende het auteursrecht dienen de lidstaten niet te beletten het in deze richtlijn bedoelde vermoeden ten aanzien van contracten die uitvoerende kunstenaars individueel of collectief voor de productie van een film hebben gesloten met een filmproducent uit te breiden tot de bovengenoemde uitsluitende rechten. Die bepalingen dienen de lidstaten bovendien niet te beletten te voorzien in een weerlegbaar vermoeden dat de exploitatie is toegestaan op grond van de in de relevante bepalingen van deze richtlijn neergelegde uitsluitende rechten van uitvoerende kunstenaars, mits dat vermoeden verenigbaar is met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna het „Verdrag van Rome” te noemen).

  16. De lidstaten moeten kunnen voorzien in een verderreikende bescherming van houders van naburige rechten dan op grond van de bepalingen van deze richtlijn betreffende uitzending en mededeling aan het publiek vereist is.

  17. De geharmoniseerde verhuur- en uitleenrechten mogen niet worden uitgeoefend op een dusdanige wijze en de geharmoniseerde bescherming op het gebied van naburige rechten mag niet in praktijk worden gebracht op een dusdanige wijze, dat dit een verkapte beperking van de handel tussen lidstaten vormt, dan wel op een wijze die in strijd is met de chronologie voor de exploitatie door de media, zoals erkend in het arrest Cinéthèque tegen FNCF(4).

  18. Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I VERHUUR- EN UITLEENRECHT

Artikel 1 Voorwerp van de harmonisatie

1.

Overeenkomstig dit hoofdstuk en onverminderd artikel 6 stellen de lidstaten een recht in om de verhuur en uitlening van originelen en kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken en anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1, toe te staan of te verbieden.

2.

De in lid 1 genoemde rechten worden niet uitgeput door verkoop of enige andere vorm van verspreiding van originelen of kopieën van auteursrechtelijk beschermde werken of anderszins beschermde zaken als omschreven in artikel 3, lid 1.

Artikel 2 Definities

1.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „verhuur”: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel;

  2. „uitlening”: het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel, indien dat plaatsvindt via voor het publiek toegankelijke instellingen;

  3. „film”: een cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid.

2.

De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt beschouwd als de auteur of één van de auteurs. De lidstaten kunnen bepalen dat andere personen beschouwd worden als co-auteurs.

Artikel 3 Rechthebbenden en voorwerp van het verhuur- en uitleenrecht

1.

Het uitsluitende recht verhuur en uitlening toe te staan of te verbieden, komt toe aan:

  1. de auteur, met betrekking tot het origineel en kopieën van zijn werk;

  2. de uitvoerende kunstenaar, met betrekking tot vastleggingen van zijn uitvoering;

  3. de producent van fonogrammen, met betrekking tot zijn fonogrammen;

  4. de producent van de eerste vastlegging van een film met betrekking tot het origineel en de kopieën van zijn film.

2.

Verhuur- en uitleenrechten met betrekking tot bouwwerken en werken van toegepaste kunst vallen niet onder deze richtlijn.

3.

De in lid 1 bedoelde rechten kunnen contractueel overgedragen of in licentie gegeven worden.

4.

Onverminderd lid 6 wordt, wanneer uitvoerende kunstenaars individueel of collectief een contract voor de productie van een film hebben gesloten met een filmproducent, de in het contract genoemde uitvoerende kunstenaar geacht, behoudens andersluidend beding, zijn verhuurrecht te hebben overgedragen, onder voorbehoud van artikel 5.

5.

De lidstaten kunnen voor auteurs voorzien in een soortgelijk vermoeden als bedoeld in lid 4.

6.

De lidstaten kunnen bepalen dat de ondertekening van het tussen een uitvoerend kunstenaar en een filmproducent gesloten contract voor de productie van een film geldt als toestemming tot verhuur, voor zover dit contract voorziet in een billijke vergoeding in de zin van artikel 5. De lidstaten kunnen ook bepalen dat dit lid van overeenkomstige toepassing is op de in hoofdstuk II bedoelde rechten.

Artikel 4 Verhuur van computerprogramma's

Artikel 5 Niet voor afstand vatbaar recht op een billijke vergoeding

Artikel 6 Afwijking van het uitsluitende openbare uitleenrecht

HOOFDSTUK II NABURIGE RECHTEN

Artikel 7 Vastleggingsrecht

Artikel 8 Uitzending en mededeling aan het publiek

Artikel 9 Distributierecht

Artikel 10 Beperkingen op de rechten

HOOFDSTUK III GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 11 Toepassing in de tijd

Artikel 12 Relatie tussen auteursrecht en naburige rechten

Artikel 13 Kennisgeving

Artikel 14 Intrekking

Artikel 15 Inwerkingtreding

Artikel 16 Adressaten

BIJLAGE I

BIJLAGE IICONCORDANTIETABEL