Home

2007/589/EG: Beschikking van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3416) (Voor de EER relevante tekst )

2007/589/EG: Beschikking van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 3416) (Voor de EER relevante tekst )

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(1), en met name op artikel 14, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De volledige, consistente, transparante en nauwkeurige monitoring en rapportage van broeikasgasemissies overeenkomstig de in deze beschikking vervatte richtsnoeren is van fundamenteel belang voor het functioneren van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten die bij Richtlijn 2003/87/EG werd ingesteld.

  2. Gedurende de eerste nalevingscyclus van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, die het jaar 2005 omvatte, hebben de exploitanten, verificateurs en bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun eerste ervaringen opgedaan met de monitoring, verificatie en rapportage overeenkomstig Beschikking 2004/156/EG van de Commissie van 29 januari 2004 tot vaststelling van richtsnoeren voor de bewaking en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(2).

  3. Bij de toetsing van Beschikking 2004/156/EG is duidelijk geworden dat de bij die beschikking vastgestelde richtsnoeren op diverse punten moesten worden gewijzigd om ze te verduidelijken en kostenefficiënter te maken. Gezien het grote aantal wijzigingen is het passend Beschikking 2004/156/EG te vervangen.

  4. Het is passend de toepassing van de richtsnoeren op installaties waarvan de gemiddelde geverifieerde gerapporteerde uitstoot gedurende de vorige handelsperiode minder dan 25 000 t fossiel CO2 per jaar bedroeg, te vergemakkelijken en voorts een verdere harmonisatie tot stand te brengen en technische kwesties te verduidelijken.

  5. Waar passend is rekening gehouden met de richtsnoeren betreffende de monitoring van broeikasgassen die zijn ontwikkeld door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO), het initiatief inzake een broeikasgassenprotocol van de World Business Council on Sustainable Development (WBCSD) en het World Resources Institute (WRI).

  6. De informatie die de exploitanten uit hoofde van deze beschikking verstrekken, moet het makkelijker maken een relatie te leggen tussen de emissies die worden gerapporteerd krachtens Richtlijn 2003/87/EG en die welke worden gerapporteerd aan het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen (EPRTR) dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad(3) en de emissies die in de nationale inventarissen worden gerapporteerd op basis van de verschillende broncategorieën van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC).

  7. Een verhoging van de algehele kosteneffectiviteit van de monitoringmethodieken, zonder afbreuk te doen aan de nauwkeurigheid van de gerapporteerde emissiegegevens of de globale integriteit van de monitoringsystemen, moet het de exploitanten en de bevoegde autoriteiten in het algemeen mogelijk maken hun verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG tegen aanzienlijk verlaagde kosten na te leven. Dit geldt met name voor installaties waar zuivere biobrandstoffen worden gebruikt en voor kleine emittenten.

  8. De rapportage-eisen zijn afgestemd op die van artikel 21 van Richtlijn 2003/87/EG.

  9. De eisen ten aanzien van het monitoringplan zijn verduidelijkt en strenger gemaakt om beter het belang daarvan aan te geven voor het waarborgen van een correcte rapportage en robuuste verificatieresultaten.

  10. Tabel 1 van bijlage I, waarin minimumeisen worden gespecificeerd, dient permanent van toepassing te blijven. De specifieke vermeldingen in die tabel zijn herzien in het licht van de informatie die door de lidstaten, exploitanten en verificateurs is verzameld, rekening houdend met de wijzigingen die zijn aangebracht in de bepalingen betreffende de verbrandingsemissies van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten en in de activiteitspecifieke richtsnoeren, en zijn het resultaat van een goede balans tussen kosteneffectiviteit en nauwkeurigheid.

  11. Er is voorzien in een „fall-back”-methode met minimale onzekerheidsdrempels, die een alternatief biedt in het geval van monitoring van de emissies van zeer specifieke of complexe installaties; daarbij worden die installaties vrijgesteld van de toepassing van de op niveaus gebaseerde benadering en wordt het opstellen van een volledig op die installaties toegesneden monitoringmethodiek mogelijk gemaakt.

  12. De bepalingen betreffende overgedragen en inherent CO2 dat onder Richtlijn 2003/87/EG vallende installaties als zuivere stof of als brandstof binnenkomt of verlaat, zijn verduidelijkt en strenger gemaakt teneinde de samenhang te verbeteren met de rapportage-eisen welke krachtens het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering voor de lidstaten gelden.

  13. De lijst van referentiewaarden voor de emissiefactoren is uitgebreid en geactualiseerd aan de hand van informatie ontleend aan de richtsnoeren van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering van 2006, hierna „de IPCC-richtsnoeren” genoemd. De lijst is ook uitgebreid met referentiewaarden voor de calorische onderwaarde voor een brede scala van brandstoffen op basis van de IPCC-richtsnoeren.

  14. Het hoofdstuk over controle en verificatie is getoetst en herzien om de begripsmatige en taalkundige consistentie met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Europese Samenwerking voor Accreditatie (EA), het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) en de ISO te verbeteren.

  15. Wat betreft de bepaling van brandstof- en materiaaleigenschappen zijn de voorschriften inzake het gebruik van de resultaten van analytische laboratoria en online gasanalyseapparatuur verduidelijkt, rekening houdend met de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van de betreffende voorschriften in de verschillende lidstaten gedurende de eerste handelsperiode. Voorts zijn extra voorschriften inzake bemonsteringsmethoden en -frequentie toegevoegd.

  16. Om de kosteneffectiviteit voor installaties met een jaarlijkse uitstoot van minder dan 25 000 t fossiel CO2 te verbeteren, zijn bepaalde ontheffingen ingevoerd van de specifieke voorschriften die gelden voor installaties in het algemeen.

  17. Het gebruik van oxidatiefactoren in de monitoringmethodiek voor verbrandingsprocessen is facultatief gemaakt. Voor installaties die roetzwart produceren en voor gasverwerkingsterminals is een massabalansbenadering toegevoegd. De eisen ten aanzien van de onzekerheid bij de bepaling van de emissies van fakkels zijn afgezwakt in overeenstemming met de specifieke technische kenmerken van deze voorzieningen.

  18. De massabalansbenadering dient geen deel uit te maken van de activiteitspecifieke richtsnoeren voor aardolieraffinaderijen zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG, gezien de problemen die bij de eerste rapportage zijn gesignaleerd met betrekking tot de haalbare nauwkeurigheid. De richtsnoeren voor de emissies van katalytische-krakerregeneratie, andere katalysatorregeneratie en flexicokers zijn herzien teneinde rekening te houden met de specifieke technische kenmerken van die voorzieningen.

  19. De bepalingen en drempelwaarden voor de toepassing van de massabalansbenadering zijn aangescherpt voor installaties voor de productie van cokes, sinter, ijzer en staal. De emissiefactoren van de IPCC-richtsnoeren zijn toegevoegd.

  20. De terminologie en de methodieken voor installaties voor de productie van cementklinker en installaties voor de productie van kalk zijn afgestemd op de commerciële praktijk in de onder deze beschikking vallende sectoren. Het gebruik van activiteitsgegevens, emissiefactoren en conversiefactoren is in overeenstemming gebracht met de andere onder Richtlijn 2003/87/EG vallende activiteiten.

  21. In bijlage IX zijn bijkomende emissiefactoren vastgesteld voor installaties in de glasindustrie.

  22. De eisen ten aanzien van de onzekerheid voor emissies veroorzaakt door het branden van grondstoffen in installaties van de keramische industrie zijn versoepeld om beter rekening te houden met situaties waarin de klei direct afkomstig is uit een kleigroeve. De louter op de eindmaterialen gebaseerde methode dient niet langer te worden gebruikt, gezien de beperkte toepasbaarheid daarvan zoals die tijdens de eerste rapportagecyclus is gebleken.

  23. Er moeten specifieke richtsnoeren worden toegevoegd voor de bepaling van broeikasgasemissies door systemen voor continue emissiemeting, teneinde een consistent gebruik van op metingen gebaseerde monitoringmethodieken in overeenstemming met de artikelen 14 en 24 en bijlage IV bij Richtlijn 2003/87/EG te vergemakkelijken.

  24. Deze beschikking voorziet niet in de erkenning van activiteiten in samenhang met het opvangen en opslaan van koolstof; daarvoor is een wijziging van Richtlijn 2003/87/EG dan wel de opneming van die activiteiten overeenkomstig artikel 24 van die richtlijn noodzakelijk.

  25. De in de bijlagen bij deze beschikking vervatte richtsnoeren omschrijven de herziene gedetailleerde criteria voor de monitoring en rapportage van de broeikasgasemissies van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten. Deze broeikasgassen worden gespecificeerd voor die activiteiten, op basis van de in bijlage IV bij die richtlijn omschreven beginselen inzake monitoring en rapportage die met ingang van 1 januari 2008 van kracht worden.

  26. Artikel 15 van Richtlijn 2003/87/EG bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de door de exploitanten ingediende verslagen worden geverifieerd volgens de in bijlage V bij die richtlijn vermelde criteria.

  27. Het is de bedoeling dat de in deze beschikking vervatte richtsnoeren opnieuw worden herzien binnen twee jaar na de toepasselijkheidsdatum ervan.

  28. De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 8 van Beschikking 93/389/EEG(4) ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de broeikasgasemissies van de in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG genoemde activiteiten zijn opgenomen in de bijlagen bij deze beschikking.

Die richtsnoeren zijn gebaseerd op de beginselen van bijlage IV bij die richtlijn.

Artikel 2

Beschikking 2004/156/EG wordt met ingang van de in artikel 3 genoemde datum ingetrokken.

Artikel 3

Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE IALGEMENE RICHTSNOEREN

BIJLAGE IIRichtsnoeren betreffende de emissies van verbrandingsactiviteiten zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE IIIActiviteitspecifieke richtsnoeren voor aardolieraffinaderijen zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE IVActiviteitspecifieke richtsnoeren voor cokesovens zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE VActiviteitspecifieke richtsnoeren voor roost- en sinterinstallaties voor metaalerts zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE VIActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van ruwijzer en staal inclusief continugieten zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE VIIActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de bereiding van cementklinker zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE VIIIActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de bereiding van kalk zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE IXActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van glas zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE XActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van keramische producten zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE XIActiviteitspecifieke richtsnoeren voor installaties voor de vervaardiging van pulp en papier zoals genoemd in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG

BIJLAGE XIIRichtsnoeren voor de bepaling van broeikasgasemissies met behulp van systemen voor continue emissiemeting