Home

Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (Herschikking)

Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (Herschikking)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Richtlijn 92/34/EEG van de Raad van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt(2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(3). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

  2. In de agrarische productie van de Gemeenschap neemt de teelt van fruitgewassen een belangrijke plaats in.

  3. Bevredigende resultaten bij de teelt van fruitgewassen hangen in ruime mate af van de kwaliteit en de fytosanitaire staat van het materiaal dat voor de teelt van de fruitgewassen wordt gebruikt en van de fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt.

  4. Geharmoniseerde voorschriften op communautair niveau garanderen dat de kopers in de gehele Gemeenschap teeltmateriaal en fruitgewassen ontvangen die fytosanitair in orde en van goede kwaliteit zijn.

  5. Wat het fytosanitaire aspect betreft, moeten de geharmoniseerde voorschriften coherent zijn met het bepaalde in Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten of voor plantaardige producten schadelijke organismen(4).

  6. Er moeten communautaire voorschriften worden vastgesteld voor geslachten en soorten fruit die voor de Gemeenschap van groot economisch belang zijn, waarbij moet worden voorzien in een communautaire procedure om later nog andere geslachten en soorten aan de lijst van onder deze richtlijn vallende geslachten en soorten toe te voegen. De geslachten en soorten die in de lijst worden genoemd, moeten in de lidstaten veelvuldig worden geteeld en voor het teeltmateriaal en/of de fruitgewassen moet een belangrijke markt bestaan die zich tot meer dan één lidstaat uitstrekt.

  7. Het is, onverminderd de fytosanitaire voorschriften van Richtlijn 2000/29/EG, niet dienstig de communautaire voorschriften voor het in de handel brengen van teeltmateriaal en fruitgewassen toe te passen wanneer wordt aangetoond dat deze producten voor uitvoer naar derde landen bestemd zijn, aangezien de in die landen geldende voorschriften kunnen afwijken van de voorschriften van de onderhavige richtlijn.

  8. In het belang van de duidelijkheid moeten de nodige definities worden vastgesteld. Deze definities moeten op technische en wetenschappelijke vooruitgang zijn gebaseerd en de desbetreffende term volledig en duidelijk omschrijven, zodat de harmonisatie binnen de interne markt wordt vergemakkelijkt en rekening wordt gehouden met alle nieuwe kansen op de markt en alle nieuwe processen die voor de productie van teeltmateriaal worden gebruikt. De definities moeten in overeenstemming worden gebracht met de definities die zijn vastgesteld voor het in de handel brengen van ander teeltmateriaal dat onder de communautaire wetgeving valt.

  9. Het is wenselijk voor elk geslacht en elke soort fruit fytosanitaire eisen en kwaliteitsnormen vast te stellen die op internationale regelingen zijn gebaseerd en die onder meer bepalingen inzake het testen op ziekteverwekkers kunnen omvatten. Daarom is het wenselijk een systeem van geharmoniseerde voorschriften in te voeren voor de verschillende categorieën materiaal en plantgoed die op de markt worden gebracht, door, wanneer beschikbaar, naar deze internationale regelingen te verwijzen.

  10. Het is tegenwoordig in de landbouwsector gebruikelijk te eisen dat teeltmateriaal en fruitgewassen hetzij officieel onderzocht zijn, hetzij onder officieel toezicht onderzocht zijn zoals de bedoeling is voor andere soorten die onder de communautaire wetgeving vallen.

  11. Genetisch gemodificeerd teeltmateriaal en genetisch gemodificeerde fruitgewassen mogen niet in de handel worden gebracht en fruitrassen mogen niet officieel worden geregistreerd, tenzij alle nodige maatregelen zijn genomen om ieder risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu te voorkomen zoals vastgelegd in Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu(5) en Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders(6).

  12. Het is wenselijk dat wordt toegezien op de instandhouding en het duurzame gebruik van de genetische diversiteit. Er moeten passende maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit komen, die het behoud garanderen van bestaande rassen, in overeenstemming met andere relevante communautaire wetgeving.

  13. Het is zinvol voorschriften voor het in de handel brengen van teeltmateriaal voor proeven, wetenschappelijke doeleinden of selectie vast te stellen, indien dit materiaal wegens de specifieke toepassing niet aan de normale normen betreffende fytosanitaire staat en kwaliteit kan voldoen.

  14. Het is in de eerste plaats de taak van de leveranciers van teeltmateriaal of fruitgewassen om ervoor te zorgen dat hun producten aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen. Het is zinvol de taak van de leveranciers en de voorwaarden waaraan zij moeten voldoen, te omschrijven. Leveranciers moeten officieel worden geregistreerd om een transparante en economisch waardevolle procedure voor de certificering van teeltmateriaal en fruitgewassen op te zetten.

  15. Leveranciers die uitsluitend aan niet-professionele eindverbruikers verkopen of leveren, kunnen van de registratieverplichting worden vrijgesteld.

  16. Het is in het belang van de koper van teeltmateriaal en fruitgewassen dat de benaming van het ras bekend is en dat de identiteit wordt gevrijwaard om de traceerbaarheid binnen het systeem mogelijk te maken en het vertrouwen op de markt te vergroten.

  17. Die doelstelling kan het best worden bereikt door algemene rasbekendheid, met name voor oude rassen, of door een rasbeschrijving die is gebaseerd op protocollen van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) of, bij het ontbreken daarvan, op andere internationale of nationale regels.

  18. Met het oog op een correcte identificatie en een geordende afzet van teeltmateriaal en fruitgewassen moeten communautaire voorschriften worden vastgesteld met regels betreffende het apart houden van de partijen en de waarmerking. Op de gebruikte etiketten moeten alle gegevens worden vermeld die voor de officiële controle en de informatie van de gebruiker nodig zijn.

  19. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten er via controles en inspecties op toezien dat de voorschriften betreffende teeltmateriaal of fruitgewassen en leveranciers in acht worden genomen. Bij de bepaling van het niveau, de intensiteit en de frequentie van die inspecties moet rekening worden gehouden met de betrokken materiaalcategorie.

  20. Er moeten communautaire controlemaatregelen worden getroffen om te garanderen dat de normen van deze richtlijn in alle lidstaten op gelijke wijze worden toegepast.

  21. Er moeten regels worden vastgesteld op grond waarvan bij tijdelijke moeilijkheden op het gebied van de voorziening als gevolg van natuurrampen, zoals brand en storm, of onvoorziene omstandigheden, voor een beperkte periode onder specifieke voorwaarden teeltmateriaal en fruitgewassen in de handel mogen worden gebracht die aan minder strenge eisen voldoen dan die welke bij deze richtlijn zijn vastgesteld.

  22. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten de lidstaten kleine producenten waarvan de volledige productie en verkoop van teeltmateriaal en fruitgewassen bestemd is voor uiteindelijk gebruik door personen op de lokale markt die niet beroepshalve betrokken zijn bij de productie van gewassen („lokaal verkeer”), kunnen vrijstellen van de etiketteringsvoorschriften en van de controles en officiële inspecties.

  23. Er moet de lidstaten een verbod worden opgelegd om voor de in bijlage I bedoelde geslachten en soorten nog andere eisen of beperkingen voor het in de handel brengen vast te stellen dan die welke bij deze richtlijn zijn vastgesteld.

  24. Er moet worden bepaald dat in derde landen geproduceerd teeltmateriaal en in derde landen geproduceerde fruitgewassen in de Gemeenschap in de handel mogen worden gebracht, op voorwaarde dat voor deze producten in alle gevallen dezelfde garanties worden gegeven als voor het teeltmateriaal en de fruitgewassen die in de Gemeenschap worden geproduceerd en die aan de communautaire voorschriften voldoen.

  25. Om de verschillende, in de lidstaten toegepaste technische controlemethoden te harmoniseren en het in de Gemeenschap geproduceerde teeltmateriaal en de in de Gemeenschap geproduceerde fruitgewassen te kunnen vergelijken met de producten uit derde landen, moeten vergelijkingsproeven worden uitgevoerd om na te gaan of deze producten aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen.

  26. Om handelsverstoringen te voorkomen moeten de lidstaten kunnen toestaan dat gecertificeerd en CAC-materiaal („Conformitas Agraria Communitatis”) dat afkomstig is van op de datum van toepassing van deze richtlijn reeds bestaande en reeds gecertificeerde of als CAC-materiaal aanvaarde moederplanten, op hun eigen grondgebied voor een overgangsperiode in de handel worden gebracht, zelfs als dit materiaal niet aan de nieuwe voorschriften voldoet.

  27. De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze richtlijn moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7).

  28. Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1 TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Werkingssfeer

1.

Deze richtlijn is van toepassing op het in de handel brengen in de Gemeenschap van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt.

2.

Deze richtlijn is van toepassing op de in bijlage I genoemde geslachten en soorten, alsmede op hybriden daarvan. Deze richtlijn is ook van toepassing op onderstammen en andere plantendelen van andere dan de in bijlage I genoemde geslachten en soorten of op hybriden daarvan, wanneer materiaal van in bijlage I genoemde geslachten en soorten of hybriden daarvan daarop wordt of moet worden geënt.

3.

Deze richtlijn is van toepassing onverminderd de fytosanitaire voorschriften van Richtlijn 2000/29/EG.

4.

Deze richtlijn is niet van toepassing op teeltmateriaal en fruitgewassen waarvan wordt aangetoond dat zij voor uitvoer naar derde landen bestemd zijn, mits zij als zodanig zijn geïdentificeerd en in voldoende mate apart worden gehouden.

De uitvoeringsmaatregelen van de eerste alinea, met name wat betreft de identificatie en het apart houden, worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 2 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „teeltmateriaal”: zaad, plantendelen en alle plantmateriaal, inclusief onderstammen, bestemd voor de vermeerdering en de productie van fruitgewassen;

  2. „fruitgewassen”: planten die bestemd zijn om, nadat zij in de handel zijn gebracht, te worden uitgeplant of herplant;

  3. „ras”: een plantengroep binnen een botanisch taxon van de laagst bekende rang die kan worden:

    1. gedefinieerd aan de hand van de expressie van het kenmerk dat het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen;

    2. onderscheiden van elke andere groep planten op grond van ten minste één van die kenmerken; en

    3. beschouwd als een eenheid, gezien haar geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd;

  4. „kloon”: een vegetatieve genetisch uniforme afstamming van één enkele plant;

  5. „prebasismateriaal”: teeltmateriaal

    1. dat volgens algemeen aanvaarde methoden is geproduceerd ter instandhouding van de identiteit van het ras, met inbegrip van de relevante pomologische kenmerken, alsmede ter voorkoming van ziekten;

    2. dat dient voor de productie van basismateriaal of ander gecertificeerd materiaal dan fruitgewassen;

    3. dat voldoet aan de specifieke voorschriften voor prebasismateriaal die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld, en

    4. waarvan bij officiële inspectie is vastgesteld dat het aan de eisen onder a), b) en c) voldoet;

  6. „basismateriaal”: teeltmateriaal

    1. dat volgens algemeen aanvaarde methoden is verkregen ter instandhouding van de identiteit van het, met inbegrip van de relevante pomologische kenmerken, alsmede ter voorkoming van ziekten en dat rechtstreeks van prebasismateriaal afkomstig is of in een bekend aantal stadia vegetatief uit prebasismateriaal is voortgekweekt;

    2. dat dient voor de productie van gecertificeerd materiaal;

    3. dat voldoet aan de specifieke voorschriften voor basismateriaal die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld, en

    4. waarvan bij officiële inspectie is vastgesteld dat het aan de eisen onder a), b) en c) voldoet;

  7. „gecertificeerd materiaal”:

    1. teeltmateriaal:

      1. dat rechtstreeks vegetatief is voortgekweekt uit basismateriaal of prebasismateriaal of, indien het voor de productie van onderstammen dient, uit gecertificeerd zaad van basismateriaal of gecertificeerd materiaal van onderstammen;

      2. dat bestemd is voor de productie van fruitgewassen;

      3. dat voldoet aan de specifieke voorschriften voor gecertificeerd materiaal die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld, en

      4. waarvan bij officiële inspectie is vastgesteld dat het aan de eisen onder i), ii) en iii) voldoet;

    2. fruitgewassen:

      1. die rechtstreeks uit gecertificeerd, basis- of prebasisteeltmateriaal zijn voortgekweekt;

      2. die bestemd zijn voor de productie van fruit;

      3. die voldoen aan de specifieke voorschriften voor gecertificeerd materiaal die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld, en

      4. waarvan bij de officiële inspectie is vastgesteld dat zij aan de eisen onder i), ii) en iii) voldoen;

  8. „CAC-materiaal” („Conformitas Agraria Communitatis”): teeltmateriaal en fruitgewassen

    1. die rasecht en voldoende raszuiver zijn;

    2. die bedoeld zijn voor:

      • de productie van teeltmateriaal,

      • de productie van fruitgewassen, en/of

      • de productie van fruit;

    3. die voldoen aan de specifieke voorschriften voor CAC-materiaal die overeenkomstig artikel 4 zijn vastgesteld;

  9. „leverancier”: elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve ten minste één van de volgende activiteiten verricht met betrekking tot teeltmateriaal of fruitgewassen: vermeerderen, produceren, beschermen en/of behandelen, invoeren en in de handel brengen;

  10. „in de handel brengen”: de verkoop, het bezit met het oog op de verkoop, het aanbieden voor verkoop en iedere beschikbaarstelling, levering of overdracht van teeltmateriaal of fruitgewassen aan derden, al dan niet tegen vergoeding, met het oog op commercieel gebruik;

  11. „verantwoordelijke officiële instantie”:

    1. een door de lidstaat opgerichte of aangewezen instantie die onder toezicht van de nationale regering staat en die verantwoordelijk is voor vraagstukken inzake de kwaliteit van teeltmateriaal en fruitgewassen;

    2. een overheidsinstantie, die

      • hetzij op nationaal niveau is ingesteld,

      • hetzij — onder toezicht van nationale instanties, binnen door de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat vastgestelde grenzen — op regionaal niveau is ingesteld;

  12. „officiële inspectie”: door of onder verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke officiële instantie verrichte inspectie;

  13. „partij”: een aantal eenheden van één product, identificeerbaar door zijn homogene samenstelling en oorsprong.

HOOFDSTUK 2 VOORSCHRIFTEN VOOR TEELTMATERIAAL EN FRUITGEWASSEN

Artikel 3 Algemene voorschriften voor het in de handel brengen

Artikel 4 Specifieke voorschriften voor geslachten en soorten

HOOFDSTUK 3 VOORSCHRIFTEN WAARAAN LEVERANCIERS MOETEN VOLDOEN

Artikel 5 Registratie

Artikel 6 Specifieke voorschriften

HOOFDSTUK 4 AANDUIDING VAN HET RAS EN ETIKETTERING

Artikel 7 Aanduiding van het ras

Artikel 8 Samenstelling en identificatie van een partij

Artikel 9 Etikettering

HOOFDSTUK 5 ONTHEFFINGEN

Artikel 10 Lokaal verkeer

Artikel 11 Tijdelijke moeilijkheden bij de levering

HOOFDSTUK 6 TEELTMATERIAAL EN FRUITGEWASSEN DIE IN DERDE LANDEN ZIJN GEPRODUCEERD

Artikel 12

HOOFDSTUK 7 CONTROLEMAATREGELEN

Artikel 13 Officiële inspectie

Artikel 14 Communautaire controle

Artikel 15 Communautaire controles in de lidstaten

Artikel 16 Follow-upmaatregelen van lidstaten

HOOFDSTUK 8 ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 17 Vrijverkeersclausule

Artikel 18 Wijzigingen en aanpassing van bijlagen

Artikel 19 Comité

Artikel 20 Omzetting

Artikel 21 Overgangsmaatregelen

Artikel 22 Intrekking

Artikel 23 Inwerkingtreding

Artikel 24

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III